Abonneer Log in

Samenleven of apartheid?

Over het uitblijven van een duurzame vrede in Israël

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 6 (juni), pagina 29 tot 38

Na de laatste verkiezingen in Israël, nu al bijna een jaar geleden, dachten velen dat de nieuwe premier Ehud Barak het vredesproces tussen zijn land en Palestina terug op de sporen zou zetten. Die hooggespannen verwachtingen zijn intussen nog niet ingelost. Een nieuwe intifada lijkt zelfs niet uitgesloten.

De Zionistische Beweging, later de staat Israël, heeft inzake de opbouw van een joodse staat in het voormalige Britse Man­daatgebied Palestina van meet af aan een duidelijke agenda gehad: het verkrijgen van de controle over zoveel moge­lijk van het grondgebied en over zo min mogelijk van de oor­spronke­lij­ke bevolking, de Pales­tij­nen. Hoe heeft het socialistisch zionisme zich in de praktijk ontwikkeld? De ideologie van het socialistisch zionisme ontstond in Oost-Europa. Als gevolg van een economische crisis vreesde de tzaar revolutionaire opstanden en probeerde hij dan ook die opstanden om te buigen tot pogroms. Tegenover die dubbele crisis (economisch en anti-semitisch) reageerden individuele joden totaal anders. Velen emigreerden naar West-Europa en de Verenigde Staten. Anderen sloten zich aan bij revolutionaire en communistische bewegingen. In bijna alle links-radicale bewegingen van het begin van deze eeuw waren joden sterk vertegenwoordigd.

Een geheel ander antwoord op de crisis gaf het politieke zionisme. Twee ideologen hiervan zijn het waard om even te vernoemen: Aharon David Gordon (1856-1922) en Ben Borochov (1881-1917). Gordon verwees naar de ‘terugkeer’ naar het land. Het joodse volk moest terug het ‘verwaarloosde’ land bewerken. Borochov was rationeler en ‘marxistisch’ geïnspireerd. Zijn standpunt zou je ongeveer als volgt kunnen samenvatten: de omstandigheden van de joodse diaspora in Europa zullen automatisch leiden tot een migratie van joodse kapitalisten en joodse arbeiders naar Eretz Israël, waar de ontwikkelingen van de productiekrachten in een joodse economie zullen leiden tot een klassenstrijd die uiteindelijk zal voeren tot een joodse socialistische staat.

In West-Europa had het politieke zionisme een andere voedingsbodem dan in Oost-Europa. In tegenstelling tot Oost-Europa verzamelde de Oostenrijker Theodor Herzl eerder joden uit de midden- en hogere klassen. Het westerse zionisme zocht meer contacten met de wereld van de macht en de diplomatie. Het resultaat van de diplomatieke onderhandelingen was de gekende Balfour-verklaring van 1917. Hierin verklaarde de Britse regering dat zij zich gunstig opstelt tegenover het doel van de zionistische beweging - een joods nationaal tehuis. De Britse diplomatie deed dat met het oog op de joodse steun voor haar politiek tijdens de Eerste Wereldoorlog maar ook om op langere termijn een betrouwbare bondgenoot te hebben die haar economische en politieke belangen in de regio ter plekke kon bewaren. Vervang de toenmalige grootmacht Groot-Brittannië door de huidige grootmacht Verenigde Staten, en er is niet veel nieuws onder de zon.

Politiek en socialistisch zionisme

Het politieke zionisme haalde het in de jaren dertig bij een groot deel van de joodse immigranten in Palestina. Dat had zoal zijn gevolgen op het terrein. De eerste immigratiegolven vonden plaats met financiële middelen van bijvoorbeeld de Rothschild-familie. Deze immigranten stichten op kapitalistische leest geschoeide plantages waarop de Palestijnse boeren werden tewerkgesteld. De tweede golf bestond uit aanhangers van het socialistisch zionisme die echter het principe van de ‘joodse arbeid’ vooropstelden. De goedkope Palestijnse arbeidskracht stond op termijn de doelstelling van het zionisme, namelijk de joodse staat, in de weg. Dus moesten ze verdwijnen. De Palestijnse boeren moesten de wijk nemen naar sloppenwijken rondom bijvoorbeeld een stad als Haifa. De Palestijnse economie werd gewoon weggedrukt. En hier speelden de Histadroet en de kibboets een voorname rol. Van binnenuit is het enigszins mogelijk om de kibboets als een verwerkelijking te zien van de idealen van de socialistische ideologen, maar van buitenaf blijft hier niet veel meer van over. De beslissing om een kibboets uit te bouwen werd centraal genomen en de overwegingen die daarbij een rol speelden hadden vooral te maken met de praktische vereisten van een kolonisatie in een vijandige omgeving. De kibboets speelden in de jaren dertig dus een zelfde rol als de nederzettingen in bijvoorbeeld Oost-Jerusalem en de Westelijke Jordaanoever anno 2000: zoveel mogelijk land veroveren en de plaatselijke Palestijnse bevolking van hun land verjagen.

Ook in die jaren waren er verwoede debatten tussen ‘links’ en ‘rechts’, tussen de socialisten van Ben Gourion en de Revisionisten van Vladimir Jabotinsky. Maar de verschillen lagen niet op het niveau van de doelstellingen, maar eerder op dat van de middelen. De ene wilden al wat sneller gaan dan de andere. Er was discussie over de houding tegenover Engeland. De socialisten wilden de koloniale grootmacht ‘gebruiken’ terwijl de revisionisten opriepen tot een onmiddellijke gewapende strijd tegen de Britten. Ook nu zijn er op het terrein niet zo veel verschillen tussen de Arbeiderspartij en de Likoed. Als er nog enkelen illussies hebben over premier Barak moeten ze maar de cijfers lezen die verder in het artikel staan vermeld.
Na het uitroepen van de Staat Israël bleven instituties als de Histadroet en het Joods Agentschap gewoon bestaan. Zij vomden een enorme economische én politieke macht. Maar de Israëlische bevolking veranderde van uitzicht. Meer en meer Arabische, oriëntaalse joden, bijvoorbeeld uit Marokko, kwamen in Israël wonen. Zij konden zich helemaal niet identificeren met het socialistische zionisme en de partijen die dat voorstonden. Daarom gingen deze nieuwe Israëli’s meer en meer kiezen voor de Herut - later Likoed - van Menachem Begin en Yitschak Shamir. Later is er nog de Shas, de religieuze partij van de oriëntaalse joden, bijgekomen. Dan praten we nog niet over de ongeveer 17 procent Palestijnen die Israëlische nationaliteit verwierven en die zich helemaal niet konden identificeren met de ‘macht’, namelijk de Arbeiderspartij. Dat allemaal zorgde voor een enorme crisis bij de Arbeiderspartij.
Uit dit heel korte overzicht van de geschiedenis kan men duidelijk aflijnen dat men de facto in de jaren dertig gelijklopende debatten voerde als nu. In de praktijk stonden zionisme en socialisme tegenover mekaar en koos de elite principieel voor zionisme, voor een exclusief joodse kolonisatie en joodse staat. In plaats van te proberen samen te leven met de plaatselijke bevolking en samen een socialistische koers te bepalen, koos men voor een racistische politiek van ‘eigen volk eerst’, en daar is sinds de jaren dertig niet veel verandering in gekomen. Binnen de zionistische beweging is er wel debat tussen ‘links’ en ‘rechts’ maar dat had haast exclusief betrekking op tactische en strategische kwesties, niet op de doelstellingen.

De nederzettingspolitiek en retoriek na de bezetting van 1967 is slechts een kopie van wat er zich in de jaren dertig afspeelde. Steeds wordt er verwezen naar ‘veiligheidsoverwegingen’, nadien vallen woorden als ‘pioniers’ of ‘annexatie’. Het grote probleem blijft dan steeds de Palestijnse bevolking. De demografen keren zich tegen de inlijving van de bezette gebieden, in het bijzonder de bevolkingsrijpe delen. De ‘territorialisten’ kiezen voor kolonisatie en annexatie van zoveel mogelijk land. Dat houdt natuurlijk in ofwel de Palestijnen van hun land verjagen (1948) ofwel de permanente onderdrukking van de Palestijnse bevolking (na 1967). Na de val van de Berlijnse muur, na de Irak-crisis waren de kaarten anders geschikt. Hoe moest dat dilemma nu opgelost worden?

Vredesproces of kolonisatie

Wie herinnert zich niet het akkoord van Oslo van 30 maart 1993 en de historische handdruk op 13 september 1993 in Washington door Yasser Arafat en Itzhak Rabin? Vele vredesmilitanten in Europa en in Israël waren euforisch. Bij de Vlaamse politici en ngo’s heerste even­eens optimisme. Maar toen ze het akkoord grondig lazen, begrepen vele Palestijnen er niets meer van. ,,Hebben we hiervoor zovele jaren gevochten?’’, kon je bij veel Palestijnse militanten horen. Een jaar later durfden de ngo’s de akkoorden nog niet te verwerpen maar het optimisme was toch al enigszins gekoeld. Magda Aelvoet sprak van ,,een slecht akkoord, maar het enig mogelijke’’. Vele jaren later is het duidelijk dat het Oslo-akkoord een slecht akkoord was, en geen basis vormt van echte vrede en rechtvaardigheid in het Midden-Oosten. De princiepsverklaring van Oslo bevat een mengeling van moei­lijke compromissen, van oude Amerikaanse ideeën, voor­stellen van Palestijnse of Israëlische onderhandelaars en suggesties van de Noorse gespreksleiders. Het Oslo-akkoord zit eigenlijk vol valkuilen en onduidelijkheden waarvan de Israëli’s gemakkelijk gebruik hebben kunnen maken om essentiële elementen op de lange baan te schuiven.
Dat het slecht ging met het akkoord, werd na de verkiezing van Netanyahu snel op Likoed gestoken. Nadien volgden moeizame gesprekken. Enkele cijfers geven aan waar de knelpunten liggen. Zo steeg tussen 1994 en 1999 het aantal joodse kolo­nisten van rond 140.000 tot 20­0.000 - een toename met 43 procent (cijfers van Geoffrey Aronson van de Foundation for Middle East Peace in Washing­ton). In Oost-Jeruzalem nam het aantal kolonisten tussen 1994 en 1999 met ten min­ste 40.000 toe (een stijging met rond 25 procent). Opmer­ke­lijk detail is dat vol­gens de Israëli­sche beweging Vrede Nu in 1998 de bouw van woon­hui­zen in de nederzet­tingen met 105 procent steeg, terwijl er binnen de Groene Lijn (Is­raël) sprake was van een daling met 20 procent (Finan­cial Times van 15 april 1999).
Nadat de toenmalige premier van Israël, Neta­nyahu, in november 1998 het Wye River-I Akkoord had onderte­kend, riep zijn Minister van Nationa­le Infra­struc­tuur, Ariel Sharon, radicale kolonis­ten op om - catch-as-catch-can - zo snel en zoveel mogelijk niet door Palestij­nen be­woon­de heuveltoppen op de Westelijke Jor­daanoe­ver in bezit te nemen. Bij het aantre­den, begin juli 1999, van Barak bleken 42 nieuwe neder­zet­tin­gen tot stand gekomen te zijn (toe­gegeven, vaak niet meer dan enkele cara­vans met een water­reser­voir, maar zo zijn alle nederzet­tingen ooit ontstaan). Veel­zeggend is evenwel dat Barak, na overleg met de leiders van de beweging van de kolonisten, er uiteinde­lijk slec­hts 12 liet ontrui­men.

Als ontslagnemend premier liet Netanyahu ten behoe­ve van de uit­brei­ding van de neder­zetting Ma’ale Adumim (nabij Jeruza­lem) eind mei 1999 nog snel 1243 ha Palestijnse grond ontei­ge­nen (Daily Telegraph van 29 mei 1999). Op­nieuw veelzeggend is dat door zijn opvolger Barak dat hoogst twij­fel­ach­tige besluit niet is terugge­draaid. Zijn verkiezing tot premier was immers voorgesteld als een overwinning van ‘het vredeskamp’ binnen de Israëli­sche politiek. Begin decem­ber 1999 maakte Vrede Nu be­kend dat sinds het aantreden van de rege­ring-Barak in juli van dat jaar, vergun­ning was verleend voor de bouw van 3196 woonhuizen in joodse nederzet­tingen, hetgeen meer was dan rond 3.000 die zijn voor­ganger Netanyahu het jaar daarvoor had vrij gegeven (Interna­tional Herald Tribune van 7 december 1999). Onder druk van de Verenigde Staten kondigde Barak rond die­zelfde tijd een moratorium van enkele maanden (nota bene: géén bouw­stop) af inzake de bouw van woonhuizen in de neder­zettin­gen. Dat zou de sfeer tijdens de final sta­tus-onderhan­delin­gen met de Palestijnen ten goede komen (The Times van 8 decem­ber 1999).

Vredeseconomie

Israël kende in het midden van de jaren tachtig een zware economische crisis. Een van de middelen om uit die crisis te geraken was een afzetmarkt creëren in de Arabische landen. Hiervoor waren vredesakkoorden met de Arabische buren essen­tieel. Israël kon dan zijn herwonnen economische sterkte gebruiken om zijn sleutelpositie in de Pax Americana in het Midden-Oosten te behouden. Tot in de jaren tachtig was de Israëlische economie vooral geba­seerd op een nauw verband tussen enkele grote bedrijven en de staat. De winst van de grote bedrijven werd ondersteund door een systeem van hoge militaire uitgaven en een snelle infla­tie. Het industriële complex in Israël is altijd nauw verbon­den geweest met het militaire complex. Het Israëlisch aandeel in de internationale wapenhandel kreeg zware klappen. Volgens het SIPRI daalde het Israëlische aandeel in de internationale wapenhandel van 408 miljoen dollar in 1987 tot 66 miljoen dollar in 1992. De waarde van de militaire contracten voor Israëlische firma’s in het BBP viel van 5,7 procent einde jaren tachtig tot 3,9 procent in 1993. Gevolg was dat heel wat van deze bedrijven zwaar in moeilijkheden kwamen.
Aan de winsten van deze grote industriële complexen werd ook sterk geknaagd door een enorme inflatie (in 1985 400 procent). Duidelijk was dat ook de Israëlische binnenlandse markt veel te klein geworden was voor deze bedrijven. Anderzijds werd Israël op het einde van de jaren tachtig gecon­fronteerd met de intifada. Israël slaagde er niet in met militaire middelen deze volksopstand te onderdrukken. Dat kostte hun dan ook veel geld en een stuk zelfvertrouwen. Wat moest Israël doen? Een alternatieve weg werd aanbevolen door het IMF en opgevolgd door de Israëlische elite. Op nationaal niveau moest Israël evolueren van een monopolie-oorlogseconomie naar een open vredeseconomie. Internationaal betekende dat regionale verzoening en integra­tie in het economisch systeem van de Arabische wereld.

Regionale stabiliteit en het opheffen van de boycot door de Arabische landen zou vooral de Israëlische economie ten goede komen. Israël voert al jaren een privatiseringspolitiek en een com­merciële en financiële liberalisering. Op sociaal vlak hield dergelijke vrije markt-politiek dezelfde catastrofes in als in België. ,,Op dit ogenblik is de inkomensver­deling in Israël meer ongelijk dan in welk land van de OESO-groep’’, aldus Julie Roblet in Palestine: une économie aspyxiée. Privatisering en afbraak van sociale voorzieningen versterken de zeer rijken en verarmen een heleboel mensen binnen de Israëlische en Palestijnse gemeenschap. Tegen deze achtergrond is Israël het vredesproces met de Palestijnen en de Arabische wereld begonnen. Dat had weinig te maken met een plots opkomend gevoel voor rechtvaardigheid bij de Israëlische regering, maar vooral met de noodzaak een economie in zware moeilijkheden te saneren.

Dat wordt goed samengevat door Yoav Peled in het artikel ,,From zionism to capitalism. The political economy of Israel’s decolonisation of the occupied territories’’. Daarin schrijft hij: ,,De steun van de Israëlische zakenwereld voor het vredesproces is gemotiveerd door hun belang in het reduceren van de omvang van de staat en hun verlangen Israël te integreren in de interna­tionale economie. De economische voordelen van de bezetting van de Westbank en de Gaza - goedkope en betrouwbare arbeids­krachten en een afzetmarkt - waren sterk verminderd door de intifada. Een overeenkomst met de PLO bereiken werd een econo­mische noodzaak.’’ Niet om de Palestijnen te plezieren maar om de Arabische markt te veroveren. Oslo had als bedoeling Israël uit het isolement te halen. Het is daar bijzonder goed in geslaagd. Economische relaties tussen Israël en de Arabische landen zijn schering en inslag. De boycot van Israël werd virtueel opgeheven. Dat is een goed voorbeeld van wat mondialisering betekent in het Midden-Oosten.

Politieagent van het Midden-Oosten

Het Midden-Oosten blijft voor de Verenigde Staten een strategisch be­langrijk gebied. Israël is nog steeds de belangrijkste partner voor de V.S.A. in het Midden-Oosten. Het maakte steeds gemakkelijk gebruik van de Westerse angst voor het communisme en de nationalistische bewegingen in bijvoorbeeld het Egypte van Nasser, en later van de strijd tegen het Palestijns nationalisme van de PLO. In 1948 wordt de zionistische staat Israël onafhankelijk. Het houdt de relaties met de Sovjet-Unie en enkele Derde-Wereld­landen levendig maar al snel wordt duidelijk dat Israël enkel politiek en economisch kan overleven met steun van het Westen, en vooral van de V.S.A. Vanaf de jaren zestig speelt Israël volop de kaart van politie-agent voor het Westen in het olierijke en onstabiele gebied van het Midden-Oosten. Daar is weinig verandering in gekomen, ook niet na het wegval­len van de Sovjet-Unie. Voor de V.S.A. blijft Israël een sleutel-partner in het Midden-Oosten met als gevolg vrij spel aan massale financiële en mili­taire steun aan het land.

