(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

'Iedereen racist. De multiculturele droom ontleed'

Uitgelezen

december 2016
2016

Alain Van Hiel
Uitgeverij Lannoo Campus, Tielt, 2016

Over de multiculturele samenleving werd, ook in de Nederlandse taal, al een propvolle bibliotheek geschreven. De vraag is dan ook of dit boek wel had moeten worden neergepend en of het überhaupt iets bijdraagt. Ik meen van wel; sterker nog, het is mij een raadsel waarom dit boek er nog niet eerder is gekomen. Voor zover ik mij nog tussen de vele rekken die deze bibliotheek intussen kent een weg kan banen, is het één van de weinige boeken die vanuit de sociale psychologie de multiculturele samenleving beschrijven en onderzoeken. Die focus op de sociale psychologie, het vakdomein van de auteur, is nochtans belangrijk, mede ook omdat politiek-filosofen en beleidsmensen voordeel kunnen halen uit dit boek. Wat is men immers met het uitdenken van een theorie over hoe de samenleving er hoort uit te zien, als die te ver afstaat van wat we redelijkerwijze van mensen kunnen/mogen verwachten? En wat is men met het implementeren van een beleid dat zich onvoldoende rekenschap geeft van hoe mensen nu eenmaal sociaal functioneren? Dit boek biedt alvast een goede leidraad om te weten te komen hoe de mens zich gedraagt wanneer hij omgaat met mensen van verschillende afkomst. Wat beweegt hem, wat denkt hij en hoe voelt hij zich daarbij?

 

Hoewel de auteur aangeeft dat hij geen positie in het politiek en ideologisch beladen debat over migratie, integratie en diversiteit wil innemen, doet hij dat uiteindelijk wel, zij het dan op een weinig uitgesproken wijze. Zo ziet hij ‘integratie’ niet eenduidig in termen van ‘assimilatie’, maar eerder in termen van een ‘leren leven met diversiteit en samen op zoek gaan naar wat ons bindt’. Hij ziet de multiculturele samenleving bovendien enkel maar slagen als ook ‘autochtonen zich aanpassen’. Ik onderschrijf die beide stellingen, maar ik kan me inbeelden dat niet iedereen het daarmee eens is (en dat overigens niet enkel en alleen omdat ze racistische motieven zouden hebben). Los daarvan moet duidelijk zijn dat de auteur vooral de onderzoeksresultaten uit de sociale psychologie voor zich heeft willen laten spreken. Zo is het veelbetekenend dat het boek, waarvan het corpus iets meer dan 200 pagina’s beslaat, voorziet in een referentielijst van liefst 22 pagina’s (in kleine letterdruk!), 367 literatuurnoten en een sectie met ‘verder lezen’. Voor een boek dat geen academisch publiek op het oog had - daarvoor is de stijl iets te lichtvoetig en de conclusies misschien net iets te direct geformuleerd - heeft de auteur zijn huiswerk duidelijk goed gemaakt. Heel wat literatuur en auteurs passeren dan ook de revue: de ‘oude klassiekers’ zoals Stanley Milgram (mensen zijn gehoorzaam tot op het punt dat ze anderen fysiek pijn doen), Muzafer Sherif (groepen worden gevormd door competitie), Henri Tajfel (de aanwezigheid van groepen leidt als vanzelf tot discriminatie), Theodor Adorno (het belang van de autoritaire persoonlijkheid) en Gordon Allport (intermenselijk contact doet vooroordelen verminderen); contemporaine zwaargewichten à la Robert Putnam (diversiteit ondermijnt solidariteit); maar bovenal veel artikels die in vakbladen zijn verschenen en waarvan vermoedelijk enkel experten het bestaan kunnen bevroeden. Dat Van Hiel de status quaestionis bovendien lardeert met een aantal persoonlijke anekdotes en met behoorlijk wat verwijzingen naar hedendaagse gebeurtenissen, maakt het boek niet alleen informatief, maar ook herkenbaar en aangenaam om lezen.

 

Wat de sociale psychologie ons volgens Alain Van Hiel vooral leert, is dat mensen zich emotioneel ongemakkelijk voelen in de aanwezigheid van anderen. Haat en vijandigheid ten aanzien van de ander zitten als het ware in het menselijk gedrag ingebakken. Verschillen, zo stelt hij het, smaken als azijn en leiden tot wrevel en conflict, terwijl gelijkenissen zalig zoet zijn. Dit heeft te maken met het feit dat mensen vooral op zoek zijn naar zichzelf waardoor alles wat met het eigen ik verband houdt aanlokkelijk is. Als dat inderdaad zo is, dan wordt duidelijk dat een multiculturele samenleving waar ‘verschil’ dagelijkse kost is, niet meteen een delicieuze maaltijd in het vooruitzicht stelt.

