Abonneer Log in

Versnipperd onderzoek

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 10 (december), pagina 37 tot 41

,,Ik ben een bevoorrecht man’’, schreef mijn VUB-collega Kris Deschouwer in De Standaard van 9 oktober 1999. Bevoorrecht omdat hij toen voor een jaar verbonden ging zijn aan het prestigieuze Europees Universitair Instituut in Noord-Italië en daar onderzoek kan doen over zijn favoriete thema, de partijvorming in Europa.

En bovendien, zo schreef hij, is de koffie in Noord-Italië beter en zijn de vergezichten mooier dan wanneer hij naar zijn werkplek in Brussel wandelt.
Gelijk heeft hij en ik gun het hem van harte: de aangename werkomgeving, de lekkere koffie, het goede klimaat en de inspirerende vergezichten. Nu, ik moet ook niet klagen, want ik was ook bevoorrecht. Wat het weer betreft zelfs een beetje meer. In Sevilla, waar ik de afgelopen twee jaar visiting scientist (bezoekend wetenschapper) was, regent het zelden. En elke ochtend wanneer ik naar mijn bureau reed, had ik een zicht op een magnifieke stad die haast barst van een rijke geschiedenis. De Moren hebben er 700 jaar rondgehangen en er een stijlvolle architectuur achtergelaten. De grote schilder Velasquez is er geboren en verpersoonlijkt in zijn werk wat de Nederlandse historicus Chris van der Heijden naar mijn gevoel heel typerend de ‘zwarte renaissance’ heeft genoemd. Een heropleving weliswaar, maar van het mysticisme.
En vanaf de Guadalquivir (of Rio Grande in het Castiliaans) vertrok Colombus, eerder navigerend op geloof en gevoel dan op redenering en berekening, om India te vinden en uiteindelijk Amerika te ontdekken. Misschien dat het eten in Sevilla culinair wat minder indrukwekkend is dan bij mijn collega in Toscanië, maar voor de rest: ay hombre!, como la vida era muy buena! Qué allegria de vivir en Andalucia! Laat ik het, wat de niet-wetenschappelijke geneugten betreft, daar bij houden.

Wetenschap

Het wetenschappelijke plezier dan maar. Het instituut waar ik tijdelijk werkte, het European Institute for Prospective Technological Studies (IPTS), houdt zich exclusief bezig met wat in België steeds minder mogelijk wordt: grootschalig, geïntegreerd en multidisciplinair onderzoek naar de sociaaleconomische gevolgen van technologie op middellange en lange termijn. In mijn geval gaat het om informatie- en communicatietechnologieën, en dat met het oog op beleidsondersteunende prospectie. Op het IPTS werken een paar dozijn academici uit de hele Europese Gemeenschap in zeer nauw overleg samen met beleidsmakers en voor een stuk ook met de industrie, om uit te vinden wat over 5 à 10 jaar de beleidsuitdagingen ter zake voor de Europese Unie zullen zijn.
Alleen al die vermenging van beleid, academie en industrie werkt zeer stimulerend. Het noopt de onderzoekers tot realisme en nodigt de industrie en beleidsmakers uit tot avontuur. Te weinig vindt men deze osmose, die zeker ook weer niet allesbepalend moet zijn, terug in België. Maar vooral had ik daar eindelijk tijd om dat te doen wat me altijd al voor de universiteit deed kiezen: onderzoek. Tijd is het wat op mijn werkplek in België alsmaar schaarser wordt. En daardoor wordt het onderzoek meer een vrijetijdsbezigheid.
Want in ons huidige systeem wordt een hoogleraar niet alleen geacht (veel) les te geven, hij/zij moet ook, al dan niet expliciet, in (veel) commissies zetelen, de universiteit (zo veel mogelijk) naar buiten uitdragen, liefst (zo veel mogelijk) internationaal netwerken, zelf de eigen boekhouding grotendeels bijhouden, zelf personeel aantrekken, (veel) brieven schrijven over allerlei zaken die weinig met onderwijs of onderzoek hebben te maken (zoals het vragen van offertes voor pc’s tot nieuwe gordijnen toe), zelf de goedkoopste reisformules uitzoeken en de boekingen afhandelen, enzovoort. Allemaal dingen waar ik in beperkte mate plezier aan kan beleven, maar die er in permanente want structurele overdosis toe leiden dat het eigenlijke werk, de roeping zal ik maar zeggen, steeds meer tussendoor moet gebeuren: namelijk goed onderzoek doen en daaraan verbonden hoogstaand onderwijs verlenen.

Bevoorrecht

Ik ben nog maar recent hoogleraar, maar mijn collegae verwittigen me dat het van dan af alleen maar erger wordt. Ik dacht eerder dat eenmaal dat niveau bereikt, ik me opnieuw vooral aan het onderzoek zou kunnen wijden. Opnieuw, want wie tot hoogleraar benoemd wil worden, moet eerst terecht bewijzen dat te verdienen nietwaar. En dat betekent: veel doceren, veel vergaderen, veel representeren, een onderzoekscentrum opbouwen, in allerhande commissies gaan zetelen, met chartervluchten naar congressen gaan of gordijnen ophangen. Al die dingen hoefde een onderzoeker in Sevilla niet te doen.
Inderdaad, bevoorrecht zijn heeft niet alleen te maken met het goede weer en de lekkere koffie. Dat nam ik er echt maar bij. Het heeft in de eerste plaats te maken met de optimale werkomstandigheden. Perfect waren ze niet - verre van - maar ze waren wat mij betreft, samen met mijn beurstijd bij het toenmalige NFWO, de beste waarin ik ooit heb gewerkt. En dat houdt verband met drie dingen die in universitair Vlaanderen problematisch geworden zijn, en waar ik bij bestendiging van het beleid geen verandering en dus zeker geen verbetering in zie.
Ten eerste zijn de onderzoekers in Sevilla zowel administratief als infrastructureel uitstekend omkaderd. Om maar iets te zeggen: een equipe van 5 specialisten doet niets anders dan ervoor zorgen dat het instituut (met ongeveer 120 mensen) inzake computers, netwerking en software constant up to date is en dat voor elk individueel probleem nagenoeg onmiddellijk een oplossing is. Ik moet daar helaas tegenover stellen dat op de VUB weliswaar ook een paar specialisten zich de ziel uit het lijf lopen met hetzelfde doel, maar dat het daar dan wel om meer dan 1000 gaat. Die professionele omkadering, die naar mijn gevoel niet alleen in mijn eigen universiteit maar in alle universiteiten zeer beperkt is, maakt dat men zich hier echt kan concentreren op het essentiële. Gemiddeld wordt niet meer gewerkt dan door de gemiddelde academicus bij ons, er wordt gewoon meer uit de normale werktijd gehaald.

Schaalvoordeel

Maar productiviteit is niet alleen een functie van omkadering. Ten tweede is in Sevilla ook een vrij grote groep specialisten op één plek verzameld. En dat niet alleen in mijn gebied, want met zoveel waren we daar nu ook weer niet. Op de gang vond ik specialisten in demografie, transport, kennisbeheer, webarchitectuur, industriële economie, dataprotectie, enzovoort. Van zowat elke sub-domein waarover ik iets wil weten liep er wel iemand rond die het allerlaatste artikel in zijn vakgebied heeft gelezen. En die, omdat die ondersteunende omkadering ook voor hem werkt, meestal tijd heeft om erover te praten.
Dit schaalvoordeel, of zo men wil deze kritische massa, wordt terecht door Kris Deschouwer naar voor geschoven als het grote probleem van de Vlaamse onderzoekscultuur. Want inderdaad, in de moderne sociale wetenschap - ik praat voor het gemak alleen over mijn vakgebied, maar het gaat voor zover ik weet zeker ook op voor de “harde” wetenschappen - is het eigenlijk noodzakelijk geworden om in relatief grote groepen te werken. De tijden van de individuele vorser die dag na dag de steekkaartenbakken van de Albertina (die instelling met die afgrijselijke service die de Koninklijke Bibliotheek moet voorstellen) uitpluist, lijken me definitief voorbij. Ten minste voor wie zijn referentiepunt internationaal legt en voor wie wil meedraaien in de mondiale wetenschapsbeoefening. Twee criteria die me onontkombaar lijken.
Zowat alle onderzoeksdomeinen zijn immers meer veelzijdig, complex én competitief geworden zodat vandaag een minimum aan collegae - en dus schaal - nodig is om ook maar enigszins behoorlijk en bij de tijd te kunnen werken. Hoeveel dat minimum is, hangt ervan af, maar het is zeker meer dan de 4 voltijds proffen die mijn departement in Brussel telt. En het is zeker ook meer dan de 6 van Leuven, de 8 van Gent, de 2 van de UIA en die ene van de KUB. Misschien is er ondertussen ergens iemand bijgekomen, maar het blijft toch illustreren hoe pathetisch klein de onderzoekspopulatie in mijn vakgebied aan élk van onze instellingen is.
Als we nu eens al deze voltijds docerende communicatiewetenschappers in Vlaanderen samen zouden zetten, dan komen we al bescheiden in de buurt van wat een kritische massa zou kunnen betekenen. En als we al onze, naar ik schat 2000 studenten ook bij mekaar zetten dan hebben we een departement dat groter is dan 2 van de huidige 5 universiteiten. Tot spijt van wie het benijdt maar ter lering van het beleid (ratio studenten-personeel)! Al was dit maar even terzijde.

Grenzen

Dat betekent zeker niet dat ik pleit voor één Universiteit Vlaanderen. Maar ik pleit wel voor schaalvergroting door concentratie van het bestaande, en door specialisatie over de grenzen van de instellingen heen. Een beetje in de geest van wat de EU-commissaris voor Onderzoek, onze landgenoot Philippe Busquin, voorstelt in zijn concept van een European Research Area. De discussie of er al dan niet instellingen te veel zijn in Vlaanderen, is daarbij - zoals De Schouwer ook opmerkte - zelfs totaal naast de kwestie.
Waar gaat het dan wel om? Om de vraag hoe we schaal kunnen creëren op die gebieden die voor Vlaanderen van belang zijn (wat een politiek debat is), en hoe we dat kunnen doen over het hele palet van alle instellingen heen. Waar het dus niet om gaat is hoe we 4 of 5 volledige instellingen parallel kunnen handhaven. En dan betrek ik daarbij niet eens de hogescholen die straks ook in dit orkest van multiplicatie zullen meespelen. Want van het een komt het ander: als de hogescholen de status van universiteit krijgen, moeten ze ook volwaardig kunnen meedraaien in onderzoek. En als de pot middelen daartoe niet groeit, of slechts marginaal, dan is het logische gevolg dat de verspreiding ervan nog dunner wordt dan nu al het geval is.
Maar als we nu eens de equipes van de huidige hogescholen laten fusioneren met die van de universiteiten, dan krijgen we net het omgekeerde. Ik wil dus best praten en dromen over een gemeenschappelijke onderzoeksschool in mijn gebied in Brussel met de collegae van Erasmus, EHSAL en Vlekho. En als we dan toch de regionale paramater handhaven, waarvan ik de relevantie niet echt goed inzie, maar goed, dan wil ik daar zeker ook de KUB en zelfs de ULB bij betrekken. Voor mijn part, België is uiteindelijk amper een land groot, praten we met Limburg of Kortrijk.

Tribalisme

Maar ja, dat is natuurlijk allemaal gemakkelijk gezegd, als visiting scientist. Want zoals collega Deschouwer het stelt: als we dat noodzakelijke proces van concentratie en selectie aan de universiteiten of hogescholen zelf overlaten, dan gebeurt er waarschijnlijk helemaal niets. Omdat nu eenmaal niemand graag in zijn eigen voet schiet, of over de eigen instelling zal stellen dat departement X of Y niet meer hoeft, of kan opgaan in instelling Z. Van binnenuit zal het universitaire tribalisme dus niet doorbroken worden. Wie dat gelooft, is wel erg naïef.
En toch zal het er ooit van moeten komen. Want schaal vergemakkelijkt de noodzakelijke multidisciplinaire aard van het moderne onderzoek; een derde reden waarom ik het in Sevilla zo naar mijn zin had. In mijn eenheid zaten naast mezelf een ingenieur, een software-specialist, een geograaf, een econoom, een politoloog, een paar economisten en een historicus. En zo hoort het ook. Niet alleen moet er genoeg kritische massa zijn om de actuele vraagstukken uit de sociale wetenschap te kunnen aanpakken, die schaal moet ook, dat is althans mijn overtuiging, uit verschillende specialismen zijn samengesteld.
Modern onderzoek wordt steeds meer door problemen gedreven dan dat het disciplinematig wordt voortgestuwd. De meeste van mijn collegae zullen het daarmee eens zijn. Iedereen zal ook beamen dat multidisciplinair samengestelde equipes eigenlijk een conditio sine que non zijn om deze complexiteit aan te kunnen. Maar niemand heeft een antwoord op de vraag hoe we dat dan in concreto kunnen organiseren. Om de heel eenvoudige reden dat onze hele universitaire structuur en groeidynamiek bepaald wordt door, zeg maar, disciplinair tribalisme.
Daarmee wil ik zeggen dat de benoemingen en de verdeling van middelen wel discipline-, maar niet probleemgebonden gebeuren. En aangezien in de huidige verzuilde concurrentielogica elke universiteit zo veel mogelijk alles zelf wil aanbieden en elke discipline nu eenmaal een minimum aan mensen en middelen nodig heeft opdat ze kan functioneren (zelfs al telt ze nauwelijks studenten en is haar onderzoek ondermaats), verklaart dit waarom het Vlaamse landschap zo versnipperd is.

Meetellen

Beide vormen van tribalisme, als rechtstreekse emanaties van de verzuiling, zouden we zo snel mogelijk moeten doorbreken. Om de onderzoeksdynamische redenen die zonet werden uitgelegd - schaal en multidisciplinariteit - maar ook en misschien wel vooral, om in de deze eeuw nog mee te tellen. Het klopt toch niet dat fantastische initiatieven zoals de Flanders Language Valley, en dan heb ik het duidelijk enkel over de technologie, nauwelijks mensen van eigen vorming kunnen aantrekken omdat ons systeem hen niet heeft afgeleverd. Want naast versnippering is inertie voor nieuwe opleidingen het kenmerk van een verzuild systeem. Nieuwe initiatieven gaan immers altijd ten koste van de bestaande - en ook hier geldt dat niemand graag zichzelf opheft.
Nu ja, ik hoor het terug: daar ver weg in geprivilegieerde instellingen is dat allemaal gemakkelijk bedacht. Daar is iets van. Een diagnose stellen is meestal eenvoudiger dan de oplossing aanbieden. Maar dat er een oplossing moet komen voor het Vlaamse universitaire tribalisme met al zijn negatieve gevolgen weet ik zeker. Wie denkt dat in de toekomst argumenten als “vrijzinnig, katholiek, regionaal, totaal pakket aanbiedend, Vlaams, Waals, Brussels of wat dan ook” doorslaggevend of zelfs maar belangrijk zullen zijn voor het aantrekken van studenten, is naïef.
Als ik rondkeek op IPTS, dan stelde ik vast dat de meeste jonge collegae niet alleen multidisciplinair getraind en meertalig opgeleid zijn, maar ook nog in verschillende landen aan verschillende universiteiten hebben gestudeerd en gewerkt. En vooral, dat daarbij hun enige leidraard de kwaliteit was. En dan weet ik het wel: mocht ik herbeginnen dan ging ik zeker niet meer alleen naar de infodagen van Leuven. Op mijn college van toen was er, o dierbaar land van bekrompenheid, zelfs in de jaren ‘70 inderdaad nog geen sprake van andere instellingen. Nee, mocht ik vandaag herbeginnen, dan zou ik me zeker ook informeren over studeren in Delft, Bretagne of London. Plekken die vandaag excellent zijn in mijn vakgebied.
Want laten universitaire beleidsmakers nu ook eens het schaalnadeel van onze centrale ligging onder ogen zien: vanuit Brussel is men in hooguit 3 uur reizen zo ingeschreven in een aantal Europese topinstellingen. Dat die allemaal concurrenten zullen worden voor het aantrekken van onze studenten leidt geen twijfel. Dat de besten onder hen eerst zullen gaan en daar, gezien de demografische evolutie, allicht nog voor zullen worden betaald, is ook bijna zeker. De vergrijzing van de Europese bevolking en de negatieve demografische groei zal immers vanaf 2010 leiden tot een gebrek aan hooggeschoolden in de meeste Europese landen. Die hooggeschoolden zullen de Europese landen dus bij mekaar moeten halen. En een Vlaamse, vrijzinnige, katholieke, totale, of wat dan ook universiteit zal dat niet tegenhouden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 10 (december), pagina 37 tot 41