Log in

De West-Europese beeldvorming over Turkije

INLEIDING

De mogelijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie blijft de gemoederen beroeren. De voorstanders wijzen op het feit dat Turkije zowel geografisch, cultureel als historisch Europees is, dat het Europa op vlak van economie, energie en geopolitiek veel kan bijbrengen, en dat EU-lidmaatschap de Turkse democratie zou versterken en verankeren. Tegenstanders hebben het over mogelijke nefaste budgettaire gevolgen, nieuwe immigratiegolven en een grotere complexiteit van de EU-besluitvorming. Maar impliciet en vaak expliciet blijkt de culturele tegenargumentatie de bovenhand te halen: Turkije zou onvoldoende compatibel zijn met de westerse, democratische waarden. Zodoende wordt nu eens gewezen op het autoritarisme en nationalisme van het laïcistische kemalistische establishment, dan weer op de ‘oprukkende islamisering’ onder leiding van de regeringspartij AKP. Vooral het feit dat de inwoners van Turkije moslims zijn roept hevige emoties op.

Door deze simplistische schema’s blijft echter de geopolitieke en economische context vaak onderbelicht. Via de douane-unie met Turkije bijvoorbeeld heeft de EU sinds 1995 toegang tot een markt van meer dan 70 miljoen consumenten. Verder is er de rol van Turkije als belangrijk doorvoerland voor energielevering. Ongeveer 10% van alle internationale energietransporten in de wereld gaan door Turkije. Ook de nieuwe Russische energielijn naar Zuid-Europa, een concurrent van het door het Westen gesponsorde Nabuccoproject, zal door Turkse territoriale wateren lopen. Verder zorgde de herstructurering van de financiële sector na de economische crisis van 2001 ervoor dat de Turkse banken zonder financiële injecties van de overheid door de huidige crisis zijn gekomen.

Ondertussen zien we ook een vernieuwde Turkse buitenlandse politiek. Om zijn positie van regionale macht te herwinnen verzoent Turkije zich met de ‘problematische’ buren (Armenië, Syrië, Griekenland, Rusland en Iran). De beleidsmakers in Ankara lijken vastbesloten om de spanningen met hen weg te nemen via politieke en economische initiatieven, om hen zo ‘aandeelhouder’ in regionale stabiliteit te maken. Turkije is ook bemiddelaar in het Midden-Oosten, maar tegelijk viseerde premier Erdoğan de rechtse regering van oude bondgenoot Israël, omwille van de oorlogsmisdaden in Gaza. Het klopt dat Turkije investeert in nieuwe banden met het Oosten en, steunend op zijn unieke geopolitieke positie, zijn internationale betrekkingen diversifieert, maar de lijn met Europa blijft open. Dit alles gebeurt in een context van een groeiend politiek zelfvertrouwen en een bloeiende economie, die haar poorten meer en meer opent naar het Midden-Oosten, de Kaukasus en Centraal-Azië, wat ook voor Europa heel wat kansen biedt.

Een groot deel van de politieke elite en publieke opinie in West-Europa missen echter essentiële nuances van de Turkse samenleving en kunnen de binnenlandse ontwikkelingen van de laatste jaren en decennia onvoldoende goed inschatten. De realiteit is eerder dat het diepgewortelde secularisme een afglijden naar ‘islamisme’ nagenoeg onmogelijk maakt, terwijl de ‘moslim-democratische’ AKP op haar beurt een belangrijke bijdrage levert tot de verankering van liberaal-democratische waarden, zoals mensenrechten, godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting, waar ook de etnische minderheden meer en meer de vruchten van kunnen plukken. Het is vooral de AKP die Turkije heel graag in de EU wil; die een opening maakt naar de Koerden; die schrijvers zoals Orhan Pamuk in bescherming neemt wanneer zij gedurfde uitspraken doen over het Turkse nationalisme, de Koerden of de Armeense kwestie; en die de overdreven politieke macht van het leger en andere gezagsinstellingen terugschroeft. De drang naar een betere democratie komt grotendeels vanuit de Turkse samenleving zelf, en is helemaal niet uitsluitend het gevolg van ‘Europese druk’, zoals we in westerse media al te vaak lezen. Meer en meer Turken vinden de ultra-kemalistische staat, met zijn sterke rol voor het leger, zijn extreme nationalisme en zijn onderdrukking van minderheden en religie niet meer van deze tijd. De invloed van de EU was hierbij een helpende factor, maar de voortdurende suggestie dat alle positieve ontwikkelingen in Turkije aan Brussel te danken zijn, is onjuist, erg eurocentrisch en denigrerend tegenover de groeiende endogene beweging in de richting van meer democratie. Hoewel het leger zijn politieke macht ontleent aan de sleutelrol die het speelde bij de redding van de onafhankelijkheid en de oprichting van de republiek in de nadagen van WO I, mag er ook op gewezen worden dat westerse machten tijdens de Koude Oorlog het militarisme bestendigd en de democratie in Turkije zware schade toegebracht hebben. Onder meer de politieke linkerzijde werd hevig onderdrukt (o.a. in de nasleep van militaire staatsgrepen), waarvan we vandaag nog steeds de gevolgen dragen. Zoals in zoveel andere landen heeft dus ook de Turkse democratie van buitenaf rake klappen gekregen, iets wat in de eerste plaats de Turken zelf aan het herstellen zijn. Maar net zoals het perspectief op EU-toetreding de democratische krachten tot voor kort extra steun gaf, zou een afwijzing door de EU nu weer het fascistoïde nationalisme kunnen aanwakkeren.

