Log in

Verantwoordelijkheid: niet alleen voor wie zwak staat

boekessay

In zijn pas verschenen boek The Age of Responsibility. Luck, Choice and the Welfare State (2017) stelt Harvard-politicoloog Yascha Mounk de rol die ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’ gekregen heeft in debatten over sociaal beleid en samenleven in vraag. Hij pleit voor een fundamentele koerswijziging. Als we niet wensen dat een simplistische en hardvochtige opvatting over persoonlijke verantwoordelijkheid in toenemende mate veld wint, dan moeten we bij discussies over herverdeling zo weinig mogelijk beroep doen op oordelen over persoonlijke verantwoordelijkheid. Met dit boek beukt hij frontaal in op een thema dat me de voorbije 30 jaar sterk heeft bezig gehouden.

Volgens Mounk maakten ook linkse denkers een fout door 'gelijkheid' sterk te verbinden met 'verantwoordelijkheid'. Een uitgesproken voorbeeld van deze linkse 'verantwoordelijkheidsgevoelige gelijkheidsfilosofie' vind je bij de politieke filosoof G.A. Cohen (1941-2009), die evolueerde van analytisch marxisme naar radicaal egalitarisme, en me sterk beïnvloed heeft. Linkse denkers zoals Cohen hebben een impasse gecreëerd volgens Mounk: om herverdeling en solidariteit te blijven bepleiten in dit verantwoordelijkheidsgevoelige denkkader, moeten ze een betoog ontwikkelen dat de feitelijke verantwoordelijkheid van mensen minimaliseert. Maar het minimaliseren van de eigen verantwoordelijkheid van mensen is ongeloofwaardig en staat haaks op wat mensen zelf denken, aldus Mounk. Dus kan je beter stoppen met de focus op verantwoordelijkheid. De eigen verantwoordelijkheden die je toeschrijft aan mensen moet je afleiden van je visie op wat een rechtvaardige samenleving is. De waarden die daarin een rol spelen (zoals: geen armoede en onderdrukking, gelijkheid in status) zijn het vertrekpunt; eigen verantwoordelijkheid komt pas aan de orde in de mate dat het gedrag van mensen aan een aantal verwachtingen moet voldoen om dergelijke rechtvaardige samenleving in stand te houden.

Hiermee viseert Mounk niet alleen Cohen, maar een groep van politieke filosofen, waaronder ook Ronald Dworkin en John Roemer, en beukt hij frontaal in op een thema dat me de voorbije 30 jaar sterk heeft bezig gehouden. Ik schets daarom eerst het argument dat gelijkheid koppelt aan verantwoordelijkheid, en ik voeg er meteen enkele nuanceringen aan toe die m.i. aanvaard kunnen worden door mensen die een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid verdedigen. Daarna keer ik terug naar Mounk.

HET MAATSCHAPPELIJKE CONTRACT

Het uitgangspunt (dat Mounk in vraag stelt als uitgangspunt) komt hier op neer: wat onrechtvaardig is aan ongelijkheden tussen mensen, is dat mensen benadeeld worden ten opzichte van andere mensen door eigenschappen of omstandigheden waarvoor ze zelf niet verantwoordelijk zijn. Wie hiervan vertrekt, kan - zo dacht ik, en denk ik nog steeds - niet anders dan veel onrecht vaststellen: grote verschillen in levensstandaard en in kansen, die met de 'eigen verantwoordelijkheid' van mensen niets te maken hebben. Nu kun je deze kritische kijk op de samenleving niet ontwikkelen, zonder zelf duidelijk te maken voor welke omstandigheden je mensen al dan niet verantwoordelijk acht.

