(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Marijnissen en Wilders, een tomatenrepubliek ontsluierd?

Wat is er gebeurd?

Op 22 november 2006 trokken de Nederlandse kiezers naar de stembus en veroorzaakten een aardverschuiving in politiek Den Haag. De gevestigde orde moest plaats maken voor twee splinterpartijen die tijdens de campagne gaandeweg tot middenpartij waren uitgegroeid. Zo groeide de Socialistische Partij (SP) van 9 tot 26 zetels, voornamelijk ten koste van de PvdA (die terugviel van 44 naar 34 zetels). Het CDA verloor op zijn beurt enkele zetels maar bleef wel de grootste. Regeringspartij VVD moest een dramatisch verlies incasseren en kwam uit op 22 zetels. Op de rechterflank kwam de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders met stip binnen in de kamer met 9 zetels. Deze verschuivingen hebben Nederland in een dermate moeilijke situatie gebracht dat geen enkele coalitie van twee partijen een meerderheid heeft. Bovendien staan de twee grootste partijen (CDA en PvdA) na een harde campagne op gespannen voet. Na de ‘Puinhopen van Paars’ en ‘de Puinhopen van Fortuyn’ lijken we nu de ‘Puinhopen van de Kiezer’ te moeten opruimen.

In dit betoog laten we zien hoe de media een rol hebben gespeeld in deze merkwaardige uitslag.

Invloed van de media

Uit ons onderzoek blijkt dat media-effecten krachtig zijn. Sterker nog, ze worden steeds belangrijker. Vreemd is dit niet. De media vormen voor het overgrote deel van het electoraat immers de enige bron van informatie over de politieke partijen, politici en hun standpunten. Het is daarom interessant om de mediaberichtgeving in kaart te brengen en dit te koppelen aan de publieksgegevens.

Methodiek van een verkiezingsonderzoek

Sinds 1994 doen wetenschappers van de Vrije Universiteit (Amsterdam) en de Universiteit van Amsterdam gezamenlijk onderzoek naar de verkiezingscampagnes. Dit onderzoek bestaat uit twee delen: een media-onderzoek en een publieksonderzoek.
In het media-onderzoek worden alle relevante krantenberichten en nieuwsitems omgezet in kernbeweringen (‘wie zegt wat over wie’). Uit deze kernbeweringen kunnen we vervolgens bepalen hoe positief men over elkaar en over de verschillende thema’s was. Dit resulteerde in ruim 25.000 kernzinnen, afkomstig uit ruim 10.000 krantenartikelen en uit avondjournaals (meer dan 3000 zinnen).
Deze gegevens combineren we met een publieksonderzoek op basis van een Internetpanel van Ruigrok|NetPanel met ruim duizend respondenten. De respondenten worden gevraagd wat ze gestemd hebben en van plan zijn te gaan stemmen, welke partijen ze met welke issues verbinden en hoe ze het optreden van de verschillende partijen in de media beoordelen.
Deze twee soorten gegevens stellen ons in staat om een statistisch model te ontwikkelen dat verklaart welke invloed de media-berichtgeving heeft op de (verschuivingen in) opvattingen en stemintenties van onze respondenten. Dit model blijkt over de jaren heen behoorlijk stabiel.1

Jojoverkiezingen van een volk op drift, kopt De Morgen daags na de verkiezingen. Onze beschrijving van de verkiezingen van 1994, waar het CDA werd ingeruild voor D66 en VVD, heette al ‘Democratie op drift’; en zo te zien drijven we nog steeds door. Alhoewel het aantal gewisselde zetels nu ‘slechts’ 31 is, (vergeleken met de recordjaren 2002 (46) en 1994 (34), blijkt nu nog duidelijker hoezeer men teleurgesteld is in de grote partijen. Na D66 en LPF probeert de zoekende kiezer het nu eens bij de SP en Geert Wilders. De grote vraag is natuurlijk: Wie volgt? (En vooral ook: wie leidt?)

Een model van media-invloed

De invloed van de media op het stemgedrag van de kiezers wordt al sinds 1994 onder de loep genomen. Op basis van deze reeks onderzoeken is een algemeen model ontwikkeld dat de verandering in stemvoorkeur tijdens een verkiezingscampagne  verklaart (figuur 1).

