Log in

De minister van werkgelegenheid wil handelen

Over de beleidsbrief van Renaat Landuyt

De Vlaamse ministers hebben er werk van gemaakt. Honderden bladzijden hebben zij volgeschreven om hun beleid uit te stippelen en te legitimeren. Het is dan ook niet voor een jaartje, maar tot het einde van hun legislatuur. Meer aanloop en meer diepgang zijn dan ook op hun plaats. In die berg papier valt zonder enige twijfel het werkstuk Naar duurzame werkgelegenheid in de actieve welvaartsstaat van Renaat Landuyt op. Er is inderdaad heel hard aan gewerkt; het is een doorwrocht stuk. Het staat eigenlijk haaks op het haastige knutselwerk dat kabinetten zo vaak afleveren. Het had gerust een boekje mogen worden, dat alleen maar positief kan afsteken tegenover al die rommel die ministers, zo rond verkiezingstijd, op hun naam plegen te zetten.

Visie en filosofie

Het begint nochtans niet zo beloftevol. In de eerste twee hoofdstukken wordt nog maar eens de lijn getrokken van de industriële revolutie tot vandaag en wordt nog maar eens de arbeidsmarkt in kaart gebracht. Het is allemaal juist, maar vooral opgewarmde kost. Een korte opfrissing voor het geheugen had volstaan. Interessant wordt het vanaf het referentiekader. De minister waagt zich aan een filosofische analyse van de arbeid. Dat hij daarbij op een bepaald moment over zijn eigen benen struikelt, is dan niet zo erg. Hij werkt een echte visie uit en maakt van daaruit consequent zijn politieke keuzen. Zo hoort het.
Maar hij struikelt. Hij grijpt terug naar André Gorz en Hannah Arendt. Dat is op zich heel plezant; ik heb het nog niet veel ministers weten voordoen. Maar hij duwt Arendt te veel op de schoot van Gorz. Deze laatste heeft een heel klassiek marxistische visie op arbeid. Hij beroept zich letterlijk op Marx wanneer hij een onderscheid maakt tussen het rijk van de vrijheid en dat van de noodzaak. In het rijk van de noodzaak wordt om den brode gewerkt. Het is noodzakelijkerwijs een vervreemde situatie, die zo beperkt mogelijk moet worden gehouden. Ideaal is zelfs een arbeidsloos bestaan. In het rijk van de vrijheid bepaalt iedereen zichzelf. Die tijd moet zo ruim mogelijk zijn. Marx wilde inderdaad zo veel mogelijk vrije tijd, omdat hij dacht dat de arbeidstijd toch nooit zinvol te krijgen was.
Landuyt is in dit opzicht geen marxist. Hij gaat ervan uit dat ook de arbeidstijd de moeite waard moet zijn. Maar hij grijpt naast de steun die hij op dat punt had kunnen krijgen van Hannah Arendt. Hij moet haar maar eens dringend, maar ook kritisch, herlezen. Zij maakt een onderscheid tussen arbeiden, werken en handelen. Ik kan die begrippen hier natuurlijk niet uitspitten. Maar heel kort komt het hierop neer: arbeiden is het repetitieve zorgen voor het bestaan. Denk aan huiselijk werk, lopende band werk. Het is deze arbeid die Gorz voor ogen stond en die voor hem moest verdwijnen. Werken is het ambachtelijke scheppende werk. Denk aan het werk van de meubelmaker. Handelen is het kaderende, het reflecterende spreken, het politieke in een heel ruime zin. Wie handelt, bouwt verder aan een verhaal, begint met iets nieuws. Probleem in onze moderne samenleving is nu juist dat zowat alles tot het arbeiden herleid wordt. De meeste mensen worden van handelen uitgesloten. Ook in de vrije tijd wordt dat niet goed gemaakt. Precies die vrije tijd is vrijblijvende tijd. Er wordt bijna per definitie geen richting gegeven. In hun strijd om de arbeid te bannen, dreigen Marx en Gorz de mensen in een uitzichtloze en vervreemdende situatie te storten. Arbeiden en werken hoeven helemaal niet uitgesloten te worden, ze moeten in een politiek verhaal opgenomen worden.