In een speech voor de AIPAC (een pro-Israëlische lobby-organi­satie in de V.S.A.) geeft president Clinton in mei 1995 een goed overzicht van de militaire steun aan Israël: ,,We keurden de aankoop van F-151 vliegtuigen (het beste lange-afstandsvlieg­tuig ter wereld) door de Israëlische luchtmacht goed... De overdracht van 200 gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters begonnen na de Golf-oorlog werd verder gezet. Wij engageerden ons voor 350 miljoen dollar in het project van Arrow-raketten, het grootste deel van de kosten voor de ontwikkeling. Wij keurden de verkoop van supercomputers goed en voor de eerste keer kreeg Israël toegang tot de VS-markt voor ruimtelance­ringen... Dit jaar hadden we de grootste gemeenschappelijke militaire manoeuvers ooit met het Israëlisch leger. Wij stoc­keerden nog meer militair materieel in Israël. Het Pentagon tekende contracten ter waarde van 3 miljard dollar om hoog-kwalitatieve militaire producten van Israëlische firma’s te kopen’’.

Apartheidspolitiek

De Palestijnse economie wordt volledig afhankelijk van de Israëlische. De apartheidspolitiek gaat gewoon door. Tijdens de kolonisatieperiode werd de kloof tussen Noord en Zuid geslagen. De Wereldbank herhaalt altijd weer dat een van de problemen het ontbreken van een Palestijnse economie is. Er wordt echter niet bij gezegd dat dit in hoofdzaak valt te verklaren door de vele jaren van bezetting. Edward Said schrijft in Le Monde Diplomatique van november 1994: ,,Wat helemaal in stilte gepasseerd is in deze vredesak­koorden, zijn de gevolgen van 27 jaar militaire bezetting, de vernietiging door Israël van de infrastructuur en lokale instellingen. De weigering van Israël te erkennen dat het een bezettende macht was - en nog steeds is - die herstelbetalingen moet doen aan de Palestijnen in overeenstemming met de inter­nationale conventies (en zoals Irak het heeft moeten doen voor zijn onwettelijke bezetting van Koeweit)...’’.

Zoals reeds gezegd was het vooral het Israëlisch patronaat dat vroeg om een toenadering tot de PLO. Ze waren al lang tot de conclusie gekomen dat de verovering van de Arabische afzet­markten loopt via de PLO. Premier Peres sprak al vrij vlug dat Israël het Singapore van het Midden-Oosten moest worden. Wat later herhaalde Arafat dat niet Israël maar Palestina het Singapore van het Midden-Oosten moest worden. Arafat is echter wel aan het dagdromen. Het Bruto Nationaal Product per persoon bedroeg in 1992 in Israël 13.230 dollar, in de bezette gebieden maar 1.715 dollar. Het Globaal Bruto Nationaal Product in Israël bedroeg 67,6 miljard dollar, in de Palestijnse gebieden 2,9 miljard dollar. Bovendien werkt 4 procent van de actieve bevolking in Israël in de landbouw, tegenover 47 procent in de bezette gebieden. Meer details staan in de brochure van Julie Roblet die onlangs verscheen. Het akkoord van Oslo vroeg een bevriezing van de kolonies in de bezette gebeiden. Rabin en Peres gingen er gewoon mee door. Zij voerden de scheiding van Israëli’s en Palestij­nen verder door. Gevolg is dat minder en minder Palestijnen in Israël kunnen werken, terwijl Israël massaal nog goedkope­re arbeidskrachten uit Roemenië, Thailand en China invoert.

Fundamentele thema’s

Het Oslo-akkoord verschoof de discussie over de fundamentele thema’s (vluchtelingen, Jerusalem, nederzettingen, land, water) naar een latere datum waardoor Israël tijd krijgt om genoeg feiten op het terrein te realiseren om zijn controle op Palestijns gebied te verzekeren. Het Oslo-akkoord legitimeert de facto de Israëlische controle op de Westbank en de Gazastrook. In plaats van dat de bezetting illegaal wordt genoemd, wordt de ontruiming als een consessie verkocht. Het Palestijnse volk werd verder gereduceerd tot de Palestijnen in de Westbank en de Gazastrook. Er wordt niet meer gesproken over de miljoen Palestijnen in Israël en de meer dan 3,5 miljoen vluchtelingen buiten Palestina.

Met het Oslo-akkoord werd overigens de tweestatenoplossing overboord gegooid. De politieke optie van de PLO sinds de jaren tachtig was een onafhankelijke Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jerusalem. Dankzij Oslo kreeg Israël echter nog meer controle over het hele land. Door de kolonies te behouden en de grenzen te bewaken (land, zee, lucht) hebben de Palestijnen de kans op een leefbare ministaat verknoeid. Daarom grijpen meer en meer Palestijnen - én een beperkte groep progressieve Israëli’s - terug naar de oorspronkelijke politieke optie van de PLO, namelijk het idee dat enkel een staat over heel het grondgebied haalbaar is, een staat waarin joden, christenen en moslims gelijke rechten hebben.

Oslo volgens Israël

Bovengenoemde feiten laten zich moeilijk met een vredes­proces rijmen. Zij zijn daarentegen wèl in lijn met het uitgangs­punt van de poli­tiek van de staat Israël: het verkrijgen van de controle over zoveel moge­lijk van het grondgebied en over zo min moge­lijk van de oor­spronke­lij­ke bevolking. Aangezien in onze dagen massale ver­drij­ving politiek geen reële optie meer vormt, is - toen de kwestie zich door de veroverin­gen in de Juni-Oorlog van 1967 opdrong - de poli­tiek van Israël er aanvankelijk op gericht ge­weest om het grondge­bied met de grootste concentra­tie Pale­stijnen in een staats­verband met Jorda­nië onder te brengen (het Allon Plan van 1967), later om dat over te dragen aan een Pale­stijns leider­schap dat over beperkt zelfbe­stuur zou gaan beschikken (het Allon-Plus Plan van midden jaren negen­tig). Beide varian­ten gingen uit van annexa­tie door Israël van het groot­ste deel van het grond­gebied (en het water) van de Weste­lijke Jordaanoever en de Strook van Gaza en van vestiging daar van joden.

Onder de vlag van het vredesproces is dit Allon-Plus Plan inmiddels grotendeels geïmplemen­teerd. Hoewel het hier welbe­schouwd gaat om de voortzetting van de oorlog met (deels) andere middelen, is deze politiek met succes als een vredespo­litiek aan een Westers publiek ver­kocht. Daarin kon Israël slagen, omdat voor Pales­tijnse leiders die over een omvang­rijke ach­terban be­schikken, een plaats aan de onderhandelings­tafel van Oslo was ingeruimd, overigens niet nadat deze - verzwakt na een reeks nederlagen - wel de verwe­zen­lij­king van de natio­nale aspi­raties van het Pales­tijnse volk - lees: het verkrij­gen van zeggen­schap over het eigen bestaan en de eigen toe­komst - hadden opgeven.
Wat is in de nadagen van Oslo (en aan de vooravond van ‘post-Oslo’) de politieke en economische configuratie die in de Bezette Gebieden is ontstaan? De contouren daarvan beginnen zich af te tekenen en komen in het kort op het volgende neer. Israël hergroepeert zich in de Bezette Gebieden (note bene: er is geen sprake van terugtrekking uit die gebieden, waar­toe het internationaal recht Israël verplicht). Daarbij gaat het vooral om de grote Palestijnse bevolkingsconcentraties in steden en hun directe omgeving. Het burger­lijk en mili­tair bestuur wordt overge­dra­gen aan het eerderge­noemde Pale­stijnse leider­schap, dat zich het Pale­stijns Natio­naal Gezag (PNA) is gaan noemen. In nog andere delen van de Bezette Gebieden deelt de PNA het bestuur met Israël, dat wil zeggen het burgerlijk bestuur ligt in handen van de PNA, het mili­tair bestuur in handen van Israël. Naar verwachting zal uitein­delijk rond 50 procent van de Bezette Gebieden op deze wijze aan de PNA overgedra­gen worden. Dat door de PNA be­stuurde territori­um - de zogeheten Palestijnse Autonome Gebie­den, binnenkort wel­licht aangeduid als ‘de Staat Palestina’ is geen aaneenge­slo­ten gebied, maar be­staat uit drie enclaves (Nabloes-Ramal­lah, Jericho-Hebron en de Stook van Gaza).

Israël heeft de voorbije jaren ‘om veilig­heidsre­denen’ aan de Pales­tij­nen grote re­stricties opge­legd voor wat be­treft het perso­nen- en goede­renver­keer tussen deze enclaves (anders gezegd: Oslo heeft de mobili­teit van de Pales­tijnen in de Bezet­te Gebieden ern­stig aange­tast). Er is geen reden te veronderstellen dat hierin in de komende jaren verandering zal komen. Aan de PNA mag dan het be­stuur in delen van de Bezette Gebieden over­gedragen zijn, van soeverei­niteit is geen sprake, aange­zien de PNA de be­sluitvorming op belang­rijke terreinen als defen­sie, buiten­landse betrekkingen en econo­mie met Israël dient te ‘coördi­neren’ (lees: Israël heeft daarbij het laatste woord). Het is niet voor niets dat in dat verband vergelijkin­gen zijn getrok­ken met de Bantoe­stand ten tijde van het Apart­heidsregi­me in Zuid-Afrika.
Al met al kan zonder overdrij­ving gesteld worden dat Israël op basis van Oslo de bezetting in een nieuwe vorm zal voortzetten. Voor Israël zijn de voordelen van het Oslo-akkoord evident. Ongeveer 50 procent van de Bezette Gebieden mag dan aan de PNA overgedra­gen wor­den, met stilzwijgende instemming van het Westen is Israël voornemens de rest (dat wil zeggen 50 procent, waar zich de meeste nederzettingen bevinden) te annexeren. Dat geeft Israël nieuwe expansiemogelijkheden en voorts greep op een uiterst belang­rijke natuurlijk hulpbron als water.

