Abonneer Log in

Euforie en gelatenheid in e-land

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 2 (februari), pagina 43 tot 45

Het nieuwe millennium had zich geen scherpere start kunnen dromen. Het Internet, dé metafoor van deze euforische tijden, is nu zelf de speelbal geworden van globale strategieën van de allergrootste bedrijven. Sinds enige weken maakt de ene adembenemende fusie na de andere duidelijk dat de virtuele ruimte echt de hoop en de motor kan worden van een nieuwe wereldeconomie. Eerst was er de aankondiging van het perfecte huwelijk tussen de Amerikaanse internetreus AOL en mediagigant Time-Warner, goed voor 190 miljard dollar. Journalisten vergaapten zich aan de fusie en zagen hoe CNN-topman Ted Turner op slag drie miljard rijker werd. Twee weken later was het weer raak. De Duitse engineering- en telecomgroep Mannesmann stemde in met een overnamebod van het Britse Vodafone. Met de overname was bijna 200 miljard dollar gemoeid, het grootste overnamebod ooit. Wat later was het weer de beurt aan Time-Warner, die zijn oog had laten vallen op EMI.

De internationale beurzen reageren wild enthousiast. De media berichtten over de schier onuitputtelijke mogelijkheden van het virtuele goud. De aandelen van uitgevers, multimediagroepen en Internetactoren stonden al gauw hoogst zwanger genoteerd, klaar om met één of andere telecomgroep in zee te gaan. En intussen verovert het net de wereld, steeds sneller, zo lijkt. Bereikcijfers van gisteren zijn vandaag al hopeloos verouderd...
De huidige fusies zijn het bewijs van het groeiend belang van de virtuele economie, blokletteren de kranten. Deze concentratiegolf geeft aan hoe informatie- en communicatietechnologieën (lees ICT) onze handel, werkomgeving en vrije tijd in de toekomst zullen gaan beïnvloeden. De e-commerce wordt de motor van economische groei en hoop. Maar er is meer. De nieuwe technologieën bieden ook heel wat mogelijkheden voor de democratisering en ontwikkeling. De beschikbaarheid van steeds meer informatie zou leiden tot de democratische (ver)spreiding van informatie en het dichten van de kenniskloof. Het wereldwijde web kan een opstap worden naar Marshall McLuhans visie van de ‘global village’, de ééngeworden wereld zonder grote verschillen en hiërarchie. En inderdaad. Ook in het zuiden groeit de e-mail club met de dag. Onderzoekers en studenten hebben er beter dan ooit toegang tot grote databanken en de internationale literatuur. Plaatselijke landbouwondernemingen promoten hun producten nu via het Internet en slagen erin de tussenhandel uit te schakelen. De boekhouding van talloze Westerse bedrijven wordt voortaan online beheerd door Indiase werknemers. Actiegroepen mobiliseren voortaan wereldwijd.

Mythe van democratisering

De mogelijkheden van het net zijn inderdaad onuitputtelijk, zo lijkt. Maar toch staat het euforisch discours bol van onvoldragen mythes over de mogelijkheden en de waarde van de elektronische ruimte. Zo koestert de overdaad aan vrij te consulteren informatie de illusie van beschikbaarheid en democratisering van kennis. Maar gaat het vaak niet om informatieoverlast? Is er geen voortdurende verwarring tussen kwantiteit en kwaliteit van informatie? Of tussen informatie en kennis? En er is natuurlijk ook de economische factor. Strategische informatie is ontoegankelijk of zeer duur, terwijl het Internet steeds meer evolueert van een vrije ruimte naar een shopping mall. Kijken mag, maar consumeren kost geld.
En het is hier dat de traditionele kloof tussen de rijke geïndustrialiseerde wereld en de minder ontwikkelde landen om de hoek komt kijken. Internet is, hoe men het ook draait of keert, in eerste instantie een zaak van de goed opgeleide, rijke, veelal Westerse consument. De cijfers van de Internationale Telegrafie Unie (ITU) zijn nogal ontnuchterend. De verspreiding van het Internet mag dan wel snel verlopen, maar evenwichtig is het helemaal niet. Afrika bijvoorbeeld vertegenwoordigt minder dan één procent van de totale Internetbevolking, met zeer grote onevenwichten op het continent zelf.

Dit heeft veel te maken met de infrastructuur, vooral dan van het telefoonnetwerk en de beschikbaarheid van computers. De vergelijking is bekend, maar blijft sterk: in New York alleen al telt men meer telefoontoestellen dan in heel Afrika. De landen die door de Verenigde Naties beschouwd worden als rijkste inkomenslanden zijn goed voor veertien procent van de wereldbevolking, maar hebben wel bijna zeventig op honderd telefoonaansluitingen en bijna negentig op honderd computers.
De gedachte dat ICT mee zal helpen de kloof dichten tussen rijke geïndustrialiseerde en ontwikkelingslanden, lijkt veel weg te hebben van een (geweten sussende) mythe. In de lage inkomenslanden lijkt ICT vooral ten goede te komen aan grote bedrijven, universiteiten en een sociaaleconomische elite. Deze kan zich nu via satellietverbindingen sneller en beter dan ooit opleiden en informeren. De gedachte dat ICT een enorme rol zou spelen bij het afbreken van hiërarchieën, lijkt dus veraf.

Big business in het Triadium

Meer dan de helft van de Internetbevolking leeft in Noord-Amerika, een kwart in West-Europa en bijna twintig procent in enkele rijke geïndustrialiseerde Aziatische landen. Het is in dit Triadium dat ook de rijkste consumenten wonen, zeg maar de meest lucratieve reclame- en marketingdoelwitten. Het is in die zin niet moeilijk om te raden waar online-diensten van megabedrijven als AOL Time Warner het snelst zullen bloeien. Want ook nu weer zal enkel rentabiliteit de internationale strategieën sturen van grote media-, telecom- en internetactoren.

Intussen bestaat de vrees dat het met de virtuele ruimte ook wel eens dezelfde richting zou kunnen uitgaan als met andere media- en informatiekanalen. In nogal wat derdewereldlanden bestaat de zorg dat het Internet het zoveelste medium zou kunnen worden waar westerse inhoud wordt uitgestort over niet-westerse samenlevingen. Het net kan in minder ontwikkelde landen wel eigen producties dragen. Maar de kans is groot dat de virtuele ruimte vooral gebruikt zal worden om westerse informatie, ontspanning, cultuur en levensvormen te transporteren. En met het Internet kan dit gemakkelijker en sneller dan ooit. Er zal dus nog heel wat moeten gebeuren om het éénrichtingsverkeer van Noord naar Zuid om te buigen.

De huidige zenuwachtigheid in de media- en telecommunicatiesector heeft alles te maken met de enorme economische belangen van grote corporaties uit het Triadium. Het Internet lijkt de positie van een steeds kleiner aantal, grote private ondernemingen uit de telecom- en de globale mediawereld te versterken. Hierbij worden ze ruimschoots geholpen door de verregaande liberalisering van de wereldmarkten, gedragen door organisaties als de Wereldhandelsorganisatie (WHO).

Kritisch discours

Er was een tijd dat mediaconcentraties scherpe reacties uitlokten, aanleiding gaven tot diepgaande kritische analyses, soms zelfs leidden tot overheidsoptreden. Als een krant verdween, ontstond er paniek. Er kwamen initiatieven om de diversiteit in de publieke meningsvorming te redden. Men stelde zich vragen bij een te grote machtsconcentratie in handen van enkele spelers.
Maar niets meer van dit alles. Niemand lijkt zich op te winden over de gevaren van de huidige monumentale fusies en controleoperaties. Net als in talloze andere dossiers volgt de gangbare mediaberichtgeving vrolijk het industrieel discours. Kritische analyses wijken voor stukken die onvermomd de taal van de markt spreken met economische groeitermen als schaalvergroting, efficiëntie en verhoogde productiviteit.

Veel hangt ook samen met de oude kritische concepten en analyses over media- en informatiemacht, die nu verschrikkelijk bevoogdend en overtrokken overkomen. Wie waagt het nog om in het licht van de vrije toegang tot het Internet, te spreken van westerse dominantie, cultureel imperialisme, bedreiging van pluralisme? Allemaal archaïsche, scherpe concepten, die de mogelijkheden van de markt en het nieuwe medium al te zeer hebben ontzien. Wie ontkent er intussen dat het nieuwe medium de burger of consument wel degelijk een grote vrijheid biedt van handelen en denken? ICT schenkt hem/haar zelfs enige vorm van macht. Maar de vraag naar de reikwijdte en gevolgen van de controlestrategieën van grote corporaties, blijft intussen blank en onbeantwoord.

De gelatenheid over de huidige grote fusies hangt misschien ook samen met het soort publieke ruimte die door de ICT wordt gecreëerd. Via het net ontwikkelden zich de afgelopen jaren talloze (virtuele) gemeenschappen en ruimten, waarbij steeds nieuwe scheidingslijnen werden aangebracht. Er zijn gemeenschappen op basis van smaken, politieke voorkeuren, ervaringen, geslacht, ras, leeftijden, seksuele gezindheden, enz. Deze virtuele gemeenschappen articuleren en appeleren aan onze complexe politieke, culturele en andere identiteit(en). Dat is zeker. Maar ze vatten ze nooit volledig. De enorme fragmentatie in het ICT-veld heeft meteen als weerslag dat ze de traditionele massamedia opnieuw bevestigt als belangrijke brede fora voor publieke meningsvorming. Nogal wat algemene media hebben hiervan hun handelsmerk gemaakt. Dit verklaart de vrij recente ontwikkeling van de krant in de richting van een (ideologisch) ongebonden vrijplaats voor informatie, service en discussie. Het net is een wonderbaarlijk hulpmiddel voor consultatie en discussie. Maar als forum is het zo versplinterd. Het is zeker niet de grote markt waar een bredere politieke gemeenschap zich vragen stelt, verhalen vertelt, zichzelf de toekomst spelt. Of hoe euforie soms gelatenheid verbergt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 2 (februari), pagina 43 tot 45