Eigen verhaal

Landuyt heeft dat onderscheid tussen Gorz en Arendt niet helemaal door. Maar hij probeert niettemin zelf zo’n verhaal aan te reiken. Hij brengt op die manier in praktijk wat Arendt heeft willen uitleggen en dat is uiteindelijk veel belangrijker dan dat hij haar theorie niet zo goed begrepen heeft. Zijn verhaal bevat een kader, een missie en een strategie. Het kader heeft vier duidelijke consequenties.
Ten eerste moet er ook in de loonarbeid ruimte voor politiek handelen zijn. Anders gezegd: bij loonarbeid blijft ook een collectieve component van belang. Dat houdt een plaats open voor de vakbonden. Landuyt heeft het - merkwaardig - over het herstel van “het syndicaliserend vermogen van de arbeid”. Maar dat noodzaakt ook tot een veel betere afstemming tussen de arbeidstijd en de vrije tijd. Ten tweede moet iedereen de kans op arbeid krijgen en dat kan alleen maar door een betere verdeling van het werk. Men moet de arbeidstijd terugbrengen tot de arbeidstijd die per persoon beschikbaar is. Ten derde moet zorgarbeid volwaardige werkgelegenheid worden. En ten vierde moet werk duurzaam zijn, in een dubbele betekenis: het moet volwaardig zijn en iedereen moet zeker zijn van zijn loopbaan. Ik besef dat ik zeer ruw samenvat, maar het geeft een idee van het kader, waarbinnen dan een missie gepast wordt, die weer in vier punten uiteenvalt: recht op duurzame werkgelegenheid voor iedere burger (garantieplannen), duurzaamheidskarakter (volwaardig), individueel en maatschappelijk welzijn (gelijke kansenbeleid) en actieve bijdrage van de overheid (de overheid als regisseur). Tot slot zet Landuyt zich achter vier strategische doelstellingen: tegen 2004 moet de werkzaamheidsgraad verhoogd worden van 59,5% tot 65%. Dat kan als er ieder jaar 30.000 nieuwe banen bijkomen. De participatie van de bevolkingsgroepen die nu onvoldoende op de arbeidsmarkt vertegenwoordigd zijn, moet verhoogd worden. De kwaliteit van de arbeid moet verbeterd worden. En er moet meer individuele en maatschappelijke ontplooiing voor iedereen komen.

Nu consequente toepassing

Dit verhaal wordt vervolgens hernomen en uitgesponnen in heel concrete maatregelen. Een strategisch programma, dat Landuyt telkens laat aansluiten bij het regeringsprogramma. Ik zal het niet proberen samen te vatten, het is er te fijn uitgewerkt voor. En ook al heb ik hier en daar wel opmerkingen, ik hoop vooral dat de minister zich consequent aan zijn visie zal houden. Dat betekent voor mij onder meer dat hij zich niet mag laten verleiden om uiteindelijk toch maar zo veel mogelijk kaarten te zetten op de zogenaamde informatiemaatschappij. Heel af en toe had ik bij de lectuur de indruk dat hij finaal toch toegeeft aan de idee dat in die maatschappij van de toekomst iedereen hoog geschoold moet zijn. Men moet er mijns inziens van uitgaan dat ook in de toekomst niet iedereen even hooggeschoold kan worden, zonder dat de minder hooggeschoolden inboeten aan maatschappelijke waardigheid. Dat is de echte uitdaging. Wie dat niet doet, geeft uiteindelijk toch toe aan een duale samenleving en dat is zeker niet de intentie van de Vlaamse minister van werkgelegenheid.
Tot slot wil ik nog even stilstaan bij de plaats die Landuyt de vakbonden toedicht. Ik heb er al op gewezen dat hij het syndicaliserend vermogen van de arbeid wil herstellen. Dat is een heel belangrijke optie, ook al doet hij met de idee verder niet veel. De hoofdopdracht van de bonden blijft in de bedrijven en instellingen liggen. Daar moeten zij mee hun bijdrage leveren aan wat men ook de “humanisering van de arbeid” kan noemen. En die opdracht is verre van voltooid. Als men aan de werelddimensie of het Europese niveau denkt, staan de bonden misschien nog maar in hun kinderschoenen. Maar de vakbond heeft natuurlijk ook een algemeen maatschappelijke opdracht. De minister waarschuwt dat de politiek moet primeren, maar hij roept de bonden toch op zich niet langer te beperken tot de rol van poortwachters van de passieve verzorgingsstaat. Zij moeten in tegendeel meebouwen aan die actieve welvaartsstaat. Heel veel raad voegt hij daar niet aan toe. Het blijft beperkt tot een oproep tot sensibiliseren, mobiliseren en informeren. En misschien heeft de minister gelijk. Misschien moet hij het maar aan de bonden overlaten. Ik hoop dan maar dat hij wel ongelijk heeft wanneer hij schrijft dat de vakbonden in Vlaanderen te weinig toekomstgericht zijn. Ik hoop dat ze zijn uitdaging echt opnemen en niet terugvallen in een krampachtig zelfverweer, waarbij de eigen machtspositie belangrijker wordt dan de belangenverdediging van de werknemers.
De beleidsbrief van de minister wil “een appellerend sociaaleconomisch project voor Vlaanderen” zijn. Zo luidt althans de ondertitel. Hij wil aanspreken en aansporen. Ik denk dat hij daar in slaagt. Hij werkt vanuit een visie en dat is voor een bewindsman, die zo veel dagelijkse beslommeringen heeft, niet altijd vanzelfsprekend. Zijn visie is tegelijk ook heel concreet uitgewerkt. Hij is gewapend voor de komende jaren. Uit zijn intenties spreekt dan ook nog een man die wil dialogeren. Wie daarop ingaat, krijgt naar mijn gevoel de kans om het beleid mee te sturen. Want ik heb in mijn bespreking zeker niet willen insinueren dat er aan al zijn voorstellen en ideeën niets meer toegevoegd of verbeterd zou kunnen worden.

Samenleving en politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 2 (februari), pagina 40 tot 42