Rol van Palestijnse autoriteit

De PLO en zeker de dominante fractie Fatah heeft altijd nauwe banden gehad met de Palestijnse kapitalisten in de diaspora. Tot nu zijn er steeds spanningen geweest tussen de pretentie om een bevrijdingsbeweging te zijn en de meer conservatieve belangen die de financiële basis vormen van de beweging. Tussen 1970 en 1980 steunde Arafat op enkele rijke Palestijnen voor geheime gesprekken met de V.S.A.. In 1973 ontmoette de toenmalige gouverneur van Pennsylvania William Scranton regelmatig Hassib Sabbagh, een Palestijns miljonair en een vurig supporter van Arafat. Sabbagh opperde de mogelijkheid tot aanvaarding van een Palestijnse staat op een beperkt grondgebied. Deze gesprekken en andere tussen regerings- en CIA-officials vonden plaats maar werden geheim gehouden omdat hun voorstellen totaal onaanvaardbaar zijn voor de meerderheid van de Palestijnen. In ruil voor dit alles zijn er voor de PNA de krui­mels van een rijkgedekte Israëli­sche tafel, zoals VIP-faci­litei­ten en privé-monopolies. Ook is door de PNA-elite privé ruim geprofi­teerd van de sinds Oslo sterk toegenomen Wester­se hulp aan de Pales­tijnse Autono­me Gebieden.

Het manipulatieve van de Oslo-constructie is dat deze veel Palestijnen in de Bezette Gebieden aanvanke­lijk enige ver­lich­ting heeft gebo­den, die belang­rijk was om de zaak op de rails te houden: Israëli­sche solda­ten verder weg uit het dage­lijks leven, voor het eerst eigen verkiezingen voor een presi­dent en een parle­ment, de opbouw van eigen insti­tuties (laat niemand de effec­ten daarvan op een langdurig en zwaar onder­drukt volk als het Palestijnse onder­schatten!). Echter, op de middel­lange en lange termijn zal Oslo voor het over­gro­te deel van de Palestij­nen ui­terst negatief uitpakken. De nu al 3 miljoen Palestij­nen zullen worden afge­scheept met de helft van de Bezette Gebieden (dat wil zeggen met slechts 10 pro­cent van het voorma­lige Mandaatgebied Palestina) en zullen daarmee be­schik­ken over onvoldoende ruimte en verstoken zijn van na­tuur­lijke hulp­bronnen als (landbouw)­grond en water.
De Pales­tijnse econo­mie zal middels douaneheffin­gen, im­port- en export­quota, maar ook checkpoints, road­blocks, ‘safe passa­ges’ en bureau­crati­sche obstructie, volle­dig onder Israëli­sche contro­le blijven, en onderge­schikt gehouden worden aan de behoef­ten van Israël. Thans komt een kwart van de begro­ting van de PNA uit belas­tingheffing op Pales­tijnse ‘gastar­beid’ in Israël. Af­slui­tingen ‘om veilig­heids­re­denen’ zullen een mach­tig in­stru­ment in handen van Israël blijven. Ten slot­te is er het hoge geboor­tencij­fer onder Pales­tijnen. In 2015 zal hun aantal naar verwachting bijna verdub­beld zijn tot ruim 5 miljoen. Dat zal een grote druk leggen op de toch al schaar­se ruimte en er zullen eno­rme pro­blemen op het gebied van infra­struc­tuur, voor­zie­ningen en werkge­legen­heid uit voort­vloei­en.

Noodklok

Boven­dien heeft Israël aan de PNA de con­trole over de meeste Pales­tijnse bewoners van de Bezette Gebie­den weten te delege­ren, die zij zelf gedu­rende zes jaar intifada er niet onder heeft weten te krijgen (plus de opgelopen imagoschade door toedoen van ‘breek-ze-de-bot­ten’-televisiebeelden). Anders ge­zegd: de PNA is gemanoeuvreerd (en heeft zich laten manoeuvre­ren) in de rol van sub-con­tractor ‘vei­lig­heids­zaken’ van Israël. Na de aanvankelijke euforie lijkt een groeiend aantal Pales­tijnen te gaan inzien voor welke problemen Oslo geen oplos­singen aandraagt en daarnaast welke problemen Oslo met zich mee zal brengen. Aange­zien funda­mentele kritiek door de PNA (en Israël) vanzelfsprekend als be­drei­gend wordt ge­zien, hebben haar ‘veiligheidsdiensten’ inmid­dels een ‘indrukwekken­de’ staat van dienst als het gaat om het met harde hand de kop indrukken van kriti­sche geluiden en andere vormen van opposi­tie. Doel­wit is daarbij niet alleen HAMAS geweest, maar ook onlangs de twintig onderte­ke­naars van een petitie waarin de nood­klok werd ge­luid. Twintig Palestijnse intellectuelen verspreidden op 27 november 1999 een manifest met als titel ,,Het vaderland roept ons’’ (The Homeland Calls Us).

