Abonneer Log in

Examens... en democratische oprispingen

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 2

Een korte warmteopstoot. Uitgedoste studenten. Overconsumptie van multivitamines en minder onschuldige oppeppers. Bezorgde vaders en moeders, en thans ook grootouders. Jong Vlaanderen wordt gekweld door examenkoorts. Met dezelfde jaarlijkse regelmaat berichten de kranten dan weer over de lage slaagcijfers in het hoger onderwijs. Voor slechts één op de twee eerstejaars is er na de deliberatie witte rook. Wie zal daar, behalve klagen, nog eens iets aan doen?

Echter, men kan niet alles tegelijk willen. Als er een politieke wil zou bestaan om aan de slaagkansen van de eerstejaars daadwerkelijk iets te doen, dan liggen maar drie wegen open. Men kan het studiepeil verlagen. Men kan de didactiek en de studiebegeleiding verbeteren. Men kan de instroom proberen te beheersen.
Het studiepeil verlagen: dat kan geen optie zijn. De studiebegeleiding optimaliseren: uiteraard, men probeert het al jaren. Alleen heeft het intensifiëren van de begeleiding geen noemenswaardige invloed op de slaagcijfers: vooral goede studenten lijken er (bijkomend) voordeel uit te halen. Dus toch maar een ingangsexamen?
Het ingangsexamen lijkt een taboe voor de publieke opinie: het zou de democratisering van het onderwijs in gevaar brengen!
De democratisering van het onderwijs moet een politieke prioriteit zijn, of beter - zo wil ik straks betogen: een politieke prioriteit worden. Onder democratisering versta ik dat iedereen kan studeren in de richting en op het niveau waarvoor hij of zij bekwaam is. Of negatief: dat niemand omwille van politieke of ideologische overtuiging, omwille van lichamelijke kenmerken of geslacht, omwille van economische en sociale motieven uitgesloten wordt van een studie waarvoor hij of zij de capaciteiten bezit. Of de overheid in functie van overvloed of tekorten op de arbeidsmarkt de instroom moet regelen, laat ik hier buiten beschouwing. Voor déze democratisering, geen nivellering, dienen we met hartstocht op te komen.
Alleen argumenteren de tegenstanders van een ingangsproef dikwijls alsof deze democratisering (grotendeels) verworven is en alleen nog moet verdedigd worden. In werkelijkheid is het triest gesteld met de democratische toegang tot het universitair onderwijs! De grote toestroom van studenten tijdens de laatste decennia was geen gevolg van een sterkere recrutering in de lagere sociale groepen: hun participatiegraad bleef, ondanks alle retoriek en goede bedoelingen, vrijwel constant. Wél zijn de meisjes sterker vertegenwoordigd, … en allicht ook het aantal zwakke studenten uit de midden- en hogere sociale groepen. Leraars uit het middelbaar onderwijs kunnen getuigen hoe zwakke leerlingen, in tegenstelling tot vroeger, nu ‘toch maar eens hun kans wagen, je weet maar nooit’. Aangezien de uiteindelijke slaagcijfers in een globaal zwakkere studentenpopulatie identiek bleven, is het dan uit de lucht gegrepen als ik vermoed dat het studieniveau sowieso al lager is komen te liggen? En dat veel personeel en middelen gaan naar deze groep van relatief begoede, maar intellectueel zwakke studenten?
De democratisering van het onderwijs hoeft niet te betekenen dat men de poorten ongecontroleerd open laat. Is het hoger onderwijs in Frankrijk, met zijn traditionele van staatswege georganiseerde baccalaureaat, dáárom minder democratisch? Ook blijken daar waar een ingangsexamen plaats vindt (b.v. bij de ingenieurs, en in geneeskunde, waar het om ándere redenen ingevoerd werd en voor verbetering vatbaar is) de slaagcijfers spectaculair te stijgen. Men kan de slaagdrempel van een ingangsproef ook redelijk definiëren, zodat bij voorbeeld slechts de 20% zwakste, d.w.z. totaal kansloze, kandidaten de toegang geweigerd wordt.
Zolang een veralgemeend ingangsexamen politiek niet bespreekbaar en emotioneel onmogelijk blijft, zou dan niet voorlopig en als experiment een oriëntatieproef, met een sterk adviserende strekking, kunnen ingericht worden? Er circuleerden ooit voorstellen in die aard, de zogenaamde ‘Chrysostomos-proef’ in december voor laatstejaars middelbaar onderwijs.
Er moeten ook inspanningen gebeuren om de studiekeuze intenser te coachen. Terwijl de leraars middelbaar onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB, vroeger PMS) het best geplaatst zijn om de capaciteiten van hun leerlingen in te schatten, blijkt hun invloed op de studiekeuze allerminst navenant te zijn.
Het invoeren van de nieuwe structuur in het hoger onderwijs heeft al veel debatten uitgelokt. Er zijn alle redenen om de Bologna-verklaring en haar implementatie in het Vlaamse onderwijs kritisch op te volgen, daar is ook in Samenleving en Politiek op gewezen. Maar misschien biedt deze onderwijshervorming ook kansen qua democratisering. Als de samenwerking binnen het hoger onderwijs, d.w.z. tussen het niet-universitair en het universitair onderwijs, intenser wordt; als de overstap, na drie jaar, van een Bachelor, ook als die in het niet-universitair onderwijs behaald is, naar een (universitaire) Master vlot kan gebeuren, dan hebben de studenten de kans om later nog op de universitaire trein over te stappen: minder begoede jongeren, die nu vaak kiezen voor het hoger onderwijs buiten de universiteit, krijgen zo een tweede kans. Als het onderwijs modulair opgebouwd wordt, met een kredietsysteem, kunnen ze hun eigen studietempo uitstippelen, eventueel een werksituatie combineren met een opleiding. Liever dan voor een afwijzing, zou ik ervoor pleiten een (overigens onafwendbare) beweging in een sociale zin om te buigen…
Onlangs werd beslist een zogenaamde Joker-beurs in te voeren, een studiebeurs om een bisjaar of een bijkomend studiejaar te financieren. Zo stimuleert de overheid studenten die niet slagen, om hun eerste jaar over te doen: tenzij het mislukken te wijten was aan ziekte of aan overmacht, lijkt me dat weggegooid geld! Minder begoede studenten middelen bieden om hun studie-ervaring te verrijken, b.v. met een buitenlands programma of een bijkomend diploma, dat is wél een zinvolle politiek. Het systeem van studiebeurzen moet in die zin geheroriënteerd worden.
De sociale selectie begint heel vroeg, in de eerste jaren van het lager onderwijs en zelfs reeds in de kleuterklas. Hier zijn middelen nodig om de achterstand zo vroeg mogelijk te detecteren en via zorgverbreding te remediëren. Het blijkt ook dat arme gezinnen het bijzonder lastig hebben met de overvloed aan initiatieven die er genomen worden: uitstappen, bos-, sneeuw-, boerderijklassen. Daar zou de school een evenwichtige keuze moeten maken. En zou men niet kunnen denken aan een studiebeurs voor het lager onderwijs? Liever moet het lager onderwijs kosteloos kunnen georganiseerd worden.
Straks is het vakantie, dan is alle leed achter de rug. Wie maakt zich dan nog zorgen over de geringe slaagcijfers? Dus tot volgend jaar, tot de volgende zomerwarmte en de volgende democratische oprisping.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 2