Een pleidooi voor gelijkheid veronderstelt dus een heldere scheidingslijn tussen de verantwoordelijkheid van het individu en de verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Ik geef een triviaal voorbeeld. Een vader verdeelt zijn erfenis over zijn twee zonen, die wel dezelfde opvoeding hebben genoten maar erg verschillend zijn. De oudste is sober en zuinig en tevreden met de kleine dingen des levens. Hij kan daar heel wat meer 'geluk' uit puren dan de jongste, die elke dag champagne en kaviaar nodig heeft om gelukkig te zijn. Als de vader zijn erfenis netjes in twee verdeelt, zal de oudste daarmee dus veel gelukkiger zijn dan de jongste. Het resultaat is een vorm van ongelijkheid - in geluk. Maar toch twijfelt niemand eraan dat het gelijkheidsbeginsel in dit geval gerespecteerd is. Veronderstel nu dat de zonen wél dezelfde consumptiegewoonten hebben, maar de oudste is perfect gezond en de jongste is sinds zijn geboorte verlamd en heeft allerlei hulpmateriaal nodig. Als de vader de erfenis gelijk verdeelt, dan vinden we nu wellicht dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is. Waarom? Omdat we afwijkingen qua smaak meestal zien als individuele verantwoordelijkheid. Maar fysieke afwijkingen ziet haast niemand als eigen verantwoordelijkheid.

Dit voorbeeld illustreert dat gelijkheid, verantwoordelijkheid en solidariteit met elkaar verbonden zijn. Streven naar gelijkheid is per definitie verantwoordelijkheidsgevoelig, anders komen we bij absurde recepten uit ('gelijkheid vereist dat de vader meer geld geeft aan de zoon die behept is met een dure smaak'). Omgekeerd, als je individuele verantwoordelijkheid belangrijk vindt, dan moet je consequent solidair zijn met wie getroffen wordt door omstandigheden buiten zijn wil. De solidariteit waar het om gaat steunt op een ethiek van wederkerigheid. Wederkerigheid houdt een rijke opvatting in over verantwoordelijkheid: je voelt je verantwoordelijk om mensen te helpen die het minder goed hebben door omstandigheden buiten hun verantwoordelijkheid. Wederkerigheid is een actieve houding die iets vergt van iederéén.

Het verhaal van de vader en zijn zonen is natuurlijk simplistisch. In het geval van de 'dure smaak' slaat de weegschaal waarop persoonlijke verantwoordelijkheid en collectieve verantwoordelijkheid gelegd worden, helemaal door naar persoonlijke verantwoordelijkheid; bij de aangeboren handicap slaat de weegschaal helemaal door naar collectieve verantwoordelijkheid. Kansen missen en daardoor achterop geraken is in de werkelijke wereld heel vaak een moeilijk te ontwarren combinatie van eigen verantwoordelijkheid en omstandigheden. De weegschaal slaat zelden helemaal door; hoe je ze afstelt en beoordeelt is in mijn ogen een maatschappelijke conventie, een sociaal contract: het gaat niet om een metafysisch oordeel over 'eigen verantwoordelijkheid' waarmee je in het moeras van debatten over vrije wil terechtkomt.

Sociaal beleid toetsen aan 'verantwoordelijkheidsgevoelige gelijkheid' is complex, niet alleen omdat de weegschaal zelden helemaal doorslaat. Er is een bijkomende moeilijkheid: wat keuzes zijn voor ouders - keuzes waarvoor je ze misschien verantwoordelijk wilt houden - zijn voor hun kinderen omstandigheden; omstandigheden waarvoor je de kinderen níét verantwoordelijk wilt houden. Opgroeien in armoede is een recept voor mislukking op school en in het leven, waartegen je kinderen wilt beschermen, zélfs al zou je denken dat de ouders in sommige gevallen deels verantwoordelijk zijn voor het geringe inkomen van hun gezin. In een samenleving die kinderen gelijke kansen wil geven, zal je de weegschaal daarom vaak herbekijken, omwille van de kinderen.

Er zijn nog andere redenen waarom 'eigen verantwoordelijkheid' niet het enige ordeningsprincipe kan zijn voor een rechtvaardige samenleving. Een algemene verzekering tegen werkloosheid heeft een nuttig stabiliserend effect op het economisch leven, en is dus in ieders belang. Wie geobsedeerd is door moral hazard (misbruik van deze verzekering door mensen die hun eigen verantwoordelijkheid zo afschuiven op de collectiviteit), zal geen werkloosheidsverzekering organiseren, en mist zo een belangrijk maatschappelijk doel. Opdat een werkloosheidsverzekering zijn rol goed zou spelen, met een minimum aan moral hazard, is activering nodig; en activering beantwoordt ook aan een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid. Maar het motief voor een werkloosheidsverzekering is niet alleen een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid!