Voor het eerst heeft een belangrijke groep binnen de Bezette Gebieden het aangedurfd om publiekelijk de Palestijnse Autoriteit te beschuldigen van corruptie en van uitverkoop van het land. Het was het sein om diverse artikels te publiceren. Lamis Andoni, een Palestijns journalist uit Jordanië, schreef: ,,Ik daag de PNA-officials uit om op straat te komen voor slechts één dag, om hun mooie wagens en hun VIP-pasjes thuis te laten om naar de grieven van de mensen te luisteren. Ze zouden versteld zijn dat de taal van het manifest nog zeer beleefd is opgesteld in vergelijking met wat het volk zou zeggen over hun leiders’’ (Al Hayat, 18 december 1999). ‘Lokale marionetten’ zijn Arafat en de groep van de Palestijn­se Autoriteit geworden. Zij behoren tot de groep van groot­grondbezitters en schatrijke Palestijnse kapitalisten. Zo blijkt dat meer dan de helft van de ministers door Arafat aangesteld of grootgrondbezitters of industriëlen zijn uit de bezette gebieden. Andere ministers, zoals Nabil Shaath en Ahmed Qurei, zijn Arafat-loyalisten die op economisch vlak uitgesproken neoliberale ideeën en antisyndicale standpunten hebben.

Arafat en de zijnen aanvaarden volkomen de dictaten van het IMF en de Wereldbank, die dan ook regelmatig op de thee komen. Hij is met handen en voeten gebonden aan Israël en zelfs bereid gevonden om te betalen voor de gevolgen van de Israëlische bezetting. Alle aansprakelijkheden en verantwoorde­lijkheden tengevolge van daden en verwaarlozingen die zich voordeden voor de overdracht aan de Palestijnse Autoriteit, moeten deze laatste op zich nemen. De Palestijnse Autoriteit draagt alle financiële verantwoorde­lijkheid voor de door Israël bewuste vernietiging van de Palestijnse economie.

Israël kiest voor apartheid

,,Zionisme en Israël kiezen nu voor de vierde weg, nu andere mogelijkheden mislukt zijn: de vernietiging van de ‘natives’ is niet gelukt, hun transfert is verre van compleet. Nu Israël zelfverzekerd is van zijn macht, tracht het de politiek van apartheid, dat faalde in Zuid-Afrika, te realiseren.’’(News from within, juli 1996). Het feit dat de zionisten het land opeisen van de Heilige Bijbel vergroot nog hun kans. Dat uitgangspunt leidt ons tot de toekomstige richting van het zionisme, joods messianisme, open en brutaal racisme en eventueel een nucleair Massada. Om het kader van de joodse staat en de zionistische mythologie in stand te kunnen houden, vroeg onlangs publicist Dan Margalit aan de premier om zo snel mogelijk het apartheidsplan van Oslo III te realiseren. Het idee van de scheiding van Palestijnen uit de Bezette Gebieden en de grenzen van Israël was voor hem de beste manier om het joodse getto te bewaren. Zonder apartheid zou het onmogelijk zijn om de etnische en koloniale democratie te bewaren.

Op lange termijn is het onwaarschijnlijk dat het Oslo-proces stabiliteit zal brengen. Binnen enkele jaren leven er ongeveer evenveel joodse Israëli’s als Palestijnse Arabieren tussen de Middellandse zee en de Jordaan, in Palestina dus. Voor de helft vrijen en voor de helft slaven. Dat kan niet blijven duren. In een verre toekomst zullen ooit joden, christenen en moslims samenleven in één staat met dezelfde rechten en plichten. Dan zal het Oslo-proces worden afgedaan als een van de zovele misstappen op de weg naar een rechtvaardige en duurzame vrede.

Literatuur
-
Roblet, J., Palestine: une économie aspyxiée. La situation de l’économie et du commerce palestiniens. L’importance du partenariat européen. Enkel verkijgbaar in het Frans of Engels. Een uitgebreide vertaling naar het Nederlands staat in het magazine ‘Soemoed’. Voor meer informatie: 02.242.43.41.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 6 (juni), pagina 29 tot 38