Abonneer Log in

Kleine verhalen en geen grote

Een diagnose van een rechtse hegemonie

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 4 tot 7

Ik vertrek in dit essay van een aantal eenvoudige observaties, die allemaal draaien rond de moeilijkheden die verschillende politieke formaties in dit land en elders lijken te kennen wanneer het erop aankomt zichzelf van de tegenstrevers te onderscheiden. Tijdens de verkiezingen in de VS viel dit nadrukkelijk op. Gore en Bush visten in net dezelfde vijver, haalden nagenoeg exact dezelfde themata aan, en konden zich slechts profileren door middel van minuscule stijlverschillen. Ralph Nader beklemtoonde dit keer op keer, en hij wist ook te melden dat beide opponenten door grotendeels dezelfde bedrijven werden gesponsord. Bush of Gore, zo zei Nader, het maakt niets uit.

Dat is ver van huis natuurlijk. Maar het is te makkelijk te doen alsof het ons niet raakt of aanbelangt. Tijdens onze gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2000 viel het al op hoe vrijwel alle partijen precies dezelfde thema’s bespeelden: veiligheid op kop, van dichtbij gevolgd door meer inspraak en betere contacten tussen burger en beleid. Het verschil tussen links en rechts was ook hier vaak een stijlverschil, een verschil in voorgestelde oplossingen. Ten gronde, waar het aankomt op het stellen van diagnoses en het bepalen van prioriteiten, bleken ook bij ons alle partijen samen te zitten op een zakdoek. Hoe dicht ze soms bijeen liggen werd me duidelijk tijdens een gemeenteraadszitting in Mechelen, in november 1998. We stelden daar een migrantenbeleidsplan voor en alle partijen mochten hierover interveniëren. Bart Somers, de voorman van de lokale VLD (en huidig burgemeester van Mechelen) nam er het woord en onderstreepte dat de VLD fundamenteel andere standpunten hanteert dan die van het Vlaams Blok. De VLD was immers tegen een gedwongen terugkeerbeleid van migranten. Daar hield het op, en al de rest was een echo van wat het Vlaams Blok te zeggen had over migranten.
We leven in een rechtse hegemonie en die wordt nog het duidelijkst geïllustreerd door de onmacht van zovele welmenende politici en burgers om het Vlaams Blok tegenwerk te bieden wanneer het gaat over het begrip democratie. Men mompelt dat de partij democratisch verkozen is en daarmee kan men blijkbaar niets anders dan het fundamenteel democratische karakter van die partij erkennen. Het Vlaams Blok is voor zeer velen een partij zoals de andere, zij het dat we niet akkoord zijn met de standpunten van die partij. Van zodra men constateert dat democraten geen weerwerk kunnen bieden tegen extreemrechts wanneer het over democratie gaat, meer nog, dat extreemrechts (het Vlaams Blok, maar ook Haider) een thuiswedstrijd speelt als het over democratie gaat, welnu dan moet men besluiten dat we in een rechtse hegemonie leven.

Twee factoren

Die hegemonie heeft zich doorheen de jaren negentig geleidelijk aan in ons systeem genesteld. Twee grote factoren hebben ze veroorzaakt en/of gestalte gegeven.

Ten eerste: de val van het Oostblok heeft geleid tot een wereldwijde erkenning van de overwinning van een kapitalistisch staats- en samenlevingsmodel en niet omwille van zijn intrinsieke waarde, maar omwille van het failliet van het model van de tegenstrever. Sedert de vroege jaren negentig is de marxistische analyse in diskrediet geraakt en neemt vrijwel elke grote partij de waarde van het kapitalistisch model over als een gegeven dat niet langer in vraag moet worden gesteld. Het neoliberaal triomfalisme in ons land, vertolkt door de Burgermanifesten van Verhofstadt, is in zijn extreme vorm afgezwakt. Maar in de plaats is er een consensus gekomen over de verzoenbaarheid van liberale en socialistische, zelfs ecologische projecten. Dit heeft als effect gehad dat de relatie tussen kapitalisme en democratie niet langer in vraag gesteld wordt. Van die relatie weten we nochtans dat ze complex is en hoegenaamd niet kan gereduceerd worden tot simpele causale modellen. Het is niet zo dat kapitalisme automatisch democratie genereert, en dat men het één moet hebben om het andere te realiseren (iets wat men nogal snel gelooft in de context van de derde wereld en Oost-Europa). In ieder geval veronderstelt een onderzoek van die relatie een ideologisch statuut voor democratie, ik kom hier straks nog op terug.

De tweede factor, en één die vaak over het hoofd wordt gezien, is de zeer snelle ontwikkeling van massacommunicatietechnieken in de jaren negentig. Het afgelopen decennium is het decennium van de massacommunicatie, met gigantische veranderingen op wereldschaal veroorzaakt door het internet en door verschuivingen in de internationale media-economie - verschuivingen die zich ook in ons land lieten voelen. Waar bij de aanvang van het decennium Wilfried Martens nog stond te pronken met zijn Bistel-systeem, hebben alle ministers, regeringen en politieke partijen nu websites, die vaak worden voorgesteld als nieuwe instrumenten van participatie en inspraak. De jaren negentig zijn de jaren van het opinieonderzoek en de marktstudie en hoewel weinig in dat decennium echt is uitgevonden kan men moeilijk naast de reusachtige versnelling en schaalvergroting kijken van mediatiseringsprocessen in die periode.
Ogenschijnlijk gaat die tweede factor enkel over de vorm, niet over de inhoud. Maar dat is nu net een grote misvatting. Door de ontwikkeling van nieuwe technieken voor mediatisering worden nieuwe instrumenten geboden voor politieke massacommunicatie. De symbiose tussen politiek en massacommunicatie is opmerkelijk. Ze leidt tot een nieuw populisme dat zich ent op ideaalbeelden van marketing voor politiek en daarin net zoals bij productreclame de klemtoon legt op esthetisering, suggestie, implicietheid, snelheid en proliferatie doorheen verschillende genres van politieke boodschappen. (Wie hiervan de voorlopige hoogtepunten wil zien kan een kijkje nemen op de website van senator Van Quickenborne.)
Twee zaken zijn hierbij van belang. Eén, dit nieuwe populisme herschept de politiek, het schept nieuwe mogelijkheden om zich politiek te profileren en het schept nieuwe themata (denk aan veiligheid als uitwas van de zaak Dutroux, met Verwilghen als voornaamste themadrager). Het is dus niet enkel een vormkwestie: het tast het wezen zelf aan van politiek. Twee, deze ontwikkeling van massacommunicatie ent zich op de kapitalistische hegemonie die we daarstraks bespraken. Samen zorgen ze voor een aantal nieuwe formaten in de politiek, allemaal gebaseerd op een associatie van de vrije markt, democratie en bedrijfstechnieken (management zowel als massacommunicatie). Goede democratie is er één die de vrije markt emuleert en om dit te verwezenlijken hanteert men modellen uit het bedrijfsleven.

Directe democratie

Beide factoren leiden tot een belangrijke verschuiving, die we kunnen samenvatten als het vervangen van een ideologisch begrip van democratie door een ander begrip: directe democratie. In ons land leggen de Burgermanifesten daarvoor de grondslagen, met hun aanvaarding van een neoliberaal model als uitgangspunt en hun definitie van de kloof tussen burger en politiek als een gevolg van de restanten van niet-kapitalistische ideologie in ons systeem. In de Burgermanifesten brengt Verhofstadt de metafoor van de vrije markt als democratie in werking: een democratie zal maar deugdelijk zijn indien ze eruit ziet als een - sterk geïdealiseerde - kapitalistische vrije markt, met aanbieders en verbruikers, en met marketingrelaties tussen beide. Het maatschappelijke middenveld is een obstakel (de tirades tegen de vakbonden en de ziekenfondsen staan ons nog voor de geest), de band tussen beleidsman en burger moet een directe band zijn, gebaseerd op rechtstreekse, ongefilterde inspraak. Voor meneer De Vos zal Verhofstadt een democraat zijn wanneer de heer De Vos zijn eigen woorden uit de mond van Verhofstadt hoort rollen.
Politieke, democratische legitimiteit wordt in de jaren negentig steeds vaker ingevuld als nabijheid: afwezigheid van ruimtelijke, zichtbare maar ook conceptuele en emotionele afstand tussen beleidsmensen en individuele burgers. Elke partij heeft een website, zei ik al, en op elk van die websites heeft men reactiepagina’s, e-mailadressen en dergelijke meer die dit soort direct en identificeerbaar contact tussen burger en beleid mogelijk maken. Alle grote partijen hervormen zich in de jaren negentig, en de hervormingen houden allemaal antwoorden in op die vraag naar nabijheid.

De drang naar nabijheid heeft twee duidelijke effecten. Ten eerste: beleidsmensen ondergaan een transformatie en lijken de neiging te hebben steeds meer van zichzelf te laten zien. Het schoolvoorbeeld is Bert Anciaux natuurlijk, van wie we nu al vrijwel elk detail van zijn privéleven kennen, en van wie we blijkbaar moeten aanvaarden dat die dingen bijdragen tot een beter begrip van zijn politieke opvattingen. Ik noem dit proces ‘clintonificatie’, omdat we van Bill Clinton uiteindelijk zelfs de lengte van zijn lid kenden. Het tweede effect is vox populisme, een populisme dat uitgaat van een absoluut respect voor de individuele, herkenbare stem des volks. De grootste politieke legitimiteit lijkt te liggen in individuele verzuchtingen van individuele mensen. Enkel indien het beleid hierop een antwoord kan geven is het beleid democratisch-legitiem. Merk op dat dit vox populisme intussen ook cultureel wordt ondersteund. De laatste jaren is er een wildgroei aan amusementsprogramma’s waarin de ‘gewone man’ zijn politiek of ander gedacht mag zeggen, of, om politiek jargon te hanteren, zijn ware verzuchtingen mag uiten. Denk aan Jan Publiek, waarin een dwarsdoorsnede van de Vlaamse bevolking wekelijks de hete hangijzers mocht bespreken. Het model is dus wijd verspreid en wie niet meteen wenst te aanvaarden dat deze toogpraatjes voldragen politieke analyses zijn, wordt snel beschuldigd van ‘minachting’ voor ‘wat de gewone man denkt’ of zelfs voor ‘de legitieme klachten van de burger’. De zaagcultuur is geboren en het grote voordeel is dat ze uitstekend mediatiseerbaar is. Even goed mediatiseerbaar is het nieuwe genre van politieke praatprogramma’s zoals De Laatste Show, waarin de politici hoofdzakelijk als BV optreden en niet als beleidsmensen.

Enkele problemen

In dit vox populisme gaat men er vanuit dat de ware verzuchtingen van de burger ongefilterd zijn, steeds volmaakt authentiek zijn en volkomen vrij circuleren in de samenleving. Alweer zien we hier een metafoor van de consument in de ideale vrije markt: ongehinderd, steeds kiezend in luciditeit en redelijkheid. Net zoals men in die consumentenideologie suggereert dat de ware economische analyse tussen de rekken van de GB te vinden is, gaat men er hier van uit dat de ware politieke analyse van de straatstenen op te rapen is.
Ook hier zien we hoe weinig besef men nog heeft van de werking van ideologie. De stem des volks is oneindig aangetast door dominante waarden, gewoonten en laat ons niet vergeten, door politiek discours. Het Vlaams Blok heeft duizenden mensen leren spreken, letterlijk, over veiligheid, migratie en politiek. Die stemmen zijn dus niet neutraal, niet ongefilterd, enzovoort, maar door-en-door ideologisch en zwaarbeladen met allerlei politieke invloeden. Daardoor komt het dat wie zoekt naar de ware verzuchtingen van de burger snel op een heel klein reeksje onderwerpen uitkomt: precies die onderwerpen die centraal stonden bij de gemeenteraadsverkiezingen. Het probleem is niet het kleine reeksje, wel het statuut dat men eraan geeft: dat van echte, authentieke en eerbiedwaardige ‘problemen’ van mensen. Vaak zijn het aangeleerde discours, niets meer en ze weerspiegelen de beste reclame: die van rechts.

Wie een politiek afstemt op die ware verzuchtingen merkt tot z’n verbijstering dat de politieke tegenstrever op precies hetzelfde terrein zit. Het middenveld raakt overbevolkt heet dat en men raakt er maar van af door die ware verzuchtingen terug doorheen de bril van ideologie te gaan zien. Het vox populisme heeft in de jaren negentig aanleiding gegeven tot een zeer grote opeenhoping van politieke partijen rond dezelfde themata en die themata zijn de nieuwe verhalen geworden. Bij gebrek aan grote verhalen zijn het kleine verhalen en die hebben een rechtse dictatuur gevestigd.

Besluit

Nu terug naar het vertrekpunt: hoe komt het dat we geen weerwerk hebben tegen extreemrechts wanneer het aankomt op het definiëren van democratie? Het antwoord is: omdat we democratie niet meer zien als een ideologie, maar als iets wat door precieze en duidelijke interactieprocessen tussen individuele mensen moet georganiseerd worden. We hebben democratie gedefinieerd als een reeks technieken van massacommunicatie en als een gedragscode voor politici. We zien het niet meer als een systeem dat steeds moet teruggevoerd worden op een moeilijke relatie met kapitalisme. En door deze analyse op te geven, hebben we de vrije baan gegeven aan formele invullingen ervan. Invullingen waarvan we dan achteraf constateren dat ze het best en het meest gezaghebbend worden gegeven door rechts.
Als er een opdracht is voor de sociaaldemocratie in verband met rechts populisme, dan moet die mijns inziens bestaan in het onderzoeken van de eigen ontwikkeling in de jaren negentig. Mijn voorgevoel is dat de sociaaldemocratie zal moeten constateren dat ze zelf uitbundig meedraait in een ontwikkeling die we nu, nogal artificieel, als rechts bestempelen. Het alternatief is het heruitvinden van een groot verhaal, één dat analyse voorstelt en leiding opeist - ironisch genoeg precies datgene wat een goed bedrijf doet, ook al beweert het het tegenovergestelde.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 4 tot 7