Figuur 1: Gebruikt model om verschuiving in stemvoorkeur te verklaren

Een partij doet het goed in de campagne als zij erin slaagt om in de media veel aandacht voor eigen thema’s te krijgen. Niet verwonderlijk, de agenda van de media bepaalt voor een groot deel wat mensen als belangrijke problemen zien. Als mensen de bedreiging van de welvaartsstaat als het belangrijkste probleem zien, zullen ze eerder op een partij stemmen waarvan men het gevoel heeft dat ze dat probleem kunnen oplossen, wat traditioneel een linkse partij betekent.
Het kan ook gunstig zijn om veel kritiek te krijgen van politieke opponenten. Dit maakt het namelijk mogelijk voor de partij om zich te profileren. De kiezer krijgt daardoor een beter beeld waar de partij voor staat. Het is ideaal om een allen-tegen-één beeld te scheppen: dat creëert een tweedeling tussen de eigen en alle andere partijen, wat gunstig is in het verstrooide beeld in een meerpartijenstelsel. Van neutrale maartschappelijke actoren is het juist goed om steun te krijgen. Dit verhoogt namelijk de schijnbare competentie van de partij.
Ten slotte is het zeer belangrijk om volgens de media succes te hebben. Het is voor de regeringspartijen en politici belangrijk dat hun beleid positief wordt geëvalueerd. Nog belangrijker zijn echter de peilingen. Niemand wil op een verliezend paard wedden; vaak wil men op de ‘bandwagon’ springen van de partijen die lijken te gaan winnen.

‘Dierenpartij wil vijf zetels’ (NRC Handelsblad, 2 oktober 2006)
Een wonderlijk fenomeen tijdens de verkiezingen was de opkomst van de Partij voor de Dieren. Hoewel lijsttrekker Marianne Thieme nauwelijks aan bod kwam tijdens de campagne, wist de partij, gesteund door een groot aantal bekende Nederlanders en de duurste reclamecampagne van alle partijen, de steun te verwerven van een grote groep Nederlanders.

Overzicht van de campagne

Net als een goede schaakpartij viel de verkiezingscampagne van 2006 te verdelen in drie fases: de opening, het middenspel en het eindspel. In de openingsfase (tot en met 15 oktober 2006) leek het politieke nieuws meer op gewone politieke berichtgeving dan op campagnenieuws. Er kwam verhoudingsgewijs nog veel inhoudelijk nieuws, en weinig conflict- en wedstrijdnieuws aan bod. In de tweede fase, het middenspel, ging het vooral over de strijd  tussen Bos en Balkenende. In de laatste periode (vanaf 13 november 2006) kregen ook de kleinere partijen volop media-aandacht. De titanenstrijd was toen al beslecht in het voordeel van Balkenende. Bos zwenkte naar links, in een laatste poging de verloren stemmen terug te krijgen.

Tabel 1: soorten nieuws per periode

In tabel 1 staat een overzicht van de hoeveelheid en soort nieuws in elk van deze periodes. Het totaalbeeld laat zien dat de campagne voornamelijk geconcentreerd was rond inhoudelijk nieuws. Meer dan de helft van het nieuws was gericht op standpunten over een groot palet van onderwerpen. Wanneer we de periodes apart bekijken, zien we wel een duidelijke verschuiving. Er is een duidelijke afname van inhoudelijk nieuws te zien, ten gunste van het ‘horse-race’ nieuws (waaronder peilingen). In de volgende paragrafen zullen we de afzonderlijke soorten nieuws bespreken en analyseren welke partijen daarvan hebben kunnen profiteren tijdens deze campagne.

‘Een gemiste kans: Europa is geen onderwerp in de campagnes’   (NRC Next, 16 oktober 2006)Europa speelt geen rol in de campagne, maar toch winnen de partijen die zich tegen de Europese Grondwet hadden afgezet: Wilders, de Socialistische Partij en de ChristenUnie. Wel goed voor het democratisch gehalte: waren eerst maar een handvol zetels het eens met de meerderheid van het volk, nu zijn dat 41 zetels (27%). De enige partij die uitgesproken vóór Europa bleef, de links-liberale D66, heeft het dan ook geweten.


Inhoudelijk nieuws: partijen en issue-ownership

Zoals hierboven gesteld, is het voor een partij van belang dat er veel bericht wordt over de thema’s waarop die partij de sterkste kaarten heeft (de owned issues van een partij). Welk thema van wie is, verandert tijdens een campagne doorgaans niet. Partijen zullen niet proberen om issues van anderen in handen te krijgen. Dit zou immers alleen maar nieuws genereren over dat specifiek onderwerp, en dus eerder de opponent helpen dan de eigen partij. Aan het begin van de campagne hebben we daarom geïnventariseerd welke partijen met welke issues in verband worden gebracht. Deze inventarisatie, en het verkrijgen van de andere publieksgegevens, is uitgevoerd door Ruigrok|Netpanel (geen relatie van de auteur). De resultaten staan in figuur 2.

