Log in

Machteloos tegen de kamikazeregering

2 JAAR LINKSE OPPOSITIE

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 90 tot 95

In tegenstelling tot Vlaanderen kent Franstalig België geen symmetrische regeringen. Op federaal niveau zit MR als enige Franstalige partij in de regering-Michel, maar op alle andere niveaus zit ze in de oppositie: in de Waalse regering-Magnette (PS-cdH), in de Franse Gemeenschapsregering-Demotte III (PS-cdH) en in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering-Vervoort II (PS, FDF, cdH, Open Vld, sp.a, CD&V). Dat maakt de politieke puzzel in Franstalig België complex, wat op haar beurt de Linkse oppositie tegen de regering-Michel bemoeilijkt. Die oppositie voelt zich, bijna halfweg de legislatuur, erg machteloos tegen de zogenaamde kamikazeregering gedomineerd door drie Vlaamse partijen.

2 JAAR LINKSE OPPOSITIE

Geen vat op het kibbelkabinet
Marc Hooghe
Machteloos tegen de kamikazeregering
Pierre Verjans

KAMIKAZEREGERING

Nog tijdens de regeringsonderhandelingen dook de term ‘kamikazeregering’ voor het eerst op. Ze doelde op het isolement van MR in een regering met drie Vlaamse partijen, en suggereerde dat MR onmogelijk zou kunnen weerstaan aan de eisen van de Nederlandstalige partijen in het algemeen en die van N-VA in het bijzonder. MR legitimeerde haar keuze door de focus op het socio-economische in het regeerakkoord en door het feit dat het institutionele debat voor vijf jaar in de diepvries ging. De regeringspartners vonden elkaar in hun voornemen om te snoeien in het vangnet van de sociale bescherming. Iets wat onder de regering-Di Rupo ook al gebeurde, maar waar de regering-Michel een paar versnellingen hoger schakelde.

Nu we met enige afstand terugkijken naar de opstart van de regering-Michel, is het zonneklaar dat de formatie van de regionale en gemeenschapsregeringen en die van de federale regering sterk aan elkaar waren gelinkt. De weigering om MR mee te laten onderhandelen op het Waals en Brussels niveau veroorzaakte een enorme boosheid binnen de liberale kaders. Alle andere Franstalige partijen moesten op het federale niveau koste wat kost buitenspel worden gezet. Achteraf bekeken was dit een voorspelbare reactie. Deze ‘kamikazemanoeuvre’ van MR moesten Paul Magnette en Elio Di Rupo, algemeen aanzien als intelligente politici, toch kunnen hebben voorzien? Werkten ze daardoor de nu zo fel gecontesteerde sociale afbraak niet mee in de hand?

SOCIAAL PROTEST

Nog voor de regering-Michel goed en wel in het zadel zat, kozen de Franstalige oppositiepartijen en vakbonden voor een wilde oppositie. Het doel van het protest was voor sommigen het omverwerpen van de regering. Die mocht het einde van de legislatuur niet halen. De geschiedenis stond aan hun kant. De val van de regering was in het verleden al een paar keer gelukt. De regering-Eyskens IV (een christendemocratisch-liberale coalitie) viel in 1961 na de grote stakingswinter van 1960 tegen de zogenaamde ‘Eenheidswet’. En de regering-Tindemans I (een minderheidsregering van christendemocraten en liberalen, later aangevuld met het Waalsgezinde Rassemblement Wallon) viel in 1977 na de zogenaamde ‘Vrijdagstakingen’ van het gemeenschappelijk vakbondsfront tegen de besparingen van het economische Egmontpact.

Deze voorbeelden spraken tot de verbeelding. Het leidde tot een enorme mobilisatie in de hete herfst van 2014 in het hele middenveld. Vooral de gemeenschappelijke socialistische actie - partij, vakbond en mutualiteiten - had als uitgesproken doel regering te doen vallen.

Het sociaal verzet was in zijn beginfase erg heftig. De reden daarvoor was ongeloof. Ongeloof over maatregelen - zoals de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar - die zelfs niet in de verkiezingsprogramma’s stonden en waar rechtse partijen voordien enkel van konden dromen. Ongeloof ook over een aantal erg emblematische maatregelen - zoals de indexsprong. Laurette Onkelinx (PS) ging in de Kamer vol in de aanval tegen deze kamikazeregering; een term die na verloop van tijd niet alleen refereerde naar het institutionele maar ook naar het sociale luik.

De eerste golf betogingen en stakingen tegen het besparingsbeleid was een groot succes. Op de nationale betoging van 6 november 2014 kwamen 120.000 mensen op straat. Er waren ook de reeks provinciale actiedagen en de nationale staking op 15 december 2014. De hete herfst van 2014 was een belangrijk moment van mobilisatie in de Belgische geschiedenis. Veel baten deed het protest echter niet. In januari 2015 werd het Interprofessioneel Akkoord 2015-2016 getekend. De indexsprong bleef behouden. De socialistische vakbond, FGTB, weigerde het ontwerpakkoord te steunen; de andere organisaties bekrachtigden het Akkoord wel. De christelijk vakbond, CSC, stemde voor met 147 ja-stemmen tegen 135 neen-stemmen.

In 2015 en 2016 ging de syndicale strijd verder en ook de linkse oppositiepartijen verzaakten niet, maar het geloof in de oorspronkelijke doelstelling om de regering-Michel de doodsteek te geven slonk zienderogen. Doordat dit doel met de dag minder haalbaar bleek, slabakte ook de mobilisatie. De linkse oppositiepartijen deden in het parlement wel nog hun werk, tegen de arbeidsmarkthervormingen van Minister van Werk Kris Peeters of tegen de pensioenhervormingen van Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine, maar door de sociale verkiezingen van het voorjaar 2016 brokkelde het gemeenschappelijk vakbondsfront af. Enkel bepaalde getroffen sectoren - zoals de metaalsector, de openbare diensten, en dan vooral de gevangenis- en de transportsector - wisten nog te mobiliseren. Maar het waren specifieke acties; ze hadden niet meer tot doel de regering-Michel te doen vallen.

Het aanhoudend sociaal protest kwam de regeringspartijen niet slecht uit. Doordat er nog steeds haarden van verzet waren, konden ze aan hun electoraat tonen dat ze vasthielden aan het ingeslagen pad en dat ze niet toegaven aan het ‘politiek gestuurde’ sociaal protest. Ze profileerden zich als diegenen die het puin van hun voorgangers moesten opruimen en die de problemen oplosten die ‘de onruststokers’ weigerden aan te pakken.

LINKSE OPPOSITIE TEGEN DE REGERING-MICHEL

Hieronder bekijken we hoe de respectievelijke linkse oppositiepartijen het de voorbije twee jaar hebben gedaan. Hoe past de PS zich aan, federaal in de oppositie maar overal elders aan de macht? Hoe profileert Ecolo zich, dat overal op de oppositiebanken zit? En wat gebeurt er binnen de PTB, nu het opnieuw in het parlement zit?

PS

In de directe nasleep van het regeerakkoord was er dus de verrijzenis van de gemeenschappelijke socialistische actie, zoals hierboven beschreven, met als doel de val van de regering. Dit werd in de media door de meerderheidspartijen maar al te graag benadrukt - men sprak over de FGTB als de gewapende arm van de PS.

Dat beeld nuanceren we best. De PS heeft nooit het monopolie gehad op de FGTB. Van bij haar oprichting is de FGTB het terrein van strijd tussen socialisten en communisten. De syndicale geschiedenis is er een van constante spanning tussen diegenen die kiezen voor de nauwe banden met een reformistische socialistische partij met belangrijke kansen op machtsdeelname en dus op het realiseren van een deel van het programma, en zij die de PS beschouwen als een partij die weliswaar wordt aangedreven door een actieve basis maar ten gronde het politieke spel speelt zoals elke andere partij. De reformisten kiezen voor aanpassingen in de marge van het systeem; die zorgen voor een substantiële maar trage transformatie. De revolutionairen gaan voor de omverwerping van het systeem, dat ze als intrinsiek oneerlijk beschouwen, door een avant-garde van het proletariaat.

Deze spanning speelde de laatste twee jaren opnieuw op; zeker nu de PTB de PS pijn doet in de peilingen. Er is vandaag een hevige slag om de linkse kiezer gaande. In die strijd kaderen we best ook het PS-voorstel van de vierdaagse werkweek voor een aantal Waalse ambtenaren, een uitloper van haar vernieuwingsoperatie ‘Chantier des idées’ die in 2015 werd gelanceerd.

Deze spanning is vandaag dus erg voelbaar, maar eigenlijk was ze de voorbije decennia nooit echt weg. Ook niet toen de communistische partij in de jaren 1980 uit het parlement verdween. Rond de eeuwwisseling was het politieke landschap in Franstalig België in volle beweging. Ecolo haalde in 1999, onder federaal secretaris Jacky Morael, 18% van de stemmen en stapte in de regering-Verhofstadt. In het ‘historische jaar’ 2002 vervelde PSC in cdH en de PRL in MR. En in datzelfde jaar sloten PS en Ecolo een ‘Convergence de gauche’. Al deze ontwikkelingen maakten dat de FGTB-militanten bij verschillende partijen terechtkonden en dat het Charter van Amiens uit 1906, dat opriep om onafhankelijk van alle politieke partijen te opereren, definitief in de vuilbak mocht.

Het beeld van de FGTB als gewapende arm van de PS moeten we met andere woorden nuanceren. Vergeet ook niet dat op de vooravond van de verkiezingen van 2014 de FGTB-leiders er fijntjes aan herinnerden dat hun militanten ook op Ecolo en PTB konden stemmen, aangezien PS ‘een partij zoals een andere was geworden’. De last van de macht had haar geloofwaardigheid fel aangetast. Doordat PS van 1987 tot 2014 onafgebroken mee aan het stuur zat, was ze weinig geloofwaardig in het verzet tegen de politiek van privatisering en deregularisering. Ze had daar immers al die jaren zelf aan bijgedragen. Dit gebrek aan geloofwaardigheid speelt de PS tot vandaag parten. Dat het verzet van de gemeenschappelijke socialistische actie vandaag in intensiteit is afgenomen, heeft deels ook te maken met het feit dat vakbondsmilitanten er niet volledig van overtuigd zijn dat de val van de regering-Michel ook het einde van de neoliberale aanvallen tegen het systeem van de sociale zekerheid zou betekenen. Sommige maatregelen van de regering-Di Rupo, zoals de degressiviteit van de werkloosheidsuitkering en de beperking van het recht op een inschakelingsuitkering, zijn nog niet vergeten. Elio Di Rupo slaagt er maar moeilijk in om het vertrouwen van de syndicalisten te herwinnen en hun doelstellingen te incarneren. Dit is trouwens een probleem dat ook binnen de PS zelf speelt.

Ecolo

Ecolo kende bij de verkiezingen van 2014 een serieuze terugval; het verloor opnieuw een pak zetels na de grote sprong voorwaarts in 2009. De partij probeert nu recht te krabbelen. Ecolo is scherp in haar kritiek op de maatregelen van de regering-Michel, maar dat was ze eveneens tegen de vorige federale regeringen (met de PS). Ook tegen de regionale en gemeenschapsregeringen voert ze vandaag met dezelfde ijver oppositie.

Ecolo heeft een linkse en een rechtse vleugel - hoewel die laatste weinig gestructureerd is - en dat merken we in haar manier van oppositie voeren. Ecolo spreekt de regering-Michel aan over de sociale gevolgen van haar besparingsbeleid, maar evengoed over het gebrek aan economische efficiëntie of over de tegenstelling tussen de doelstellingen en de middelen in het veiligheidsdebat. De prioriteit voor de meerderheid van de Ecolo-leden is nog steeds de milieukwestie. De sociale kwestie wordt geïntegreerd in de aanklacht tegen de perverse effecten van het productivisme. De kritiek op de consumptiemaatschappij is nooit ver weg. De manier waarop Ecolo oppositie voert, verschilt dus van de manier waarop de PS dat doet. Ook opvallend: de Ecolo-leden die deelnamen aan de vakbondsacties kaderden hun handelen binnen hun vakbondsengagement en verbinden die niet met hun partijpolitieke voorkeur.

PTB

De PTB haalde bij de verkiezingen van 2014 voor de Kamer 5,5% van de stemmen. Sindsdien doet ze het erg goed in de peilingen. De partij dankt haar electorale opmars aan haar erg actieve vakbondsmilitanten en aan haar ‘doktershuizen’ in arbeiderswijken waar artsen geneeskunde bedrijven voor de sociaal zwakkeren.

Toch staat de partij niet overal even sterk. In de industriële arrondissementen (Charleroi, Mons, Soignies, Liège, Huy-Waremme), waar de communistische partij tussen 1965 en 1985 haar beste scores haalde, haalde de PTB bij de regionale verkiezingen van 2014 zo’n 6,7% van de stemmen, terwijl haar regionale gemiddelde 4,7% bedroeg. In de meer landelijke arrondissementen (Verviers, Dinant-Philippeville, Arlon-Marche-Bastogne, Neufchateau-Virton) daalt het gemiddelde naar 2,6%. De PTB haalt dus een deel van de communistische erfenis binnen, maar weet eveneens vroegere kiezers van PS en Ecolo en jongeren die zich identificeren met een antisysteempartij aan zich te binden. De PTB-militanten zijn voor het overgrote deel actief als vakbondsmilitant. De continuïteit van hun acties levert hen zichtbaarheid op in betogingen en stakingen.

Het huidig succes zou paradoxaal genoeg ook een probleem kunnen betekenen voor de PTB.

De partij moet nu in een sneltempo bekwame kaders vormen die het woord nemen, bijeenkomsten bezielen, nieuwe leden aantrekken, vasthouden en vormen naar de logica van de partij. De partij is de laatste jaren geëvolueerd van een stalinistische en maoïstische partij naar een goed ingeplante partij op lokaal vlak. De kans bestaat dat de electorale groei botst met de logica van de quasi clandestiene partij die poogt het systeem van binnenuit te ondermijnen. De oude principes van het beschermen van de ideologie achter een façade van democratisch centralisme staan vandaag op het punt te sneuvelen. Met de electorale groei komen immers ook media-aandacht, extra partijfinanciering, nieuwe parlementaire medewerkers, enzovoort. Het is afwachten of de nieuwe openheid zal botsen met de geslotenheid van de oude garde.

De kaarten liggen goed voor de PTB; ze moet hopen dat het sociaal protest niet gaat liggen. Het is voor de partij op dit moment veruit de beste manier om een deel van het electoraat binnen te halen dat haar stem wil geven aan een partij die linkser is dan Ecolo en beleidsmatig minder van haar principes inlevert dan PS.

PROFITEREN ALLE OPPOSITIEPARTIJEN?

De stakingsbereidheid bleek de voorbije twee jaar een stuk groter in Wallonië dan in Vlaanderen. Je zou dus durven denken dat MR een vrije val maakt en dat alle oppositiepartijen stijgen in de peilingen. De realiteit is echter genuanceerder dan dat. Uit de peiling van La Libre-RTBF van april (Figuur 1) zien we dat de partijen die overal in de oppositie zitten het beter doen dan de partijen die federaal in de oppositie zitten maar regionaal of op gemeenschapsvlak aan de macht zijn. Ecolo en PTB gaan erop vooruit, daar waar PS en cdH achteruit gaan. MR verliest. De rangorde van de partijen verandert echter niet: PS blijft de grootste partij in Wallonië, MR blijft tweede, cdH derde, Ecolo vierde en PTB vijfde. Er is dus geen sprake van een politieke omwenteling.

Oppositie voeren op het ene niveau en aan de macht zijn op het andere, lijkt geen recept voor electorale groei. Kiezers maken maar moeilijk het onderscheid tussen het federale en het regionale of gemeenschapsniveau. De politieke puzzel in Franstalig België is complex, de verschillende ministerposten zijn verwarrend en welke partij nu precies verantwoordelijk is voor een gezamenlijke beslissing blijft onduidelijk. De ‘zuivere’ oppositie slaat dus beter aan, en dat hoeft niet te verbazen. Ook in andere landen doen partijen die nieuwe oplossingen voorstaan of partijen die een radicaal alternatief presenteren het goed.

MACHTELOOSHEID

De regering-Michel is nu bijna twee jaar aan de macht. Vooral de aard van het sociaal overleg is sindsdien fel gewijzigd. De vakbonden hebben geen toegang meer tot de regering. Ze zijn genoodzaakt de confrontatie aan te gaan. Die confrontatie is er altijd geweest, ook toen socialisten in de regering zaten, maar vond voordien plaats binnen de logica van de zuilen. De schokken werden opgevangen. Er was een natuurlijke band tussen vakbond en partij. Het was een spel tussen ‘partners/rivalen’. Die band is nu weg. Vakbonden moeten nu onderhandelen met louter ‘rivalen’. In het sociaal overleg treedt de regering op als scheidsrechter maar ze helt erg over naar één richting, naar die van het patronaat. Alle overleg wordt gezien als een val gespannen door de regering en de werkgevers. Het wantrouwen is totaal. Het sociaal overleg de facto dood.

In februari 2015 was Charles Michel erg blij met met Interprofessionneel Akkoord 2015-2016. Dat de FGTB het Akkoord niet mee ondertekende, leek hem niet te deren. Met het Interprofessioneel Akkoord 2017-2018 mogen we een nieuwe botsing verwachten. De Franstalige oppositiepartijen voelen zich erg machteloos tegen deze kamikazeregering gedomineerd door drie Vlaamse partijen. Ze zijn cijfermatig niet nodig, daar waar de voorbije kwarteeuw altijd één van hen onontbeerlijk was om tot een meerderheid te komen, en dat is wennen.

Pierre Verjans
Politicoloog Université de Liège (ULG)
(Vertaling: Wim Vermeersch)

oppositie - Michel I - PS - PTB

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 90 tot 95