Aandacht voor verantwoordelijkheid impliceert tenslotte niet dat je meedogenloos bent voor menselijk falen. Mensen moeten meer dan één kans krijgen. Sterker, we kunnen niet alle problemen waarmee we geconfronteerd worden in het sociale beleid vatten vanuit het beginsel 'gelijkheid met verantwoordelijkheid'. Sommige gevolgen van individuele keuzes - keuzes waar mensen wel degelijk verantwoordelijk voor zijn - zijn zo dramatisch, de kwetsbaarheid die eruit voortvloeit is zo fundamenteel, dat we deze gevolgen toch willen rechtzetten. De dienst spoedgevallen die twee zwaargewonden binnenkrijgt, zal zich bijvoorbeeld niet de vraag stellen wie het verkeersreglement gerespecteerd heeft en wie niet. Die vraag komt hoogstens achteraf, bij het financiële plaatje van het ongeval. Hetzelfde geldt voor heel wat andere beslissingen op het sociale domein, waar men de vraag 'hoe ben je in deze situatie geraakt' niet stelt. De weegschaal waarop persoonlijke en collectieve verantwoordelijkheid wordt afgewogen, wordt dan gewoon niet gebruikt. Dit aanvoelen heet mededogen. 'De kwetsbaren beschermen', soms ongeacht de reden van hun kwetsbaarheid, is een taak die de gemeenschap op zich moet nemen, als een positieve verantwoordelijkheid.

Kortom, een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid is niet het enige ordeningsprincipe voor een rechtvaardige samenleving. In het maatschappelijke contract dat aan de grondslag ligt van een rechtvaardige samenleving zal je rekening houden met de nadelige 'externe effecten' van het al te strikt willen afrekenen op eigen verantwoordelijkheid (denk aan de kinderen, maar ook aan de stabiliserende impact van werkloosheidsverzekeringen). En er zijn overwegingen van kwetsbaarheid en gelijkheid in status (de mogelijkheid voor iedereen om een actieve burger te zijn en te blijven) die maken dat de weegschaal van de verantwoordelijkheid soms niet gebruikt wordt. Nog anders gezegd: bij een opvatting over sociale rechtvaardigheid zijn verschillende waarden aan de orde, en deze waarden staan soms op gespannen voet met elkaar. Dat is eigen aan elke filosofische reflectie en a fortiori eigen aan elke democratische deliberatie.

DE (PRE-)INSTITUTIONELE VISIE

Mounk brengt de verschillende nuanceringen die ik hoger schetste sterk in beeld.1 Hij klaagt zeer terecht aan dat het concept 'verantwoordelijkheid' sinds de jaren 1980 in toenemende mate gereduceerd is tot zelfredzaamheid, 'verantwoordelijkheid voor jezelf', terwijl de samenleving nood heeft aan een rijkere invulling van verantwoordelijkheid: het gaat ook om onze bekwaamheid om verantwoordelijk te zijn voor anderen. Hij onderlijnt ook correct dat we niet zonder een gevoel van verantwoordelijkheid kunnen, en dat een welmenend 'links' betoog dat de eigen verantwoordelijkheid van mensen minimaliseert, haaks staat op wat mensen drijft en politiek daarom ook geen draagvlak krijgt.

Mounk overtuigt echter niet op twee punten, die in zijn betoog fundamenteel zijn: 1/ een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid zou er toe leiden dat we mensen die genieten van sociale bescherming een inferieure status toekennen; en 2/ een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid zou beroep moeten doen op (vermeende) diepe waarheden over verantwoordelijkheid, controle, causaliteit en vrije wil, los van concrete maatschappelijke instellingen.

Eerste punt. Vermits een verantwoordelijkheidsgevoelige opvatting over gelijkheid mensen slechts beschermt voor de gevolgen van hun gedrag wanneer ze niet verantwoordelijk zijn voor dat gedrag, kennen we volgens Mounk aan deze mensen een inferieure status toe: diegenen die we beschermen zijn mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen omdat ze 'niet in staat zijn tot verantwoordelijkheid'. Deze kritiek leunt sterk op een bekend artikel van de Amerikaanse filosofe Elizabeth Anderson uit 1999: zij schreef dat de verantwoordelijkheidsgevoelige gelijkheidsfilosofie uiting geeft aan 'misprijzend medelijden' eerder dan aan een ethiek van gelijkheid.2

Dit is een vreemd argument: stel dat we het er over eens zijn dat mensen een werkloosheidsuitkering krijgen omdat er voor hen hier en nu geen job is die we als passend beoordelen (bijvoorbeeld omwille van een economische crisis): impliceren we dan dat deze mensen 'niet in staat zijn om verantwoordelijkheid te nemen'? Helemaal niet, zou ik zo denken. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat een rechts beleid de werkloosheidsverzekering reduceert tot steun aan mensen die manifest geen enkele kans meer maken om een plek te vinden op de arbeidsmarkt, wat ook de economische conjunctuur is, en dat mensen deze droevige eigenschap moeten 'bewijzen' vooraleer ze recht hebben op een uitkering: dat is inderdaad zeer stigmatiserend. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat sociale werkers op een misprijzende manier omgaan met hun cliënten. Maar uitleggen dat omstandigheden nadelig zijn voor bepaalde mensen, en dat ze daarvoor compensatie moeten krijgen, is geen uiting van 'misprijzend medelijden'.

Tweede punt. Mounk is op zijn scherpst wanneer hij stelt dat het verantwoordelijkheidsgevoelige gelijkheidsdenken op een doodlopend spoor zit omdat het beroep moet doen op 'feitelijke' waarheden over menselijke verantwoordelijkheid, gebaseerd op noties van 'controle' en 'causaliteit', terwijl verantwoordelijkheid in het concrete leven wordt toebedeeld op basis van wat we verwachten van mensen. Wat we verwachten hangt af van het maatschappelijke contract waarop instituties gebaseerd zijn, niet van vermeende diepe waarheden over controle en causaliteit. (Hij geeft het voorbeeld van een kind dat verongelukt op weg van school naar thuis, omdat niemand het stond op te wachten aan de schoolpoort: we zoeken niet uit wie verantwoordelijkheid is voor dit tragische gebeuren aan de hand van 'feiten' in de sfeer van controle en causaliteit, maar wel op basis van de legitieme verwachtingen inzake de opvang aan de schoolpoort en de begeleiding op weg naar huis.) We moeten dus op een 'institutionele' manier denken over verantwoordelijkheid. We moeten vertrekken van de instituties die we wenselijk vinden en de verwachtingen die daar legitiem aan gekoppeld worden, eerder dan te zoeken naar een of andere 'pre-institutionele' opvatting over verantwoordelijkheid.

Mounk ziet dit juist, maar als kritiek op de school van 'verantwoordelijkheidsgevoelige gelijkheidsdenkers' snijdt dit weinig hout. Cohen is de enige auteur in deze groep die stelt dat het onderscheid tussen 'omstandigheden' en 'vrije keuze' inderdaad een metafysische kwestie is, die we (volgens Cohen) niet uit de weg kunnen gaan, zelfs al komen we in aartsmoeilijke debatten over vrije wil en determinisme terecht. Dworkin en Roemer denken daar heel anders over: bij hen gaat het in feite om een maatschappelijk contract. Hun visie is in zekere zin even 'institutioneel' als diegene die Mounk bepleit. Wel is het zo dat Mounk beklemtoont dat het domein waarin 'eigen verantwoordelijkheid' een rol kan spelen beperkt is, terwijl de nexus 'gelijkheid-verantwoordelijkheid' hét thema is waarrond het werk van Dworkin en Roemer draait.

Ik denk dat Mounk eenzijdig doorschiet, wanneer hij schrijft (letterlijk) dat we bij discussies over herverdeling zo weinig mogelijk beroep moeten doen op 'eigen verantwoordelijkheid': met name wanneer het gaat om de herverdeling van inkomens en vermogens duikt 'eigen verantwoordelijkheid' hoe dan ook op als één van de ijkpunten.3 Nog anders gezegd: het is niet omdat je niet altijd moet focussen op het onderscheid tussen 'eigen verantwoordelijkheid' en 'omstandigheden', dat je nooit moet focussen op het onderscheid tussen 'eigen verantwoordelijkheid' en 'omstandigheden'.4

IDEALE THEORIE IN EEN NIET-IDEALE WERELD

We moeten opletten met de manier waarop concepten uit 'ideale theorie' toepassing vinden in de niet-ideale wereld. Deze waarschuwing is aanwezig in het boek van Mounk5, maar - als waarschuwing voor de gevaren van een verantwoordelijkheidsgevoelige gelijkheidsfilosofie - zou ik ze nog sterker in de verf zetten.

In een ideale opvatting over een rechtvaardige wereld is er geen twijfel dat we niet alleen beroep doen op de verantwoordelijkheid van wie zwak staat en behoefte heeft aan bescherming, maar ook beroep doen op de verantwoordelijkheid van wie rijk en machtig is. Sterker, een kritische kijk op 'eigen verantwoordelijkheid' zal de legitimiteit van die ongelijk verdeelde rijkdom grondig in vraag stellen. Maar in de praktijk is het verhaal van de verantwoordelijkheid vaak vooral gericht naar wie afhankelijk is van de overheid en daardoor zichtbaar een 'last' betekent voor de collectiviteit. Niet alleen blijft de verantwoordelijkheid van wie rijk en machtig is zo buiten schot; een obsessie met moral hazard (oneigenlijk gebruik van collectieve voorzieningen, waardoor 'de last' toeneemt) heeft ertoe geleid dat de voordelen van collectieve verzekeringsmechanismen (hun 'externe effecten') in toenemende mate uit het oog verloren worden. Dit is dramatisch duidelijk in het Europese debat, waar oplossingen om de eurozone te stabiliseren botsen op een obsessie voor moral hazard.6 Maar het blijkt, op een heel ander niveau, ook in ons eigen land, waar mogelijkheden om de pensioenvoorziening te verbeteren stelselmatig gekoppeld worden aan individuele opties en individuele aanvullingen, eerder dan in een verbetering van het collectieve contract. En het blijkt natuurlijk uit het feit dat de werkloosheidsverzekering in het dominante discours alleen bekeken wordt vanuit het perspectief van moral hazard.

Eerder dan verantwoordelijkheid zo weinig mogelijk aan bod te brengen in discussies over sociale rechtvaardigheid, zou ik er daarom voor pleiten om verantwoordelijkheid zo consequent mogelijk - dus, zo kritisch mogelijk - aan bod te brengen.

Noten

  1. Externe effecten' spelen een belangrijke rol in zijn betoog, maar het voorbeeld van stabiliteit dankzij werkloosheidsverzekeringen (wat ik een mooie illustratie vind) geeft hij niet.
  2. E. Anderson, What is the Point of Equality?, Ethics, Vol. 109, No. 2 (Jan. 1999), pp. 287-337.
  3. Mounk citeert uitvoerig de Amerikaanse filosoof Thomas Scanlon, ter ondersteuning van de idee dat streven naar gelijkheid gemotiveerd wordt door een (diverse) reeks van waarden, waarop het verantwoordelijkheidsgevoelige egalitarisme slechts een beperkte greep zou hebben. Maar Scanlon onderlijnt zelf dat 'eigen keuze' (en dus 'verantwoordelijkheid', in Scanlons contractualisme) cruciaal is om te weten of herverdeling van het resultaat van economische samenwerking legitiem is of niet, wanneer gelijkheid ons principiële uitgangspunt vormt (zie T.M. Scanlon, The Difficulty of Tolerance. Essays in Political Philosophy, Cambridge University Press, p. 206).
  4. Deze zin is geïnspireerd door een interessante reactie van Alexander Brown op E. Anderson (A. Brown, Luck Egalitarianism and Democratic Equality, Ethical Perspectives: Journal of the European Ethics Network, 12, No. 3 (2005), pp. 293-339; zie met name p. 297).
  5. Met name in zijn verwijzing naar Stuart White (pp. 87-89 van Mounks boek).
  6. Om de Eurozone te stabiliseren zijn verzekeringsmechanismen nodig; maar elke verzekering leidt in zekere mate tot een risico van moral hazard. Het Europese debat is intussen zo sterk gedomineerd door de vrees voor moral hazard dat concrete oplossingen die toelaten dat iedereen beter af is terwijl het risico op moral hazard klein wordt gehouden, heel moeilijk op de agenda geraken; zie F. Vandenbroucke, Risk Reduction, Risk Sharing and Moral Hazard: A Vaccination Metaphor, Intereconomics, 52(3), pp. 154-159.

The Age of Responsibility

Luck, Choice and the Welfare State

Yascha Mounk

Harvard University Press, Cambridge (VS), 2017

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 7 (september), pagina 83 tot 89