Figuur 2: Associaties door kiezers van partijen met onderwerpen

 

Leesvoorbeeld: De balkjes geven het percentage kiezers aan dat een partij associeert met een bepaald thema. Bij de LPF is dat in het totaal 43%. 18% is het eens met de LPF voor wat betreft dat onderwerp en 25% oneens.

Twee zaken in deze figuur vallen op. Ten eerste dat de VVD, de partij van de beruchte maar ook zeer populaire Minister van Vreemdelingenzaken Rita Verdonk, niet als eerste geassocieerd wordt met het thema immigratie. Naast de LPF wedijveren ook de andere kleine rechtse partijen om dit thema: zowel de Partij voor de Vrijheid (van Geert Wilders), de Partij voor Nederland (van Hilbrand Nawijn) als Eén NL (van Marco Pastors) hebben een sterke associatie met dit thema. En dit terwijl de respondenten maar een vaag idee hebben waar al de nieuwe, kleine rechtse partijen voor staan: ‘Er komt géén onderwerp bij me op’ is een veel grotere categorie antwoorden dan ‘Immigratie’ voor deze partijen. ‘Het is dringen op rechts’ kopte het NRC Handelsblad terecht op 28 augustus 2006.
Een tweede element dat opvalt, is dat de twee andere grote partijen, CDA en PvdA, allebei een kaper op de kust hebben. De ChristenUnie wordt (zoals het CDA) sterk geassocieerd met Normen en Waarden. De Socialistische Partij heeft (net als de PvdA) dan weer een sterke positie op Sociale Zekerheid verworven.

Het partij-politieke steekspel

De tweede nieuwsvorm die een invloed heeft op het stemgedrag van de kiezers, is het nieuws over ‘steun en kritiek’. Het zogenaamde politieke steekspel. Politieke partijen en politici kunnen profiteren van dit ‘spel’. Zo kan men zich profileren in het nieuws wanneer men onder vuur komt te staan. De indeling in periodes, wat betreft de verhoudingen tussen de partijen, komt tijdens deze verkiezingscampagne wederom duidelijk terug. De eerste periode was duidelijk een opmars naar de verkiezingen: er was nog weinig interactie tussen de partijen en in veel partijen was men nog druk doende de rijen te sluiten. Geen enkele partij bleef gevrijwaard van de interne problemen die zo schadelijk zijn voor het media-imago.
In de VVD was er, naast de steeds terugkerende strijd tussen Rutte en Verdonk, heibel over de kandidatenlijst: de prominente Docters van Leeuwen kon het niet hebben dat crimefighter Fred Teeven hoger op de lijst stond dan hij. Ook werd Kamerlid Anton van Schijndel na felle kritiek over het te linkse verkiezingsprogramma uit de fractie gezet en van de kandidatenlijst gehaald. Het NRC Handelsblad titelde op 30 augustus 2006: ‘VVD, een tennisclub die politiek bedrijft.’

‘Rita Verdonk tart Mark Rutte: Stem VVD, maar wel nummer 2’  (Trouw, 9 november 2006)
Rita for President. Een wonderlijk fenomeen deed zich voor bij de VVD. Voor het eerst in de parlementaire geschiedenis kreeg niet de lijsttrekker maar een ander lid van de partij de meeste voorkeurstemmen. Dit is de revanche van ‘IJzeren Rita’ Verdonk, populair wegens haar ‘impopulaire’ asielbeleid, die eerder met klein verschil de strijd voor het lijsttrekkerschap van Mark Rutte had verloren. Alhoewel de kiezers Verdonk kennelijk beter zien zitten, blijft Rutte de voorkeur van fractie en kader houden, wat erop zou kunnen wijzen dat de VVD voorlopig nog niet uit de crisis is…