 

Samenleven met andere culturen is dan wel niet vanzelfsprekend, het hoeft niet onmogelijk te zijn. De nagel waarop Van Hiel herhaaldelijk slaat, is het belang van intercultureel contact. Op de voorlaatste pagina schrijft hij dan ook: ‘Als sociaal psycholoog plaats ik helemaal bovenaan op het "te doen"-lijstje de bevordering van ontmoetingen tussen de bevolkingsgroepen’ (p. 211). Die ontmoetingen moeten echter wel voldoen aan een aantal voorwaarden. Sociale mix leidt dus niet als vanzelf tot een vermindering van de negatieve vooroordelen. De passages waarin de auteur ingaat op de ‘contacthypothese’ en de vier voorwaarden formuleert, beschouw ik als het hart van het boek. De voorwaarden leren ons immers niet alleen iets over hoe mensen sociaal functioneren, maar ook en vooral bieden ze criteria aan de hand waarvan politici hun beleid kunnen afstemmen. De criteria formuleren bovendien ook een opdracht voor elk individu. ‘Alle ruimdenkendheid ten spijt, de waarheid is dat mensen van nature uit wij-zij denkers zijn. Deze neiging is universeel en vormt een rem op het harmonieus samenleven van verschillende bevolkingsgroepen. Hoezeer het beleid probeert weerwerk te bieden tegen deze menselijke tegenkrachten, toch komt het er steeds weer op neer dat het uit de mensen zelf zal moeten komen’ (p. 199).

 

Laat me die vier voorwaarden kort opsommen: (1) het contact moet verlopen tussen mensen met een gelijke sociale status (hier zie ik bijvoorbeeld het belang van multicultureel beleid dat er niet zozeer op uit is om bepaalde mensen te bevoordelen, maar wel om bestaande wetten en regels aan te passen in functie van de diversiteit); (2) de aanwezigheid van echte en doorvoelde persoonlijke ontmoetingen (hier ligt onder meer een taak voor het onderwijs dat leerlingen stimuleert om met elkaar om te gaan, van elkaar te leren en aan den lijve te ervaren dat die ‘ander’ eigenlijk wel meevalt); (3) de leden van verschillende bevolkingsgroepen moeten met elkaar samenwerken teneinde gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken (hier staat of valt het beleid dat inzet op een ‘shared sense of belonging together’); (4) de sociale normen van de gemeenschap dienen het interculturele contact te ondersteunen (hier zie ik het belang van een sociaal ethos waarbij mensen in het dagdagelijkse leven handelen volgens het egalitarisme dat de maatschappelijke basisstructuur met haar regels, wetten en instituten begeestert). In een epifanisch moment zie ik een nieuw en interdisciplinair boek verschijnen dat de vier criteria in vier afzonderlijke delen verder zou uitwerken.

 

De vier voorwaarden tonen aan dat iedereen dan misschien wel een racistisch duiveltje in zich heeft, maar dat de omstandigheden (denk onder meer aan neutrale media, intercultureel onderwijs, doortastend antidiscriminatiebeleid, egalitaire en sociale normen) mee bepalen in hoeverre dat duiveltje openlijk of heimelijk de kans krijgt om zich te ontbinden. In die zin is de titel van het boek misschien wat misleidend. De auteur wil immers niet enkel aantonen dat iedereen (in het diepst van zijn gedachten) racist is en dat daarom de multiculturele droom utopisch is, maar wel en wellicht zelfs primair, dat ondanks het aangeboren racisme, de multiculturele droom pas kans op slagen heeft als men zich van dat racisme bewust is en als men daarmee in woord en daad ook rekening houdt. De auteur is zich doorheen het boek wel sterk bewust van de moeilijkheidsgraad van deze oefening. ‘Er bestaat geen toverstokje om (…) de samenlevingsproblemen op te lossen’ (p. 212). Daarmee eindigt de auteur op enigszins lyrische wijze zijn realistisch betoog. Veel werk moet nog worden verzet om de multiculturele samenleving tot een succes te maken. Dit boek is alvast een oproep aan alle mensen van goede wil om, ondanks de verschillen en ondanks het duiveltje, op zoek te gaan naar wat ons bindt. Daarmee sluit het boek overigens goed aan bij dat ander recent verschenen (en eveneens warm aanbevolen) boek De supersamenwerker van Van Duppen en Hoebeke. Ook deze auteurs geven aan dat we niet defaitistisch hoeven te zijn. We kunnen immers de positieve elementen van ons natuurlijk ingeslepen groepsgevoel (empathie, sympathie, altruïsme, helpgedrag, tolerantie, zelfbeheersing en generositeit) gebruiken om wat ons verdeelt te overstijgen. Niet gemakkelijk, maar niet onmogelijk. Ik hoop dat iedereen met die uitdaging aan de slag wil/zal gaan.
 

Samenleving en politiek, Jaargang 23, 2016, nr.10 (december), pagina 109 tot 111

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk