Abonneer Log in

Nieuwe media in dagelijks leven

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 9 (november), pagina 31 tot 33

De media berichten bijna dagelijks over de onbegrensde mogelijkheden van de op til zijnde (Europese) informatiemaatschappij waar leven, werken en ontspannen drastisch zullen verschillen van de huidige, laatindustriële maatschappij. Afgaande op de snelle opeenvolging van technologische ontwikkelingen enerzijds en op kwantitatieve data over de sterk toenemende verspreiding van bijvoorbeeld gsm en internet anderzijds, kan men de media en andere betrokken actoren moeilijk ongelijk geven. Het ziet er inderdaad naar uit dat de hooggespannen verwachtingen van de jaren negentig bewaarheid zullen worden. In bijna één op twee Belgische huishoudens is een computer terug te vinden en circa twee op tien heeft thuis een internetaansluiting.

Dat laatste is op zich nog bijzonder weinig, maar het is de snelheid waaraan nieuwkomers zich aanbieden, die boekdelen spreekt. Dat is ook voor de verspreiding van de mobiele telefoon het geval. Op korte tijd is de gsm een massaproduct geworden dat bij circa de helft van de Belgische huishoudens is terug te vinden. Vermits ook jongeren er gretig gebruik van maken, doen meerdere gsm’s hun intrede in het huishouden. En die jongeren maken dan weer massaal gebruik van hun gsm om te sms’en. Blijkbaar is ons dagelijkse leven ingrijpend aan het veranderen door het toenemende bezit en gebruik van ICT (Informatie- en Communicatie Technologie). Maar is dat wel zo? Is er werkelijk iets nieuws onder de zon?

Kwaliteit

In eerste instantie is het verkeerd aan te nemen dat de gesignaleerde kwantitatieve trends ook kwalitatieve veranderingen met zich meebrengen. Het is misschien een dooddoener, maar kwantiteit staat niet gelijk met kwaliteit. Dat blijkt reeds, hoe merkwaardig dat ook mag klinken, uit kwantitatieve gegevens. De cijfers wijzen uit dat er een serieus verschil is tussen het bezit en het gebruik van ICT’s. De videorecorder bijvoorbeeld is bijna in alle Belgische huishoudens terug te vinden, maar wordt slechts in beperkte mate gebruikt door volwassenen. Niet alleen omwille van de gebrekkige gebruiksvriendelijkheid, maar ook omdat mensen uit ervaring weten dat ze nauwelijks de tijd vinden om naar opgenomen programma’s te kijken.
Zo ook dient de explosie van nieuwe ‘gratis’ internetaansluitingen genuanceerd te worden. Recente data wijzen uit dat bijna de helft van deze nieuwe aansluitingen minimaal of niet aangewend worden. De computer die men in huis heeft wordt eveneens niet door alle leden van het huishouden gebruikt, maar vooral door de man des huizes of door de kinderen. Zelfs de mobiele telefoon is voor heel wat mensen enkel belangrijk om bereikbaar te zijn, dus om gebeld te worden. Het toenemende bezit van ICT’s, zowel van hardware (bijvoorbeeld computers) als van software (bijvoorbeeld internetconnectie) is bijgevolg geen voldoende voorwaarde om het dagelijkse leven te wijzigen.

Conservatief

Maar, in tweede instantie, zelfs al worden ICT’s intensiever gebruikt, dan nog hoeft dit niet te betekenen dat er veel nieuws onder de zon is. Uit kwalitatief onderzoek blijkt dat mensen doorgaans op een vrij conservatieve manier omgaan met ICT’s. Dat wil zeggen dat ze niet onmiddellijk geneigd zijn hun gedrag te veranderen. Integendeel, het is de innovatie die zich moet aanpassen. Als er in het huishouden bijvoorbeeld een sterke traditionele sekse-ongelijkheid heerst, dan zal de computer niet in staat zijn om die ongelijke verhouding tussen mannen en vrouwen te veranderen. De computer zal eerder gebruikt worden ter bevestiging van die ongelijkheid. Volgens dat voorbeeld zal de man de computer gebruiken en exploreren, terwijl de vrouwelijke partner zich over het huishoudelijk werk bekommert. Zo ook zal de man zijn uithuizige vrouw op de gsm bellen om te zeggen dat ze naar huis dient te komen omdat hij honger heeft of omdat de baby huilt.
Een ander aspect dat duidt op het in stand houden van de bestaande situatie bestaat er in dat ICT’s niet alleen gebruiksgoederen zijn. Het zijn ook consumptiegoederen geworden. Een gsm dient niet alleen om mobiel te bellen. Het is ook een betekenisvol consumptiegoed. Denk maar aan de marketing, aan het design, aan de vormen en kleuren die mobieltjes vandaag hebben. Zelfs de gewone vaste telefoon is sinds de vrijmaking van de telecommunicatiemarkt een kleurrijk consumptiegoed geworden. Ook thuiscomputers krijgen steeds vaker een aantrekkelijk ontwerp.
Consumptiegoederen hebben symbolische betekenissen; men kan er zich mee identificeren of differentiëren. Men kan er een boodschap over zichzelf, over de eigen identiteit (of die van het huishouden) mee uitdragen. ICT’s laten toe te tonen dat je modern bent, dat je mee bent, dat je niet achterblijft. Dat verklaart onder meer bovenvermelde vaststelling dat mensen technologie bezitten zonder ze te gebruiken. Het bezit op zich volstaat om boodschappen over jezelf uit te dragen, of, in het andere geval, het niet bezitten laat toe je af te zetten tegen de digitalisering van het dagelijkse leven. De kommodificatie of verdinglijking van ICT’s is een relatief recent fenomeen, maar daarmee sluiten ze wel aan bij een vertrouwde wereld die gericht is op consumptie. Als consumptiegoed zijn ze vrij snel ingeburgerd, maar als gebruiksgoed worden ICT’s in minder gemakkelijke mate geïntegreerd in het dagelijkse leven.

Verandering

Ingrijpende veranderingen van ons leven zijn pas te verwachten in het laatste geval. Werkelijke inburgering van ICT’s wordt ook omschreven als domesticatie. Domesticatie betekent letterlijk ‘temmen, beteugelen, tot huisdier maken’ en dat is wat er gebeurt als ICT het huishouden binnenkomt. De nieuwe technologie dient aangepast te worden aan de structuren, patronen en waarden van het huishouden. Dat houdt in dat ICT’s niet meer als technologische apparaten of als technische machines worden beschouwd, maar als iets natuurlijks, als integraal onderdeel van het dagelijkse leven. Opmerkelijk is dat relatief weinig ICT’s daar aanspraak op kunnen maken.
Als mensen gevraagd wordt om aan te geven welke technologische apparaten ze allemaal in huis hebben, dan worden er twee meestal niet vermeld: de televisie en de telefoon. Dat betekent dat ze gedomesticeerd zijn. Mobiel bellen lijkt ook in de richting van integratie te gaan, niet zo verwonderlijk gezien het een uitbreiding is van de bekende goede oude telefoon. De videorecorder, de computer en het internet daarentegen zijn daar nog ver van verwijderd. Deze invalshoek maakt duidelijk dat werkelijke inburgering van ICT’s veel langer duurt en meer gecompliceerd is dan de vooruitgang van de techniek en de kwantitatieve data doen uitschijnen.
Maar dat impliceert niet dat het dagelijkse leven met de intrede van steeds meer ICT’s helemaal onveranderd blijft. Frequent gebruik van gsm of e-mail bijvoorbeeld kan na verloop van tijd de manier veranderen waarop de leden van het huishouden met elkaar of met anderen communiceren. Deze communicatie kan immers in toenemende mate onafhankelijk van tijd en ruimte geschieden. Mensen hoeven zich niet meer tegelijkertijd en/of in dezelfde ruimte te bevinden om met elkaar van gedachten te wisselen. De telefoon was daartoe reeds een aanzet, je kan iemand spreken die zich veraf bevindt. Ook televisie heeft onze perceptie van tijd en ruimte veranderd door de externe wereld de private huiskamer in te brengen.
Recente ICT’s zoals gsm of internet voegen daar onder meer de onmiddellijkheid aan toe. Je kan op het moment zelf communiceren of bereiken wie je maar wil en de verwachting is dat ook informatie overal en altijd te raadplegen zal zijn. Of dat ook een toename van de kwaliteit van ons leven zal veroorzaken, is een andere zaak. Misschien zal het gevolg enkel zijn dat we ons nog meer door het leven gaan haasten. Vanuit dat opzicht ontwikkelen ICT’s zich in wisselwerking met de maatschappelijke evoluties en trends die zich vandaag reeds voordoen. Mocht onze samenleving niet steeds mobieler en individueler worden, dan zou het overbruggen van tijdruimtelijke beperkingen helemaal niet interessant zijn.

Boeiend

Er doen zich overigens ook verrassende wendingen voor. Mensen gaan soms op een heel andere manier met nieuwe ICT’s om dan vooropgesteld of verwacht door de aanbieders. Het antwoordapparaat bijvoorbeeld werd oorspronkelijk gepromoot om de bereikbaarheid te verhogen bij afwezigheid. Later blijkt dat men een nieuw gebruik heeft uitgevonden, namelijk het screenen van inkomende telefoongesprekken als men thuis is. Dat gebruik verhoogt de controle over inkomende telefoontjes en verplaatst de macht van beller naar ontvanger. Het is immers juist de onwetendheid over de identiteit van de beller die maakt dat mensen zeer moeilijk een rinkelende telefoon kunnen negeren.
Naast nieuwe gebruiken van bestaande toepassingen, komt het ook voor dat gebruikers onverwachte toepassingen oppikken. Het sms’en (tekstberichten via gsm) is daar een goed voorbeeld van. Het is geëvolueerd van een weinig succesvol bijproduct van gsm tot een nieuwe, zeer populaire communicatiepraktijk bij jongeren. Dat illustreert hoe moeilijk het is het succes van nieuwe diensten te manipuleren of te voorspellen. In combinatie met hoger vermelde voorbeelden en argumenten toont het ook aan dat innovatie een samenspel is van continuïteit en veranderlijkheid. De uitkomst van dit samenspel is onzeker. Dat maakt vernieuwing juist zo boeiend.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 9 (november), pagina 31 tot 33