Bij zowel CDA als PvdA ontstond er half september een rel toen een aantal Turkse kamerleden van de lijst werd gehaald omdat zij weigerden de Armeense genocide als zodanig te erkennen. Vooral binnen de PvdA, sinds ‘vadertje Drees’ de vaste basis van het Turks-Nederlands electoraat, leidde dit tot felle kritiek.
Ook de kleinere partijen hielden het niet droog.  Zo twijfelde Hans van Mierlo, D66 coryfee en tevens oprichter van de partij, openlijk aan het bestaansrecht van de partij (‘Laat D66 fouten erkennen of zichzelf opheffen’, Algemeen Dagblad, 7/10/2006), om dit vervolgens op het landelijk congres terug in te trekken. 
Tijdens de eerste periode kwam vooral de onderlinge strijd tussen CDA en PvdA terug in de media. Beide partijen namen elkaar stevig op de korrel. ‘CDA en PvdA vechten met cijfers om gunst van middeninkomens’ (de Volkskrant, 5/10/2006).
De VVD stond daarbij, als tweede regeringspartij, aan de zijlijn. De kritiek van de VVD op CDA en PvdA viel, zowel qua omvang als toon, enigszins weg tegen de tweestrijd tussen CDA en PvdA. Hetzelfde gold voor de kritiek van beide partijen op de VVD. De PvdA is in zekere zin een paarse partij gebleven: ze is  kritischer jegens het CDA dan jegens de VVD. Opvallend, D66 en de kleine rechtse partijen werden in het nieuws door CDA, PvdA en VVD totaal genegeerd.

‘Turken gaan wel stemmen, op D66’  (Trouw, 9 oktober 2006)
Aldus luidde één van de weinige positieve berichten over D66 tijdens de laatste campagne.
Na het schrappen van kandidaten door PvdA en CDA, vanwege een weigering de Armeense  genocide te erkennen, riep de belangenorganisatie Turks Forum haar 164,000 leden (genoeg voor bijna drie zetels) op te stemmen op de nummer 5 van D66, de Turkse Fatma Koser Kaya, die niet gedwongen was een standpunt in te nemen over de genocide. Zij werd met voorkeursstemmen de kamer in gekozen.


Tijdens de titanenstrijd veranderde het beeld. Vooral na het eerste debat tussen Bos en Balkenende op 29 oktober, ging het CDA voluit in de aanval op de PvdA. De toon werd feller en de frequentie nam flink toe. ‘CDA laat nu Balkenende zelf blaffen: Eerste debat tussen lijsttrekkers’ (NRC Next, 30/10/2006). En blaffen deed Balkenende. ‘Balkenende valt Bos aan: U draait en u bent oneerlijk. Dat zijn de feiten’ (Trouw, 30/10/2006). Een uitspraak die nog vele malen in de media terug zou komen. De strijd richtte zich hierbij ook vooral op de twee lijsttrekkers, waarbij het ging om de vraag wie de premier van Nederland kon worden.
Waar twee honden vechten om een been, gaat de derde ermee heen. In de politiek is het echter juist zo dat de derde partijen, in dit geval de VVD, sterk te lijden hebben onder een tweestrijd. In de eerste plaats gaat de meeste media-aandacht naar de kemphanen, maar daarnaast stimuleert het ook strategische stemmen: het laatste dat VVD’ers willen is dat Bos premier wordt, en dus stemmen ze maar op het CDA.
Men zou dus ook denken dat deze strijd de Socialistische Partij schade moest berokkenen. Hier speelde echter nog een andere factor een rol: doordat Bos de SP bijna volledig links liet liggen en zelf naar het centrum opschoof, kregen veel mensen het idee dat de SP beter in staat zou zijn om de sociale problemen in Nederland op te lossen. Dit zorgde ervoor dat de PvdA, mede door de andere problemen (de ‘Armeense kwestie’, de ‘AOW kwestie’ en de slechte mediaprestaties tegenover het CDA), steeds verder wegzakte in de peilingen.

Figuur 3: Stilte voor de Storm: ‘Steun en kritiek’ tussen partijen in de aanloopfase

De tint en het cijfer geven de toon van een relatie weer, de dikte de hoeveelheid aandacht. Leesvoorbeeld: Het meest in het nieuws kwam de dikste pijl, namelijk de zelfkritiek binnen de VVD. Gemiddeld waren deze uitspraken matig negatief, -0,4 op een schaal van -1 tot 1

Figuur 4: De Titanenstrijd: ‘Steun en kritiek’ tussen partijen in het middenspel

De tint en het cijfer geven de toon van een relatie weer, de dikte de hoeveelheid aandacht. Leesvoorbeeld: Verreweg de meeste aandacht (de dikste pijlen) ging naar de relatie tussen PvdA en CDA. CDA was sterk negatief over de PvdA (-0,9 op een schaal van -1 tot +1), andersom was de relatie iets minder negatief (-0,7)