Het is wel zo dat ondanks de veranderingen ondemocratische tendensen aanwezig blijven en populisten uit verscheidene partijen er graag op inspelen van zodra de gesprekken met Europa sputteren of er weer een Koerdische aanslag gebeurd is. Het klopt dat bepaalde hervormingen lang niet snel genoeg gaan. Maar de democratische krachten moeten daar ook de nodige ademruimte voor krijgen. Daarom is het zo belangrijk dat de EU zelf de nodige vaart achter de toetredingsonderhandelingen blijft steken. En vooral dat bepaalde landen, zoals Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk, aan de Turkse bevolking eindelijk het signaal geven dat volwaardige toetreding het einddoel is. Per slot van rekening is Turkije al jaren officieel kandidaat-lid en is het ongehoord dat er sindsdien weer fundamentele bezwaren zijn opgeworpen.

De oppositie tegen de Turkse toetreding wordt echter vaak uitgedrukt op grond van culturele en historische argumenten. Velen menen dat Turkije gewoon niet past in een Europese samenleving die gebaseerd is op christelijke tradities en cultuur. Deze opvatting is zeer populair, zodanig zelfs dat president Sarkozy het één van de kernpunten van zijn verkiezingscampagne had gemaakt. Na zijn verkiezing blokkeerde hij in 2007 dan ook de opening van cruciale economische en monetaire hoofdstukken, omdat het de weg zou openen van de Turkse toetreding tot de eurozone. Dit artikel wil aantonen dat de actuele voorstelling van Turkije als een barbaars land - want daar komt het eigenlijk op neer - voortborduurt op een lange geschiedenis en dat deze problematische historische beeldvorming als een schaduw blijft hangen over de toetredingsonderhandelingen.

‘DE CHRISTELIJKE WAARDEN ZULLEN VERWATEREN’

De Turkije-sceptici Merkel en Sarkozy lijken, met de recente aanstelling van Herman Van Rompuy als president van de Europese Raad, aan aanhang gewonnen te hebben wat hun Turkije-standpunt betreft. In een tussenkomst in het Belgische parlement in 2004 verklaarde de christendemocraat Van Rompuy: ‘Turkije is Europa niet, en zal dit nooit zijn […] de universele waarden die gelden in Europa, en die ook in de christelijke leer fundamenteel zijn, zullen verwateren door de toetreding van een groot islamitisch land als Turkije’.1 De toenmalige toptheoloog van het Vaticaan, de huidige Duitse paus Benedictus XVI, zat wat Turkije betreft op dezelfde lijn. Volgens de paus zou ‘Turkije als erfgenaam van het Ottomaanse rijk altijd tegenover Europa staan’.2

Na de tweede belegering van Wenen in 1683 hebben de Ottomanen West-Europa echter niet meer bedreigd. Maar ‘het syndroom van de poorten van Wenen’ levert nog steeds het paradigma voor het negatieve Turkse imago. Het is opmerkelijk dat de oude angsten vandaag omgevormd worden tot culturele vooroordelen jegens Turkije. In 2004 haalde de Nederlandse rechtsliberaal Frits Bolkestein de voorpagina’s met zijn uitspraak dat bij een Turkse toetreding tot de Europese Unie, de slag om Wenen in 1683 voor niets gevochten zou zijn. In dezelfde absurde logica had Nederland moeten argumenteren dat Spanje nooit tot de EU mocht worden toegelaten, omdat anders de Opstand van de Nederlanden of de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje in de 16de eeuw voor niets zou zijn geweest. Nederland en Turkije waren toen zelfs bondgenoten. Zo heeft Spanje, onder Ottomaanse druk in de Middellandse Zee, zich niet volledig kunnen richten op het neerslaan van de opstand in de Nederlanden. In de strijd tegen de Spaanse koning Filips II gebruikte de Nederlandse adel ‘Liever Turckx dan paaps’ als leuze.

De perceptie van de ‘Turk’ als de slechte andere bestaat al sinds de 15de-16de eeuw. Wolfgang Amadeus Mozart kon die bril even bijstellen toen hij in 1782 een goede Turk neerzette in zijn opera De ontvoering uit de Saray. Het is één van de voorbeelden uit het in romantiek gedrenkte oriëntalisme, een westerse beeldvorming van het ‘Oosten’ in muziek, literatuur en schilderkunst.
Deze versleten opvatting was ook populair in de geschiedschrijving.3 Zo werden bijvoorbeeld de Ottomaanse politieke en sociaal-culturele structuren gekarakteriseerd als statisch, irrationeel en despotisch; dit in tegenstelling tot het dynamische, rationele en democratische Westen.4 Vaak weerspiegelden deze werken de vooroordelen in de Europese bronnen, die opgetekend waren in de hitte van de strijd tegen het Ottomaanse rijk. Karakteriseringen als ‘Oosters despotisme’ of ‘de Zieke Man van Europa’ dateren dan weer uit de 18de en 19de eeuw, wanneer zulke beschrijvingen bepaalde politieke doelen dienden. Deze simplistische beeldvorming werd steeds herhaald en gerecycleerd alsof het de hele geschiedenis van het Ottomaanse rijk zou belichamen. Deze visie vertelt eerder een tijdloos sprookje uit een exotische wereld. Deze opvatting is bovenal het product van een ideologische constructie, waarmee het Westen aanspraken maakte op culturele dominantie over het gekoloniseerde Oosten.

DE OTTOMAANSE GESCHIEDENIS IN DE WERELDGESCHIEDENIS

De 16de eeuw was getekend door de strijd om politieke overmacht tussen de Ottomaanse sultan Süleyman de Wetgever en zijn tijdgenoot, de keizer van het Heilig Roomse Rijk, Karel V van Habsburg. De toenmalige Venetiaanse ambassadeur aan Süleymans hof rangschikte de sultan onder de ambitieuze Renaissancevorsten in Europa van zijn tijd zoals de Franse Valois koning Frans I, de ‘Virgin Queen’ Elizabeth I van de Engelse Tudors en Ivan de Verschrikkelijke, tsaar van Moskou. Maar de ambassadeur noemde sultan Süleyman II, ‘de Prachtliefhebber’ of simpelweg ‘de Grote Turk’.5
Over één stelling waren de Ottomanen en de Habsburgers het in die jaren roerend eens: er was slechts één God in de hemel en daarom kon er maar één wereldrijk op aarde zijn. De Ottomanen hadden zo de twee aartsrivalen in het Oosten, de Safawidische staat in Iran afgezwakt en het Mamelukse Egypte, veroverd. Iets verder lag het Mogulrijk in het Indische subcontinent.6
De belegering van Wenen in 1529, en later in 1683, waren de hoogtepunten in de ‘Slag om Europa’ tussen de Ottomanen en de Habsburgers.7 Bewijs is er niet, maar als Wenen zou zijn gevallen, zou waarschijnlijk Rome het volgende doelwit zijn geweest. Dat zou de val van de paus hebben betekend. Vanuit het oogpunt van het Vaticaan en de Habsburgers ging deze strijd met de Ottomanen toen puur om overleving. ‘De zetel van het Romeinse keizerrijk is Constantinopel. Hij die zich daar vestigt, is keizer van de hele wereld,’ was het advies aan sultan Mehmet II. Enkele jaren later in 1453 viel Constantinopel in zijn handen. Na deze acte zagen de Ottomanen zich als de erfgenamen van de Rum, het Romeinse rijk. Sultan Mehmet II maakte uitdrukkelijk aanspraak op de titel van caesar en zocht Rome als de ultieme bekroning op zijn carrière.8 In de daaropvolgende decennia ging de Ottomaanse opmars door en kwamen vrijwel de hele Balkan en een groot deel van Hongarije onder Ottomaans bewind. Maar in tegenstelling tot wat aanvankelijk werd gevreesd, werden de bewoners van de veroverde gebieden niet gedwongen om moslim te worden. De veroveraar liet zelfbestuur toe en beperkte zich tot het heffen van belastingen.
Merkwaardig genoeg had het Ottomaanse rijk, ondanks het negatieve imago, toch ook een zekere aantrekkingskracht op migranten. Veel Duitse boeren trokken in de 16de eeuw, op zoek naar een veilig en beter bestaan, naar de gebieden onder Ottomaans gezag. Daar hoefden ze geen armoede als lijfeigene te lijden, ze kregen grond toegewezen in eigen pacht. De belastingen die ze moesten betalen, waren duidelijk gedefinieerd en de feodale herendiensten waren afgeschaft. Onder het feodale leenstelsel was de boer als lijfeigene verplicht minimum twee dagen per week voor zijn heer te werken, terwijl hij nu aan de sipahi (Ottomaanse ruiter) drie dagen per jaar zijn diensten mocht leveren.9 De oogst werd ook niet door langstrekkende en plunderende legerscharen vernield. Bovendien hadden de boeren kans om economisch en maatschappelijk hogerop te komen, iets waar ze in het 16de eeuwse Europa alleen maar van konden dromen.

De geopolitieke positie op het kruispunt tussen het Aziatische, Europese en Afrikaanse continent gaf de Ottomaanse staat een belangrijke rol in de wereldgeschiedenis. Deze rol verdween echter niet na de militaire catastrofe in 1683 en het falende vermogen om de Ottomaanse territoriale integriteit te beschermen. Het uiteenvallen van het Ottomaanse rijk verstoorde uiteindelijk het machtsevenwicht in Europa. Engeland was in de 19de eeuw bezorgd om het strategische risico dat de Bosporus onder Russische invloedssfeer zou komen, wat de Britse belangen in de Middellandse Zee zou bedreigen. Tegelijk laaide de koloniale rivaliteit tussen Engeland en Frankrijk op, die een neerslag vond in de zogenaamde ‘Oosterse kwestie’. Deze stond tot de Eerste Wereldoorlog hoog op de politieke agenda van bijna elke Europese hoofdstad. De kwestie kwam eigenlijk neer op een scramble for the East. De vraag was hoe de verschillende nationalistische ambities in de Balkan en de kolonialistische lusten van de Europese grootmachten in het Midden-Oosten bevredigd konden worden zonder het Ottomaanse rijk te vernietigen; of hoe het rijk zodanig op te delen zonder het machtsevenwicht in Europa te verstoren. De mislukking om de ‘Oosterse kwestie’ op te lossen lag in 1914 uiteindelijk mee aan de basis van de ‘Grote Oorlog’.

HET MILLET-SYSTEEM

‘Er is geen verleden en ook geen hiernamaals; alles is in een proces van wording’, schreef de Turkse mysticus Bedreddin in de 16de eeuw. Mysticisme van dit soort is een vorm van praktisch in het leven staan. Een unieke eigenschap van het leven in het Ottomaanse rijk was dat het bijzonder gefragmenteerd was. De bevolking van het rijk was samengesteld uit moslims, christenen en joden. De spanningen en conflicten die door de multireligieuze en etnisch diverse bevolkingssamenstelling konden ontstaan, werden gekanaliseerd via het millet-systeem. Het was gebaseerd op het principe van tolerantie en stelde velen in staat om in een mozaïek van culturen samen te leven. De ‘milletler’ waren religieuze ‘naties’ zoals moslims, christenen in elke variatie en joden die hun eigen gemeenschap mochten vormen onder Ottomaanse gezag. Binnen dit millet-systeem genoten de niet-moslims de status van zimni, erkende en beschermde christelijke en joodse onderdanen van de sultan. Als belastingplichtigen kregen zij ook een zekere mate van autonomie in het regelen van eigen onderwijs, religiezaken, huisvesting en sociale zorg.10 De christelijke en joodse onderdanen van de sultan genoten ten slotte ook reële voordelen. Zo waren ze vrijgesteld van de verplichte legerdienst, ‘die voor de moslimse jeugd een mogelijk doodvonnis betekende’.11 Het millet-systeem zorgde gedurende eeuwen voor de verstandhouding tussen de verschillende gemeenschappen. Vanaf de 19de eeuw werd deze verstandhouding grondig verstoord door de opkomst van het nationalisme.

De bescherming van de vervolgde en onderdrukte joden in West-Europa door de Ottomaanse sultans kenmerkt in dat verband ook de Ottomaanse staat- en maatschappijvisie. Al sinds de oprichtingsjaren kregen de verbannen en vervolgde joden onderdak in het Ottomaanse rijk. In 1394 verleende sultan Yildirim Bayezid asiel aan de Franse joden, die vervolgd werden door koning Karel VI.12 Het meest bekende verhaal is dat van de Spaanse koning en koningin Ferdinand en Isabella. Zij vaardigden in 1492 een decreet uit voor de deportatie van alle joden uit Spanje, tenzij ze zich tot het katholicisme bekeerden. De verdreven joden waren samengekomen in de havenstad Cadiz en werden geconfronteerd met een dilemma. Diegenen die de haven verlieten, werden aangevallen door de piraten; zij die over land trokken, kwamen terecht op de brandstapels van de Inquisitie. Op bevel van sultan Bayezid II kwam een Ottomaanse vloot in Cadiz aan en nam de vluchtelingen onder zijn bescherming. Deze organiseerde een konvooi voor een veilige massale uittocht van de joden naar het Ottomaanse rijk. Daar werden ze hoofdzakelijk in Istanbul en Thessaloniki gehuisvest.13 Toen in 1517 Yavuz sultan Selim het Mammelukse Egypte had veroverd, stelde hij ook einde aan de ‘Law of no return’ tegen de joden, die uitgevaardigd was door de Romeinse senaat in 60 v.C. De afschaffing ervan in 1517 door de Ottomanen betekende dat de joden sindsdien opnieuw voor het eerst vrij mochten reizen naar het Heilig Land.14

HET OTTOMAANSE RIJK IN DE EUROPESE CULTUUR EN BEELDVORMING

De Ottomanen lagen fysiek heel dichtbij de Europese staten die in de moderne periode de wereld zouden domineren. Deze nabijheid had een ingrijpende invloed op het complexe proces van identiteitsvorming via aantrekken en afstoten. Mensen vormen uiteindelijk hun zelfbeeld door interactie met de ‘ander’. In hun confrontatie met de Byzantijnen en de staten in de Balkan en West-Europa benadrukten de Ottomanen hun identiteit soms ‘als strijders voor het geloof’. Dit vormde echter geen belemmering voor de Ottomaanse heersers om Byzantijnse, Bulgaarse, Servische, West-Europese en andere christelijke soldaten, kunstenaars en technici in dienst te nemen.

In de Europese cultuur vormden de Ottomanen op hun beurt een spiegelbeeld voor de zelfperceptie. Soms werden ze gezien als een model met kwaliteiten die de Europeanen ook wensten te bezitten. Machiavelli en latere Europese politieke denkers zoals Bodin en Voltaire bewonderden de corruptiebestendigheid van de militairen en bureaucraten, alsook de discipline en tolerantie van het Ottomaanse bestuur. In een periode waarin rechtstreekse kritiek op een vorst gevaarlijk kon zijn, verwezen ze naar het Ottomaanse rijk om de Europese monarchen en hun soldaten te inspireren voor beter gedrag.
De van oorsprong Vlaamse diplomaat Ogier Ghislain van Busbecq reisde in de tweede helft van de 16de eeuw vaak naar het Ottomaanse hof af. Als ambassadeur van de Habsburgse koning Ferdinand van Oostenrijk, de broer van Karel V, maakte hij meerdere reizen naar het Ottomaanse rijk en schreef onderweg brieven aan naaste vrienden. ’Zij dragen zorg voor de mensen’, rapporteerde Busbecq, ‘zoals wij voor onze paarden zorgen. Iedereen bezet de post die hem op grond van zijn kwaliteiten is toegewezen. Afkomst, rijkdom, populariteit of invloed speelt geen enkele rol in het benoemingsbeleid. Waar het de sultan om gaat, is verdienste, karakter, natuurlijke vaardigheid en aanleg van de kandidaat voor de betreffende post. Zij die oneerlijk zijn, lui en vadsig komen nooit in aanmerking voor een hoge regeringspost. Dat is de reden van hun succes en de dagelijkse uitbreiding van hun rijk. Dit zijn niet onze ideeën; onze methode is totaal verschillend. Bij ons is geen ruimte voor verdienste, alles hangt af van geboorte; het prestige van geboorte is de enige weg die kan leiden naar een hoge regeringspost’.15
Naarmate Europa verder haar zelfbeeld construeerde, deed ze dat ook door te definiëren wat ze niet was. Zo werd het Ottomaanse rijk afgeschilderd als de ‘belichaming van het Kwaad’. In West-Europa werd in de 16de eeuw een duivelse haat ontketend tegen alles wat met de Ottomanen te maken had.

‘DE TURK IS DE LEVENDE DUIVEL’

‘De Turk moet ten gronde worden gericht,’ schreef Erasmus in 1503 in zijn Enchiridion, waarin de Nederlandse humanist zijn opvattingen over het ware christendom uiteenzette.16 Voor Erasmus, toch altijd bewierookt als een boegbeeld van tolerantie, was de ‘Turk’ synoniem voor de zeven zonden, voor alles wat maar slecht kon zijn in het karakter van de mens: hebzucht, heerszucht, moordzucht, bandeloosheid, wellust, haat en vooral goddeloosheid. ‘Zij (de moslims) vormen een sekte die een mengsel is van judaïsme, christendom, heidendom en ariaanse ketterij,’ schreef Erasmus. Zonder enige consideratie zette hij de profeet Mohammed neer als ‘een verderfelijk en misdadig mens’.17 Deze ‘omgekeerde hagiografieën’ van Mohammed situeren zich binnen een oude discursieve traditie in Europa, die al in de Middeleeuwen was ontstaan.
Reeds in de 14de en de 15de eeuw werden de bewoners van het Ottomaanse rijk ook beschouwd als aanhangers van de ‘sekte van Mohammed’ en daarmee als tegenpool van de christenen. Het Vaticaan ging voorop in het verketteren van de Ottomanen. Paus na paus riep op tot een kruistocht om het Heilige Land en het vroegere Byzantium te zuiveren van de ‘ongelovige honden’. De verovering van Constantinopel18 in 1453 had een trauma veroorzaakt in heel Europa - men noemde het ‘de laatste dag van de wereld’. Paus Calixtus III liet toen in alle parochies de zogenoemde Turkenklokken luiden om de gelovigen op te roepen tot de kruistocht. Heilige jaren werden benut om met aflaathandel en giften geld in te zamelen voor kruistochten waarvan er geen enkele plaatsvond. Het was een gewoonte geworden in de kerk een missa contra Turcas op te dragen.19

Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie die als politieke propaganda fungeerde, waren de altijd weer aangekondigde en nooit gerealiseerde kruistochten. Zo nam in 1454 de Hertog van Bourgondië en Vlaanderen, Filips de Goede, na de verovering van Constantinopel het kruis aan tijdens het banket van de fazant, waar de aanwezigen de beroemde Vœux du faisan (Eed bij de fazant) zwoeren. Dat was een beroemde feestelijke eedaflegging tot kruistocht om Constantinopel te bevrijden van de Ottomanen. Het feest werd gehouden in Rijsel aan het hof van de Bourgondische hertog, Filips de Goede. Hij zou ruimschoots gebruik maken van de kruistochtidee om zich van extra inkomsten en als ‘redder der christenheid’ van politieke prestige te verzekeren, boven zijn gelijken en meerderen in rang.20
Volgens de cultuurhistoricus Johan Huizinga was er toen één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was aan het ridderideaal: de kruistocht. Als hoogste politieke idee stond deze gedachte toen blijkbaar alle vorsten van Europa voor ogen. ‘Er bestond voor de Christenheid van de 14de en 15de eeuw een oosterse kwestie van de uiterste urgentie: het afweren van de Turken, die reeds Adrianopel {Edirne} genomen en het Servische rijk vernietigd hadden. Op de Balkan lag het gevaar. (…) Doch Europa’s eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turkse kwestie slechts zien als een onderdeel van de grote heilige taak, waarin de voorvaders waren tekort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem’.21

Martin Luther, de Duitse Augustijner-monnik, theoloog en grondlegger van het calvinisme, zag de Ottomaanse overheersing in grote delen van de Balkan en Azië als ‘een straf van God na alle wandaden die pausen en kardinalen tegen het ware christendom hadden begaan (…) Zoals de paus de antichrist is, is de Turk de levende duivel,’ zei Luther in een van zijn traktaten.22 Geen gelegenheid liet hij ook onbenut om te waarschuwen voor het Türkengefahr.
In de propagandaslag tegen de Ottomanen werd ook de beeldende kunst gebruikt. In 1530 verscheen in Duitsland een kopergravure van Erhard Schöns - leerling van Albrecht Dürer en volgeling van Luther - waarop een Ottomaanse markt was afgebeeld waar naakte christelijke slavinnen en in tweeën gedeelde kinderen werden verkocht. Schöns is, voor zover bekend, nooit in het Ottomaanse rijk geweest.
Op een meer intieme manier werden de Ottomanen ook een deel van het dagelijkse leven in Europa, dat vandaag vergeten is of genegeerd wordt. Wat koffie en tulpen betreft zouden vele Europeanen zich nog moeilijk kunnen herinneren dat het Ottomaanse importproducten waren. In de 18de eeuw werden de Ottomanen zelfs een ware rage in Europa. In deze decadente ‘Turkomania’-rage verschenen overal pseudo-Ottomaanse sultans en sultanes. In Polen bijvoorbeeld begon de adel Ottomaanse kleren te dragen.23

NATIONALISME

Doorheen de hele 19de eeuw stonden overal in Europa allerlei nationale afscheidingsbewegingen op. Uiteindelijk zouden daaraan de drie grote Europese rijken van de Habsburgers, Ottomanen en Romanovs ten onder gaan. De christelijke ‘reconquista’ van Oost-Europa leverde de ideologische grondslag voor de oprichting van etnisch-nationale staten op de Ottomaanse Balkan.24 Dit ‘reconquista’-idee bood ook het paradigma en de legitimiteit voor de politiek van ‘etnische zuiveringen’ in de regio.25

Zo waren de Serviërs geobsedeerd door hun nederlaag in de Slag op het Merelveld (1389).26 De mythevorming rond deze slag speelde een rol bij de ontwikkeling van het Servische nationalisme. In 1804 brak zodoende een Servische nationalistische opstand uit onder leiding van Kara (Zwarte) George, een rijke Servische varkensexporteur met contacten in West-Europa.27 De nederlaag op het Merelveld werd in 1989, aan de vooravond van de burgeroorlog in Joegoslavië, opnieuw door Milosevic bovengehaald om het Servisch nationalisme aan te wakkeren.
Het Griekse nationalisme was dan weer geobsedeerd door het verlies van het Byzantijnse rijk. Het was geboren in 1814 met de oprichting door Griekse handelaren van de Philiki Hetairia, een geheim verbond gericht op het herstel van het Byzantijnse rijk. Genootschappen van filhellenen werden in Europa opgericht en stuurden geld, wapens en vrijwilligers. De bekendste filhelleen was de Engelse dichter Lord Byron die zich, na een zwerversleven door Europa, in 1824 als vrijwilliger meldde bij de Griekse nationalisten. In Byrons gedichten en in de romantische schilderijen van de Engelse kunstschilder William Turner kreeg Griekenland, zoals het door de West-Europese romantici in de 19de eeuw werd gezien, gestalte: Grieken als afstammelingen van de helden van Marathon en Thermopylae28, die ‘het Turkse juk omver wierpen’.29
Er bestond volgens een recente studie ‘in de 18de en 19de eeuw wel een Europees oorlogsrecht, maar het heeft er alle schijn van dat dit in Oost-Europa niet werd toegepast als het om moslimgebied ging. De gevolgen voor de moslimse burgerbevolking waren enorm: ze kon in slavernij raken of vermoord worden, ze was vogelvrij’.30 Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog in 1821 van start ging met het uitroeien van de moslimbevolking, onder meer op de Peloponnesos.

Het Ottomaanse rijk hield in zijn laatste dagen stand tegen het Europese imperialisme, toen Groot-Brittannië en Frankrijk de wereld domineerden en bezetten. In de wereld van de late 19de eeuw bleven er buiten het Europese en het Amerikaanse continent slechts een handvol onafhankelijke staten over. Het Ottomaanse rijk, China en Japan waren zo de belangrijkste staten die overleefden. Als onafhankelijke staten werden zij een bron van hoop voor de gekoloniseerde volkeren in hun strijd tegen het Europese imperialisme. Diverse bevolkingsgroepen als de Indiase moslims, de Turks sprekende volkeren in Centraal Azië en de Noord-Afrikanen keken op naar het Ottomaanse rijk in hun strijd tegen de Britse, Russische en Franse kolonisatie.

CONCLUSIE

Wanneer men het dossier Turkije en de Europese Unie in zijn geheel beschouwt, zijn de geopolitieke, economische en culturele troeven heel opmerkelijk. Maar de onderhandelingen worden verstoord door een sceptische attitude tegenover Turkije met een vooringenomen nadruk op de culturele verschillen. Nog steeds heerst de idee dat Turkije een bedreiging is, te groot, hulpbehoevend en islamitisch. Waarmee een traditie die reeds stamt uit de Middeleeuwen wordt voortgezet.

De vraag of Turkije al dan niet westers is, is niet zo eenduidig te beantwoorden. In beide gevallen kan het antwoord op die vraag, gekoppeld aan de kwestie van de toetreding, een self-fulfilling prophecy worden. Wantrouwen, afkeer en angst lijken de anti-Turkse houding te schragen. Ook de geschiedenis wordt ingeroepen. Een aantal EU-landen zijn tegenover Turkije ongewoon kritisch. Besef van de eeuwenlange relatie tussen het Ottomaanse rijk en Europa is onmisbaar voor een beter begrip, niet alleen van het moderne Turkije, maar ook van het moderne Europa: maar liefst zeven EU-lidstaten hebben een Ottomaans verleden. Doorheen zijn bestaan van bijna zes eeuwen vormde de Ottomaanse staat ook een onderdeel van het Europese (geo)politieke systeem. De rol van Turkije is aldus te situeren in de bredere culturele en historische context van verleden, heden en toekomst. De kern van de Turkse ervaring ligt in het vermogen om creatief vooruit te bewegen richting toekomst door te beseffen wat het in het verleden heeft bereikt. Het was al een ‘grootmacht’ in 1529 toen sultan Süleyman de Wetgever aan de poorten van Wenen klopte.

Het verlangen van een dynamisch land met een overwegend moslimbevolking om bij Europa te behoren, biedt gunstige perspectieven. Maar om het debat ernstig aan te gaan moet evenwel de hierboven beschreven beeldvorming bestreden worden, opdat zowel de EU als Turkije eindelijk deze win-winsituatie kunnen waarmaken, en niet langer zoveel kansen op meer democratie, welvaart en vrede blijven liggen. Wij mogen alvast hopen dat een ontsporing van het toetredingsdossier niet het zoveelste hoofdstuk wordt in een eeuwenlange geschiedenis van negatieve beeldvorming, gebaseerd op angst en onnodige superioriteitsgevoelens. De Europese Unie zal binnenkort moeten beslissen of zij een gesloten ‘christelijke club’ wil zijn dan wel een open, kosmopolitische unie, die kracht put uit haar culturele en religieuze verscheidenheid.

Hilmi Kacar
Wetenschappelijk medewerker Vakgroep Geschiedenis, Universiteit Gent

Noten
1/ Verslag namens het Federaal Adviescomité voor de Europese aangelegenheden. DOC 51 1583/001 (Kamer), 24 december 2004.
2/ New York Times, 29/11/2006.
3/ Asli Cirakman, ‘From Tyranny to Despotism: The Enlightenment’s Unenlightened Image of the Turks’, in: International Journal of Middle East Studies, 33/1, 2001, pp.49-68.
4/ Voorbeelden van recente werken met deze visie zijn: J. Vermeulen, Sultans, slaven en renegaten. De verborgen geschiedenis van het Ottomaanse rijk, Acco, Leuven, 2001; J. Goodwin, Lords of the Horizons. A history of the Ottoman Empire, Vintage, 1999.
5/ H. Inalcik and C. Kafadar (eds.), Süleymân the Second and his Time, 1993, pp. 2-3.
6/ Donald Quataert, The Ottoman Empire, 1700-1922, Cambridge University Press, 2000, pp. 4-5.
7/ Andrew Wheatcroft, The Enemy at the Gate: Habsburgs, Ottomans and the Battle for Europe, Basic Books, 2009.
8/ Caroline Finkel, Osman’s Dream. The Story of the Ottoman Emire 1300-1923, John Murray Pbl., 2005.
9/ In ruil voor de militaire diensten werden de Ottomaanse ruiters (sipahi) beloond met stukken grond in leen (timar, cf. heerlijkheid).
10/ H. Inalcik & D. Quataert, An economic and social history of the Ottoman Empire, 1300-1914, Cambridge, Cambridge Un. Press, 1994, pp. 18-23.
11/ R. Bakker, & L. Vervloet & A. Gailly, Geschiedenis van Turkije, Amsterdam-Leuven, 1997, p. 81.
12/ Harry Ojalvo, Ottoman Sultans and their Jewish Subjects, Quincentennial Foundations of Sephardic Studies and Culture, Istanbul, 1999.
13/ Ibid.
14/ Ibid.
15/ Busbecq, The Turkish letters of Ogier Ghiselin de Busbecq, vertaald door E. Forster, Oxford, 1968.
16/ Henk Boom, 1506: Een reis door de wereld van Erasmus, Machiavelli, Jeroen Bosc h, Da Vinci en Johanna de Waanzinnige, Balans, 2005.
17/ Henk Boom, ibid., 2005.
18/ De officiële naam van het stad werd pas in 1930 veranderd in Istanbul.
19/ Henk Boom, Ibid.
20/ Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Olympus, 2002, pp. 122 - 123.
21/ Johan Huizinga, Ibid., p. 127.
22/ Ibid.
23/ Donald Quataert, op.cit., 2000, p. 9.
24/ Raymond Detrez & Jan Blommaert, Nationalisme. Kritische Opstellen, Antwerpen 1994, pp. 8-29.
25/ De pioniersrol in de 15de eeuw van Spanje in de reconquista en in de creatie van de nieuwe wereldorde - gesymboliseerd in het quasi samenvallen van de val van Granada, de uitdrijving van de joden en Columbus’ vertrek naar ‘los Indios’ - bracht met zich mee dat ook Spanjes religieus-nationalistische ideologie later binnen Europa paradigmatisch bleef. Zie: R. Ballard, ‘Islam and the Construction of Europe’, in: W.A.R. Shadid & P. S. Van Koningsveld, Muslims in the Margin. Political Responses to the Presence of Islam in Western Europe. Kampen 1996, pp. 15-51.
26/ In tegenstelling tot de mythe bood sultan Beyazid de Serviërs een vergaande autonomie aan en trouwde met de dochter van de Servische tsaar. De weduwe van de Servische tsaar mocht als regentes van haar zoon Stefan Lazarević blijven regeren. Wel moesten de Serviërs troepen leveren voor het leger van Bayezid, onder meer in de veldslag bij Ankara tegen Timur Lenk (1402).
27/ Erik J. Zürcher, op. cit. 1995, p. 33.
28/ Verwijzing naar de slag bij Thermopylae: het is een veldslag in 480 v.C. tussen een alliantie van Griekse stadstaten en de Perzen. In 2007 werd de slag door Hollywood verfilmd onder de titel 300. De film is volgens critici omschreven als een toespeling op de zogenaamde ‘botsing der beschavingen’, tussen het Westen en de islamitische wereld.
29/ Meer hierover in: R. Bakker, & L. Vervloet & A. Gailly, Geschiedenis van Turkije, Amsterdam-Leuven, 1997, pp. 132-134.
30/ Katja De Herdt, Greeks about Turks in the Age of Enlightenment: from Illumination to Denigration, in: Acten van het 1e Europese Congres van Nieuw-Griekse Studies, Berlijn 2-4 oktober 1998.

Turkije - beeldvorming - uitbreiding EU

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 59 tot 69