In ‘het eindspel’ leek de strijd grotendeels al gestreden, hoewel de campagne in alle hevigheid door ging. Het opvallendste nieuws was dat Wouter Bos koffie ging drinken met lijsttrekkers Marijnissen (SP) en Halsema (GroenLinks). GroenLinks, SP en PvdA waren alle drie positief over elkaar, én over zichzelf. Deze wederzijdse schouderklopperij maakte het voor de drie partijen natuurlijk moeilijk om zich ten opzichte van elkaar goed te profileren. Dit werd gezien als een teken dat Bos toch naar links opschoof, hoewel het al te laat was om de verloren stemmen nog terug te halen. Ook de media waren niet overtuigd van de oprechtheid van Bos’ pogingen: ‘PvdA werft kiezers met een kopje koffie: Gesprek van Bos met Halsema en Marijnissen vooral bedoeld om afstand te nemen van CDA’ (de Volkskrant, 20/11/2006). De PvdA viel het CDA in deze eindfase keihard aan. Ook dat was waarschijnlijk te laat, en gaf Balkenende alleen maar de kans om zich goed af te zetten tegen het links collectief.
Vergeleken met de eerdere periode was het debat wel breder. SP en VVD namen elkaar scherp op de korrel. Dit was echter voor beide partijen ongevaarlijk, aangezien ze amper een gedeeld electoraat hebben, maar stelde ze wel in staat om zich goed te positioneren: ‘Een botsing op de flanken: Rutte (VVD) en Marijnissen (SP) vallen elkaar hard aan tijdens lijsttrekkersdebat’ (NRC Next, 16/11/2006).
Een opvallend detail was de wisselwerking tussen de VVD en het CDA. De VVD viel haar huidige coalitiegenoot redelijk scherp aan, waarbij het CDA vooral kwalijk werd genomen dat zij niet openlijk voor een rechtse coalitie koos. Daarentegen was het CDA gemiddeld licht positief over de VVD. Dit lijkt heel vriendelijk, maar in feite maakte dit het voor de VVD heel moeilijk om zich goed op rechts te positioneren. Een dergelijke tactiek werkte vier jaar eerder ook al om de VVD de wind uit de zeilen te nemen. Geert Wilders was hier natuurlijk de lachende derde: doordat het VVD zich niet goed kon onderscheiden van de CDA, werd Wilders voor veel kiezers het rechts alternatief.

‘StemWijzer hielp Wilders aan stemmen’ (NRC Handelsblad, 25 november)
Dat de PvdA zich in de afgelopen jaren onvoldoende heeft afgezet tegen de electorale concurrenten ter linkerzijde blijkt nog op een andere manier keihard te zijn afgestraft. Juist omdat partijen zelf hun inhoudelijke verschillen zo slecht markeren, maken steeds meer kiezers gebruik van elektronische hulpmiddelen, zoals de Stemwijzer en het Kieskompas. De Stemwijzer bracht  meer dan 650.000 adviezen ten gunste van de uitgesproken SP uit, anderhalf keer zoveel als voor de meer gematigde PvdA. Ook blijkt uit ons effectonderzoek dat dit stemadvies nog bovenop de andere factoren een significant effect heeft.

 

‘Succes en falen’ nieuws

Een derde vorm van nieuws dat een invloed kan hebben op het stemgedrag is het nieuws rond het ‘succes en falen’ van politieke partijen en hun leiders. Daarnaast bestaat dit nieuws uit feitelijke ontwikkelingen rond bepaalde thema’s. Zij kunnen een beeld scheppen dat de regeringscoalitie ‘puinhopen’ heeft achtergelaten, maar ook dat het ‘zoet’ nu komt (‘Daling werkloosheid lager geschoolden’, de Volkskrant, 30/9/2006). Een andere belangrijke vorm van ‘succes en falen’ nieuws wordt gevormd door de opiniepeilingen.
Ook tijdens deze campagne speelde het nieuws over ‘succes en falen’ een rol, met name tijdens de laatste fase van de campagne.

Figuur 5: Het eindspel: ‘Steun en Kritiek’ tijdens de laatste week van de campagne

De tint en het cijfer geven de toon van een relatie weer, de dikte de hoeveelheid aandacht. De gestippelde pijlen zijn positief van aard. Leesvoorbeeld: De sterk negatieve relatie (-0,8 op een schaal van -1 tot +1) tussen VVD en PvdA kreeg de meeste aandacht (dikste pijl).

Bos versus Balkenende

Een jaar geleden dacht iedereen nog zeker te weten dat Bos de nieuwe premier zou worden. Balkenende werd afgeschilderd als een weinig charismatische ‘Harry Potter’ (zie kader). Nog voor de campagne van start ging, leek het tij echter al te gaan keren. ‘Balkenende groeit mee op tij florerende economie’ aldus de Volkskrant op 12 augustus 2006. Een vooruitziende blik zo bleek een maand later. Op Prinsjesdag presenteerde het kabinet een juichende begroting. ‘Na het zuur  nu het zoet’ opende De Telegraaf deze dag. Het lukte het CDA om de economische groei, van origine toch één van de VVD thema’s, toe te schrijven aan hun beleid. ‘Joop Wijn: Groei wél te danken aan beleid Balkenende I en II’ (Trouw, 2/9/2006). Vanaf dit moment haalde het CDA in de peilingen de PvdA in. De successen van het CDA kreeg de overhand in het nieuws (zie figuur 6). Balkenende groeide in zijn rol als ‘vader des vaderlands’, terwijl het bijna onmogelijk leek dat Bos nog premier zou worden. ‘Bos moet flink gat dichten: PvdA-leider verliest op betrouwbaarheid van Balkenende’ (Trouw, 3/11/2006). Dit zette een vicieuze cirkel in gang: omdat mensen Bos als ‘verliezer’ zagen, waren ze sneller geneigd om een andere partij op te zoeken, waardoor Bos nog verder wegzakte in de peiling. Vooral de SP kon hiervan profiteren. Door het wegvallen van het strategisch argument hoefde de SP niet bang te zijn voor een leegloop op het laatste moment zoals in 2003. Daarnaast had de PvdA het CDA nooit uitgesloten als regeringspartner, waardoor mensen bang waren dat een stem op de PvdA Balkenende juist in het zadel zou houden. Een stem op SP leek dan de beste manier om een linkse regering te krijgen.

Figuur 6: Succes en falen van de verschillende partijen in de berichtgeving

Voor de VVD pakten de algemene beschouwingen een stuk slechter uit. Het kon niet profiteren van de economische groei en kwamen veel negatiever in het nieuws. Hoewel Rutte steeds onderstreepte dat het succes met name op VVD-beleid gebaseerd was, lukte het hem nauwelijks deze boodschap prominent in het nieuws te krijgen. Daar komt bij dat hij zich niet al te nadrukkelijk tussen de kemphanen Bos en Balkenende wilde manoevreren. Hij groef hiermee echter zijn eigen graf. Mede daardoor werd hij in de berichtgeving eerder als loser afgeschilderd. Ook binnen de eigen partij ging de strijd om het leiderschap verder. Een week voor de verkiezingen sprak Verdonk, zonder overleg met Rutte, haar voorkeur uit voor het vice-premierschap. NRC Handelsblad concludeerde de dag erna dan ook: ‘Rutte blijft een beetje de tweede man.’ Het falende nieuws over de VVD dreef de kiezers in de richting van de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders.

‘Een mix van Harry Potter en brave stijfburgerlijkheid, een man bij wie ik geen spoortje charisma kan ontwaren.’, typeert de Belgische minister De Gucht Jan Peter Balkenende na de mislukte Ja-campagne voor de Europese grondwet. Na het Museumpleinprotest tegen de pensioenhervormingen, het nee tegen de EU-grondwet en het verlies van de regeringspartijen in de gemeenteraadsverkiezingen werd Balkenende massaal afgeschreven en was Bos de gedoodverfde nieuwe premier; maar Bos zakte steeds verder weg in de peilingen en nu stevent het land af op een vierde kabinet-Balkenende binnen vier jaar.


In de luwte van alle aandacht voor de titanenstrijd profiteerde vooral de SP. Volgens de berichtgeving zat de partij al vanaf de algemene beschouwingen in de lift. ‘SP klaar voor regeringspluche’, schreef De Telegraaf  op 1 september 2006. Deze trend wist de SP de hele campagne vol te houden. Hoewel Marijnissen in het begin nog werd genegeerd door de grote partijen, bleek zijn partij gestaag te groeien. Hij werd steeds serieuzer genomen, zeker wanneer zijn partij in de peilingen zelfs de VVD voorbij gingen. ‘Peiling: SP met 25 zetels groter dan de VVD’ (de Volkskrant, 7/11/2006). Daar komt bij dat Marijnissen zich wel duidelijk uitsprak voor een rood-groene alliantie, terwijl Bos op dat gebied uiterst terughoudend bleef. Op deze manier groeide de aanhang van Marijnissen en de zijnen fors. ‘Het lijkt wel of Jan Marijnissen niets fout kan doen’ (Algemeen Dagblad, 1811/2006).

Conclusies

De mediakrachten, die de politieke verhoudingen deels bepalen, zijn in de meest uiteenlopende ‘jojoverkiezingen’ constant: het inruilen van het CDA voor ‘paars’, het inruilen van ‘paars’ voor Fortuyn, het inruilen van Fortuyn voor het CDA, en nu de vlucht uit het centrum naar extreemlinks en -rechts. In al die verkiezingen blijkt hetzelfde rijtje succesfactoren te gelden: kritiek van je opponenten, nieuws over je eigen thema’s en vooral het uitstralen van een winnaarsgevoel.
Deze drie factoren kunnen dus ook deels de laatste beweging van de parlementaire jojo verklaren. Alle factoren wijzen op hetzelfde plaatje: het verlies van PvdA en VVD en de daarmee gepaard gaande winst van hun kleine broertjes SP en Geert Wilders.
Het begint bij de eigen thema’s. De SP stond buitengewoon sterk op het grote thema van de PvdA, de Sociale Zekerheid. Dit maakte het voor de PvdA gevaarlijk om zich op dit thema sterk te profileren: als de PvdA 2 miljoen erbij wil voor de minima, wil de SP er 20. Het is bekend dat ‘losgeslagen’ kiezer eerder voor het extreme standpunt zal kiezen. Ook de VVD had het moeilijk. Op het vlak van begrotingsbeleid stonden zij sterk aan het begin van de campagne. Heel sexy is dat echter niet, zeker niet als het goed gaat met economie en begroting. De controversiële maar ook ongekend populaire politica Rita Verdonk was Minister voor Vreemdelingenzaken. Na haar verloren lijsttrekkersverkiezing, ten gunste van Mark Rutte, was de VVD echter een belangrijke troefkaart kwijtgeraakt aan Geert Wilders. De eigen campagne van Verdonk, ongetwijfeld de reden voor haar vele voorkeursstemmen, hielp daarmee ook bij het op de agenda zetten van wat nu het eigen thema van Wilders was geworden.
Het politiek steekspel en de kritiek van de politieke opponenten leek eerst ten gunste van PvdA en CDA te gaan werken. In tegenstelling tot het CDA heeft de PvdA hier echter geen politieke munt uit kunnen slaan. Deels door het feit dat de persoonlijke aanvallen op lijsttrekker Bos succesvol lijken te zijn geweest. De ‘oneerlijke draaikont’ werd al snel minder premierfähig. De VVD was wel duidelijk de verliezer van dit steekspel. Zij werd vanaf het begin stelselmatig genegeerd door de andere partijen en zelfs geprezen als favoriete regeringspartner door het CDA.
De winst van de kleine partijen valt uit ‘het steekspel’ moeilijk te verklaren, maar des te meer uit de paardenwedloop van het ‘succes en falen’ nieuws. Zowel PvdA als VVD werden stelselmatig als verliezer afgeschilderd. Ze stapelden fout op fout, met interne ruzies en onhandige uitspraken. Elk van die fouten werd door de media breed uitgesmeerd, evenals het daaropvolgende zetelverlies in de peilingen. Dit joeg de strategische stemmers naar de extremen: de premierverkiezing was beslecht en het ging nu om de coalitiestemmen. Ook zette het een vliegwiel in werking waarbij kiezers overstapten van PvdA en VVD naar SP en Wilders. Dit zou natuurlijk leiden tot meer zetelverlies, wat op zijn beurt weer meer kiezers deed overstappen.
De eigenlijke conclusie die wij willen trekken, is dat het volk op drift is. En dit al gedurende 12 jaar. Het volk drijft echter wel op een zinnige manier. Het is niet zo dat men maar wat doet in het stemhokje. Men kiest een succesvol en charismatisch persoon die de eigen standpunten uitdraagt. Het grote verlies van de PvdA en VVD is geen overwinning van het extremisme. Het is een overwinning van een tweetal competente politici, met tv-charme en maatschappelijk relevante thema’s, die wisten te profiteren van de slechte prestaties van ‘toekomstig premier’ Bos en ‘wonderkind’ Rutte.

Overzicht Nederlandse Politiek 

Regeringspartijen:
- Christen Democratisch Appèl (CDA), in 1980 opgericht als fusie van de ‘drie grote confessionele partijen’. Lijsttrekker: Jan Peter Balkenende. In 2003 44 zetels, in 2006 41.
- Volksvereniging voor Vrijheid en Democratie (VVD), een conservatief-liberale partij. Lijsttrekker: Mark Rutte. In 2003 28  zetels, in 2006 zes minder.

Linkse oppositie:
- Partij voor de Arbeid (PvdA), sociaaldemocratische partij met sterke aanhang in grote steden en onder minderheden. Lijsttrekker: Wouter Bos. In 2003 42 zetels, in 2006 33.
- Groen Links, in 1989 onstaan uit een fusie van vier linkse partijen. Lijsttrekker: Femke Halsema. In 2003 8 zetels, in 2006 één minder.
- Socialistische Partij (SP),  een socialistische partij met activistische inslag die is voortgekomen uit de maoïstische beweging maar sindsdien gematigd. Lijsttrekker: Jan Marijnissen. In 2003 9 zetel, in 2006 met 25 zetels de derde partij.

Nieuw Rechts:
- Lijst vijf Fortuyn, de officiële politieke erfgenamen van Pim Fortuyn maar sinds zijn dood geplaagd door interne crises. Lijsttrekker: Olaf Stuger. In 2003 8 zetels, in 2006 nul.
- Eén NL. De partij van Wethouder Pastors (Rotterdam), die na de overwinning van Fortuyn in de gemeenteraadsverkiezingen van Rotterdam Wethouder werd. Deden voor het eerst mee in de verkiezingen van 2006 en behaalden nul zetels.
- De partij voor de Vrijheid van ex-VVD kamerlid Geert Wilders, gekenmerkt door sterke opvattingen tegen immigratie en de multiculturele samenleving. Behaalde in 2006 uit het niets 9 zetels.

Overig:
- De Staatskundig Gereformeerde Partij (SGP), opgericht uit protest tegen het vrouwenkiesrecht en van streng-christelijke signatuur. Lijsttrekker: Bas van der Vlies. Zowel in 2003 als 2006 2 zetels.
-  De ChristenUnie (CU), een christelijk-sociale partij geleid door de charismatische Andre Rouvoet. In 2003 3 zetels, in 2006 verdubbelde dat naar 6.
- Democraten 66 (D66), een in 1966 voor bestuurlijke vernieuwing opgerichte partij van progressief-liberale signatuur. Was tot juni deel van het kabinet maar stapte op na het vertrouwen in minister Verdonk (VVD) te zijn kwijtgeraakt. Lijsttrekker: Alexander Pechtold. In 2003 6 zetels, in 2006 gehalveerd naar 3.
- De Partij voor de Dieren (PvdD) is in 2002 opgericht uit onvrede over de politieke betrokkenheid bij dierenwelzijn en dierenrechten. Geleid door Marianne Thieme en gesteund door een groot aantal bekende Nederlanders behaalt de partij bij de verkiezingen uit het niets 2 zetels.

 

Dr. Nel Ruigrok2
De Nederlandse Nieuwsmonitor
Drs. Wouter van Atteveldt3
Vrije Universiteit Amsterdam

Samenleving en politiek, Jaargang 13, 2006, nr.10 (december), pagina 39 tot 49

Noten
1/ Zie ook www.kies2006.nl
2/ Dr. Nel Ruigrok (1972) studeerde Beleid, Communicatie en Organisatie aan de Vrije Universiteit en behaalde in 2000 een European Master in Human Rights and Democratisation. In opdracht van het NIOD voerde zij samen met Otto Scholten het onderzoek uit naar de berichtgeving over Srebrenica (1998-2002). In 2005 promoveerde zij op het proefschrift Journalism of Attachment; Dutch Newspapers during the Bosnian War. Op dit moment is zij werkzaam als universitair docent communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en als onderzoeker bij de Nederlandse Nieuwsmonitor.
3/ Drs. Wouter van Atteveldt (1980) behaalde in 2003 zijn Master in Kunstmatige Intelligentie aan de Universiteit van Edinburgh en is momenteel interdisciplinair promovendus aan de Vrije Universiteit. Zijn onderzoek richt zich op het automatiseren van media-analyse en het gebruik van kennisrepresentatie / Semantic Web technieken om mediadata op te slaan en te analyseren.

Nederland - verkiezingen - media en politiek - berichtgeving

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk