Abonneer Log in

De journalistiek heruitvinden

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 18

De Vlamingen vertrouwen hun pers niet. Zoals de politiek, reageerde ook de pers daar jarenlang zeer simplistisch en paniekerig op. Eerst had het ‘klootjesvolk’ het niet begrepen, daarna werd het heilig verklaard. Zoals Guy Verhofstadt tien jaar geleden zetten ook de media de lezer/kijker op een voetstuk. Het besef groeit dat er grenzen zijn aan de debiliteit. Niet die van de burger wel te verstaan, maar van de pers zelf.

_Caliban: ‘You taught me language and my profit on ’t is I know how to curse.
The red plague rid you for learning me your language.’ _ William Shakespeare, The Tempest

Hoe politiek en pers schrokken van de burger die ze maakten

Een verkiezingsuitslag of een politieke populariteitspoll leren de politicus weinig over de samenleving. Politici doen er dan ook fout aan om zich al te veel te laten leiden door de resultaten van zulke peilingen. Toch gebeurt het nog elke dag. In de weken voorafgaand aan de kwartaalbarometer van La Libre Belgique, doen vele politici individueel en partijen in het algemeen hun uiterste best om zoveel mogelijk ‘in de media’ te komen. In de hoop dat de burgers hen ‘gezien’ zullen hebben, zich hen zullen herinneren wanneer de peilers aanbellen. En na de peiling doen ze weer hun uiterste best om de vermeende gunst verder te bespelen. Dat de politiek zoveel gewicht is gaan verlenen aan deze karikaturen van maatschappelijke antennes, komt omdat ze gaandeweg andere, ‘klassiekere’ antennes die ooit hun nut en efficiëntie bewezen, heeft verloren. Twintig jaar geleden konden partijen met vrij veel zekerheid zeggen wie hun kiezers waren, en er hun politiek handelen op afstemmen. Ze wisten hoe die burgers leefden en werkten, wat ze dachten, in welke kringen ze zich ophielden. Zuilen boden die relatieve duidelijkheid. De way of voting vertelde vrij veel over de way of life. De landkaart spoorde vrij goed met het reële landschap. Wat er daarna gebeurde, is bekend. De samenleving ontzuilde sneller dan de structuren. Al waren en zijn er dan vandaag nog altijd katholieken, socialisten en liberalen, hun levenswijzen en waardebeleving, hun milieus zijn niet langer eenduidig. Dat is op zich een neutrale evolutie met even negatieve als positieve kenmerken en appreciaties. De burger werd grilliger, wispelturiger, mondiger, baziger, wijzer en eigenwijzer. Ook de oorzaken vormen een weinig eenduidige cocktail van ongrijpbare, soms snelle soms tragere maatschappelijke veranderingen: meer en veelzijdige scholing voor de enen, minder scholing voor de anderen, meer gelegenheid tot individualisme, meer wereld in het dorp, meer onvoorspelbaarheid in de professionele situatie door een veranderende economie (onder andere door globalisering), meer contacten met andersdenkenden en vreemdelingen door het vervagen van letterlijke en figuurlijke grenzen, meer mogelijkheden en tegelijkertijd meer bedreigingen. De Belgische samenleving werd een eclectisch lichaam met gelijktijdig positieve en negatieve bewegingen, permanent gemengde gevoelens. Of dat proces nu geduid wordt als ‘atomisering’ (negatief) of als ‘ontvoogding’ (positief), ‘volksvertegenwoordiging’ werd er in elk geval moeilijker door. De landkaart verloor haar representatieve kracht, de politicus verloor de weg. En ook op de plaatsen die nog ‘SP’, ‘CVP’ of ‘VLD’ heetten, herkende hij of zij soms de straten, de huizen, de gevels niet meer.

In de loop van de jaren negentig, en wakker geschud door ‘zwarte’ verkiezingsuitslagen, reageerde de politiek daar zeer rudimentair op. Eerst was er een op zich zeer welkome en gezonde reflex: die van de zelfkritiek. De politiek begon haar eigen ‘volksvertegenwoordigend’ vermogen te ondervragen. De oefening werd evenwel snel gehypothekeerd door gejaagdheid en angst. Gejaagdheid omdat er bij deze evoluties een ‘mercantiel’ oogmerk meespeelde en nog altijd: partijen konden steeds minder zeker zijn van kiezers en dus van hun score bij verkiezingen. ‘Vernieuwen’ kon dus niet snel genoeg. Angst omdat de zo objectief mogelijke zoektocht naar het hoe, wat en waarom van de veranderde samenleving vertroebeld werd door de ‘zwarte vlek’ in die samenleving, de kiezersmassa van het Vlaams Blok. Angst zat en zit kennis altijd in de weg. De zoektocht naar een herijkte relatie politiek/samenleving bleef steken in zeer steriele stellingen. Dat is een constante in de Wetstraat, van de ‘burgerdemocratie’ van Guy Verhofstadt tot de Nieuwe Politieke Cultuur. De één verklaarde de kritische, zelfbewuste burger heilig. De ander veroordeelde de egoïstische, onredelijke burger. De burger werd gevierd en verguisd tegelijkertijd. De diverse pogingen om tot een ‘verfijning’ van de politiek en dus de democratie te komen, strandden op een mijnenveld van mythes en karikaturen: tussen de these-Dehaene of de representatieve democratie en de these-Verhofstadt of de directe democratie, tussen de politicus als gids en de politicus als diskjockey. In beide gevallen dacht de burger wijs of eigenwijs, kritisch of gewoon lastig, a-politiek of anti-politiek: ’Voor wie nemen ze mij eigenlijk?’

De pers heeft, zij het met enige jaren décalage, een gelijkaardige evolutie doorgemaakt. Ook de journalistiek is gaandeweg geconfronteerd met een kritischer consequent lastiger publiek dat steeds vaker begon te zeggen: ‘ik geloof je niet’. Pers en politiek hebben beiden de samenleving mee veranderd. Ze liggen aan de basis van de ontvoogding, ze hebben de burger kritischer gemaakt. En die burger, zoals Caliban in The Tempest, is dat kritisch vermogen ook logisch genoeg gaan aanwenden in zijn beoordeling van politiek en pers zelf. Het is ironisch dat beiden zo hebben gefaald in hun inschatting van wat dan de ‘vertrouwenscrisis’ werd genoemd.
Net zoals de vervreemding van de samenleving tegenover de politiek niet is begonnen op 24 november 1991, of zelfs niet een dag of een jaar voor die datum, zo ook is de burger zijn vertrouwen in wat hij las in kranten of zag op televisie niet verloren door één of enkele aanwijsbare ‘incidenten’: niét door de berichtgeving over de zaak-Dutroux en de X-dossiers bijvoorbeeld en niét door andere gevallen van manifest, bewezen feitelijk incorrecte berichtgeving. De pers, zowel als de politiek, heeft een ‘vertegenwoordigende’ of ‘bemiddelende’ functie. De naam zegt het zelf: medium/media. Ook de kwaliteit van de pers hangt af van de mate waarin ze voldoende representatief blijft in de manier waarop ze over de samenleving bericht. En die representativiteit beperkt zich niet tot de oppervlakkige registratie van ‘stemmen’ uit de diverse lagen van de bevolking, maar wordt eveneens bepaald door de kwaliteit van de ‘antennes’ die journalisten in de samenleving hebben. De media doen er dan ook fout aan om zich al te exclusief te laten leiden door kijk- en leescijfers of enquêtes. Net zoals verkiezingen registreren die uitsluitend de oppervlakte. Ook in de media leidden de blijken van verloren vertrouwen - en de cijfers van Mark Elchardus (VUB) bewijzen dat al enkele jaren - aanvankelijk tot een zeer lovenswaardige en noodzakelijke reflex van zelfbevraging. Bereiken we ons publiek voldoende? Wié is ons publiek? Zitten we niet te zeer in een ivoren toren? Er zijn twee aspecten aan dit soort vragen. Een kwantitatief aspect: hoe ‘win’ je kijkers/lezers (publiek dus)? Een kwalitatief aspect: staan we (nog) dicht genoeg bij de samenleving om er ook correct, in alle betekenissen, over te kunnen berichten? Zijn onze antennes nog wel scherp genoeg? Zijn we nog wel mee, om de baseline van een Vlaamse krant om te keren (want die krant, stelde die onbedoeld arrogante vraag aan haar lezers)? Die zelfbevraging viel samen met de evolutie van een meer verzuild medialandschap naar onafhankelijke persorganen, hier eerder inhoudelijk (in de journalistieke geesten en de praktijk) opgevat dan structureel. Nog meer en duidelijker dan voor de politiek geldt voor de media dat de gejaagdheid waarmee ze de afgelopen jaren zijn beginnen te ‘vernieuwen’, en de gunst van kijker/lezer opzochten, deels verklaard wordt door het mercantiele aspect. Minder vertrouwen betekent ook minder kijkers/lezers/klanten. Het kwalitatieve deel van de vraag - over correcte journalistiek - raakte daarmee op de achtergrond, ten voordele van het kwantitatieve: rijf de klanten binnen.
Het is tegen deze achtergrond dat de zenuwachtigheid moet worden gesitueerd die het politieke en journalistieke klimaat van de afgelopen jaren zo kenmerkte. Na de aanvankelijk interessante reflex, als reactie op de interpellatie vanuit de veranderde samenleving via zijn ‘mondige’ burgers, volgde een periode van nerveus en jachtig experiment: democratie en informatieverstrekking stonden in het teken van klantenbinding. Politici en pers zochten hun heil in ‘gimmicks’: het leek hen lange tijd het enige alternatief voor de verder afkalvende, klassieke kanalen van doorstroming tussen samenleving en politiek en media. Ze trachtten de kiezer/klant te ‘geven wat hij/zij zei te willen’ (‘u vraagt, wij draaien’), naarmate ze zich almaar minder verzekerd wisten van de ‘natuurlijke’ vertaling van wat er in de samenleving leefde, in stemgedrag en lees- en kijkgedrag. De relatieve stabiliteit en dus ook voorspelbaarheid van dat gedrag, aansluitend bij de homogeniteit van zuilen en de relatief vaste patronen van levensstijl en milieu in de bevolking, maakte plaats voor willekeur en improvisatie in de relaties politiek/media-kiezer/burger. Dit kan een tijdje goed gaan. Een politicus of een partij kan, door op het juiste moment op de ‘juiste snaar’ te tokkelen, een eenmalige monsterscore halen. Een medium kan met een spectaculair journalistiek aanbod, of met cadeautjes (‘knip en spaar’), een tijdelijke meerverkoop realiseren. Maar het biedt geen stabiele of duurzame basis om aan politiek of aan journalistiek te doen. De maatschappelijke antennes die politiek en media ermee winnen, zijn oppervlakkig en tijdelijk. Dat blijkt ook uit wat wellicht dé paradox van het afgelopen decennium mag heten: de kloof tussen de scores in populariteitspolls en de cijfers van meer diepgravende peilingen over het vertrouwen van de bevolking in politiek en pers. Het spel, wat het is, heeft bovendien zijn grenzen. De balorige burger zal na elke gimmick een volgende gimmick willen, tot hij of zij op een goede dag als een rotverwend kind met één zwaai alle speeltjes van tafel veegt: ‘Ik geloof je niet’, ‘Voor wie nemen ze mij eigenlijk’. De burger achternalopen, naar de mond (proberen te) praten, op zijn wenken bedienen, getuigt uiteindelijk niet van veel respect voor die burger. Daarin verschilt het niet wezenlijk van het vroegere tegendeel: de negatie van die burger. Of hoe vox pop en magister dixit aan elkaar gewaagd zijn als procédés die de vertrouwensrelatie tussen burger en politiek/journalistiek eerder verder verstoren dan versterken.
Al bij al getuigt de wijze waarop politiek en pers hun relatie tot de samenleving en de burgers hebben proberen te ‘herijken’, van een grote onvolwassenheid. De gimmick-politiek en dito journalistiek zijn het product van een niet eens onbegrijpelijke eerste, ondoordachte reactie op ‘iets nieuws’, op evoluties in de samenleving waar men niet meteen - en politiek en pers hebben behoefte aan duiding dag na dag - de vinger kan op leggen. Dat was ook het geval met de eerste lezingen van ‘het signaal’ van 24 november 1991. De ‘kloof met de burger’ werd in de jaren die volgden zeer eng en simplistisch (en ook opportunistisch overigens) uitgelegd en gehanteerd in politiek en media. Het is te vergelijken met de aanvankelijk ook zeer primaire interpretaties van wat Francis Fukuyama met ‘het einde van de geschiedenis’ bedoelde, na de val van de Berlijnse Muur in 1989. Het roept ten slotte ook reminiscenties op aan het zeer steriele debat dat vijftien à twintig jaar geleden losbarstte met de doorbraak van de (commerciële) televisie als massamedium. De eerste lezingen van die evolutie waren aanvankelijk ook zeer infantiel en conflictueus: beeld/televisie is hip en in, woord/boek is out. Het procédé is telkens hetzelfde: het leidt tot modieuze eerder dan moderne ‘antwoorden’, tot hypes eerder dan tot de nodige ‘vernieuwing’, herijking of aanpassing van politiek of journalistiek ten gronde aan de veranderde samenleving. Ook in Vlaanderen is de zoektocht zo jarenlang gehypothekeerd door modieuze boobytraps. In de politiek was de burgerdemocratie zoals ze door Guy Verhofstadt in 1991 werd beoogd er een illustratie van. In de pers was er de hausse in televotingformats en het iedereen-moet-op-tv-fenomeen.

De

boobytraps in de zoektocht om het vertrouwen te herstellen

Gewezen premier Wilfried Martens en gewezen migrantencommissaris Paula D’Hondt zeiden bij de tiende ‘verjaardag’ van Zwarte Zondag in De Morgen: ‘Om maar een klein detail te noemen: na 24 november 1991 waren alle politici het erover eens dat het gedaan moest zijn met de verkleutering in de politiek. Gedaan met deelname aan allerlei platte televisiespelletjes. Nu zijn we tien jaar later en het is nog nooit zo erg geweest.’ De analyse is zo verleidelijk. Het ‘antwoord’ zo verraderlijk voor de hand liggend. Hoe dicht je de kloof met de burger? Door de politicus dichter bij die vermeende burger te brengen, door die burger directer bij de politiek te betrekken. Wat is er verleidelijker dan de op het eerste gezicht sluitende gedachte dat ‘de meest democratische vorm aller democratieën’ de directe democratie moet zijn? De boobytrap is duidelijk: de grens tussen het lovenswaardige en noodzakelijke streven om de politiek in het bijzonder en het nieuws in het algemeen te vermenselijken enerzijds en te verpeupelen anderzijds, of tussen vereenvoudigen en simplificeren is flinterdun. En er zijn allerlei omgevingsfactoren die zowel de politiek als de pers over die grens heen duwen: gebrek aan tijd en ruimte, gedicteerd eerder door commerciële dan journalistieke, electorale dan politieke overwegingen. De fout, of het bedrog dat hier op grote schaal gepleegd wordt, bestaat hierin dat achter de façade van luisterbereidheid en openheid van de politiek/media vis à vis de burger, de onderliggende houding ten aanzien van burger en samenleving er één is en blijft van gebrek aan respect. Het blijft een eenrichtingsrelatie, gecamoufleerd achter de ettelijke vormelijke eerder dan inhoudelijke varianten van inspraak en directheid. De burgers zijn en blijven in dit schema kies- en kijk/leesvee, consumenten, klanten. Mensen die iets ‘willen’ van de politicus of de journalist die iets te ‘bieden’ heeft, en niet vice versa. Omgekeerd is de bescheidenheid in de opstelling van de politicus of journalist (‘Wij brengen maar wat u vraagt!’) schijn. De politicus of de journalist zit in dit spel nog altijd op de troon, zoals in de tijd van het magister dixit. Maar de inzet is veel groter, precies omdat de illusie van betrokkenheid is gecreëerd en de burger de belofte van inspraak heeft gekregen. Als het bedrog uitkomt, het masker valt, is de frustratie des te groter. De pogingen die moesten dienen om het wantrouwen weg te nemen, blijken het dan juist verder gevoed te hebben. In de politiek wordt dit averechts effect bereikt door diverse halfhartige maatregelen zoals ze beproefd of toch op z’n minst voorgespiegeld zijn onder de noemer Nieuwe Politieke Cultuur. Debatten over het referendum bijvoorbeeld baadden en baden steevast in de grootste dubbelzinnigheid: het is een verhaal van ‘willen maar niet kunnen’, of ‘we voelen dat we iéts moeten doen/het is de tijdgeest (modieus), maar we weten niet goed wat, we durven het niet echt aan’. Het potentieel nieuw democratisch instrument wordt vanuit een klassieke, politieke context geduid. Onderliggend in dat soort debatten blijft het beeld van de verhouding politiek-burger zeer stereotiep, en gedateerd: de magister politicus, de actieve bieder en de ontvangende, passieve, vragende burger. De pro’s en contra’s in dat debat worden bijna exclusief bepaald door de mythologie van het burgerschap: pro (voor wie de burger op een voetstuk zet als wijs, mondig en wakker), contra (voor wie in de burger vooral een betweter en een behartiger van het kleine eigenbelang ziet). Bijna nooit is in deze debatten het referendum gezien als een onderdeel van een wederzijds ‘vormend’ democratisch proces, als een element in de exploratie en versterking van maatschappelijke antennes. Bijna altijd werd het, al dan niet uitgesproken, beschouwd als een instrument om een politieke beslissing te legitimeren. Ook in de praktijk werden lokale referenda dan vaak aangewend als een plebisciet waarvan het onderwerp (bijvoorbeeld een mobiliteitsplan in Sint-Niklaas) veelal maar een alibi was om een klassieke poppoll over meerderheid/oppositie te organiseren. De zoektocht naar instrumenten voor een Nieuwe Politieke Cultuur onthulde uiteindelijk meer over het wantrouwen van de politiek versus de burger, dan omgekeerd. De aanwezigheid van de ‘zwarte vlek’ in de samenleving, en de fixatie daarop, was daar zoals gezegd grotendeels debet aan. Ook de media hebben die boobytrap niet kunnen vermijden. Er zijn tal van experimenten met ‘publieksdebatten’, ‘inbel- of televotingprogramma’s’ of andere formats geweest die tot doel hadden om de lijn met de bevolking directer, de inspraak van kijkers/lezers groter te maken. Ook hier hypothekeerde de dubbelzinnige, wantrouwige intenties van de programmamakers de uitkomst. Volgende ontgoochelde reactie van enkele scholieren op een uitnodiging van het politieke VRT-praatprogramma Woord tegen Woord is illustratief: ‘Het initiatief om jongeren te laten deelnemen aan een politiek debat is lovenswaardig. Dat politiek de jeugd niet Siberisch koud laat, bewijst het enthousiasme waarmee de leerlingen van het atheneum ingingen op het voorstel van de VRT om te debatteren met enkele belangrijke politici van hun stad. Een eerste ontnuchtering kwam er toen we hoorden dat er van een echte deelname aan het gesprek geen sprake was en ze zich moesten beperken tot één zeer beknopte vraag. Ze raakten pas echt ontgoocheld toen hun bijna gedicteerd werd welke vraag ze precies op welke politicus moesten afvuren. Jammer, een gemiste kans. Jongeren met een beetje zicht op de politiek in hun stad kunnen zelf wel gespreksonderwerpen bedenken en zijn echt wel zelf in staat kritische vragen te stellen.’

In de pers is de zoektocht naar een antwoord op de ‘kloof met het publiek’ de afgelopen tien jaar nog door een andere boobytrap ernstig bemoeilijkt. Zoals met het hoger vermelde, ondertussen gelukkig uitgewoede debat over woord- versus beeldcultuur, heeft ook de discussie over kwaliteit versus pulp, hoge versus lage cultuur, elitair versus populair, de ivoren toren versus de grote markt, Wetstraat versus Dorpstraat, politiek-institutioneel versus leven-samenleving enorm remmend gewerkt op pogingen van journalisten (waaronder menig hoofdredacteur in Vlaanderen) om de journalistiek daadwerkelijk te vernieuwen en te moderniseren, of aan te passen aan de geëvolueerde samenleving. In de praktijk hebben jarenlang grosso modo twee soorten journalistiek tegenover elkaar gestaan, beide pretenderend de enige vorm van ‘correcte’ journalistiek te beoefenen. Enerzijds waren en zijn er de vele varianten van directe of instant-journalistiek, van CNN-life on the spot tot de straatinterview-formats. Anderzijds waren en zijn er de vele vormen van ‘bureau- of telefoonjournalistiek’. De eerste soort dicht het camera-oog of de onkritische registratie een bijna goddelijke waarheidstatus toe. De tweede soort verwart gebrek aan empathie en empirisch onderzoek met kritische afstand. In beide gevallen schieten het zicht op de samenleving en het inzicht in de werkelijkheid te kort. In beide gevallen schort er, kortom, iets aan de antennes. En derhalve dus ook aan de kwaliteit van de journalistiek. Zoals Lewis Lapham, chef van Harper’s Magazine over de directe journalistiek zegt: ‘The camera doesn’t know how to make distinction between an important senator and an important ape.’ De al te afstandelijke journalistiek kan op z’n minst een even vervreemdend effect hebben. Het laat zich vergelijken met twee vormen van politieke cultuur: enerzijds de leugen van de directe democratie, anderzijds de al te afstandelijke, onvoldoende vertegenwoordigende politiek. Jarenlang is de reflectie in mediakringen over de notie ‘correcte journalistiek’ even oppervlakkig geweest als de reflectie in de politiek over ‘de kloof met de burger’. En bovendien zwaar gekleurd door de vele puberale misvattingen over wat het postmodernisme zou beduiden: dé waarheid bestaat niet, elke mening is evenveel waard. Te lang is ook gedacht, in de journalistiek, dat het geschokte vertrouwen van het publiek enkel en alleen kon worden toegeschreven aan feitelijke journalistieke fouten. Dat werd opgevangen met journalistieke codexen (over de noodzaak van woord en wederwoord, check en doublecheck) en met een uitbreiding van lezersrubrieken en excuushoekjes. Alles wijst erop dat die fase stilaan voorbij is en het besef groeit dat er meer nodig is om de journalistiek te moderniseren, aan te passen aan de veranderde samenleving.

Besluit: naar een integrale politieke en journalistieke kwaliteitszorg

Uit een onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Koning Boudewijnstichting1 bleek dat een meerderheid van de journalisten meent dat ‘de burgers informeren’ de eerste taak van de pers blijft. Tegelijkertijd vond een bijzonder groot deel van die journalisten van zichzelf dat ze daar ondanks alle inspanningen onvoldoende in slaagt. Dat is een hoopvol teken. Het wijst op een relatief recent bewustwordingsproces in mediakringen. Het illustreert met name dat het kwalitatieve aspect van de vraag over relatie pers/samenleving de bovenhand begint te halen op het kwantitatieve. De kwaliteit van werk is gebonden aan de tijd waarin het werk functioneert. De vraag is daarom ook niet: hadden pers en politiek meer kwaliteit twintig jaar geleden? Wel: waarom genoten pers en politiek twintig jaar geleden meer vertrouwen dan vandaag? Omdat de maatschappelijke antennes van pers en politiek correct genoeg de samenleving van toen capteerden. Omdat de dekking, voor de samenleving van die tijd, afdoende was, of toch zo werd ervaren. In perskringen is het inzicht gegroeid dat de pogingen om die oude antennes te vervangen door nieuwere tot nu toe onvoldoende zijn, en zelfs in vele gevallen averechts werken (zoals beschreven in punt 2 over de boobytraps in de zoektocht om het vertrouwen te herstellen). Het debat begint hier en daar tot de essentie te gaan: het vertrouwen wordt bepaald door de kwaliteit van het journalistieke werk. En het denken over wat die kwaliteit nu precies bepaalt, wordt ook fijner. De hoger beschreven stellingen, van al te directe en al te afstandelijke journalistiek, worden verlaten. Zoals ook, op een ander vlak, cultuursocioloog Rudi Laermans hoge en lage cultuur de jongste jaren naar elkaar toe heeft zien groeien.2 Er is een soort voortgezette ontzuiling aan de gang, meer inhoudelijk nu, die bovenop de al veel eerder ingezette structurele ontzuiling van politiek en pers komt. De relatie tussen vertegenwoordigende structuren (politiek/media) en de samenleving wordt stilaan volwassener, grondiger en correcter bevraagd. Met minder taboes en mythes, met meer empathie en empirisme, met minder zelfgenoegzaamheid (magister dixit, wij politici en journalisten zijn de ‘wetenden’, diegenen die ‘mee’ zijn, en zij, de burgers, zijn dat niet). We beginnen, met andere woorden, ons werk beter te doen, stappen af van het modieuze en gaan eindelijk meer naar de kern van het journalistieke vak. Concreet, de maatschappelijke reportages in kranten en op televisie worden beter, evolueren weg van de al te directe journalistiek (het straatinterview tout court) en van de al te afstandelijke journalistiek. Wetstraat en Dorpstraat, nationaal (‘Brussel’) en regionaal, liggen dichter bij elkaar, niet langer exclusief en gescheiden naast elkaar op de pagina’s of in de programma’s, maar in een veel waarheidsgetrouwere verwevenheid. Daardoor wordt ook de journalistiek correcter, representatiever. Er komt meer gevoeligheid, ook in de praxis, voor de politiek, maatschappelijk geduid, en de maatschappij, politiek geduid. De kwaliteit van het journalistieke werk dat zo ontstaat, zegt uiteindelijk meer over de relatie tot de samenleving dan welke opinieonderzoeken en polls dan ook. Een goede maatschappelijke reportage herstelt meer contact, vergroot de betrokkenheid van de burger (én de journalist) meer dan televoting of andere formats die de illusie van ‘directe’ banden voeden. Een programma als Man bijt hond is maatschappelijk in zekere zin vaak veel informatiever dan de televisiejournaals. En het is geen toeval dat ook op de nieuwsdiensten evoluties aan de gang zijn die niét uitsluitend met de verpakking, de restyling te maken hebben. Dit kan niet langer, zoals in de puberale fase van de zoektocht naar de relatie pers/publiek het geval was, worden afgedaan met de cultuurpessimistische kritiek over verkleutering, nivellering, infotainment. Zoals omgekeerd, het gebruik van kleuren en het opduiken van wat, in oude discussies, faits divers werden genoemd in kwaliteitskranten zoals De Morgen, De Standaard en zelfs de Financieel-Economische Tijd niet langer kan worden beschouwd als een teken van verpulping.
De conclusie is dus niet pessimistisch. Al is de evolutie nog zeer pril: ze lijkt mij ingezet en doorgebroken na de jongste gemeenteraadsverkiezingen van 2000 en versneld door een aantal journalistieke ‘incidenten’, zoals het bezoek van VLD-senator Jean-Marie De Decker en een VTM-journalist aan Marc Dutroux. Er is de jongste tijd in de journalistiek veel creatieve energie vrijgekomen. De journalistiek wordt op vele manieren levendiger, en dus ook maatschappelijk en menselijk correcter. De journalistiek is de maatschappelijke evolutie aan het bijbenen. De hoop dat de curve van het dalende vertrouwen in de pers een knik zal kennen, lijkt mij gerechtvaardigd. Groeipijnen en kinderziekten en boobytraps, zijn er zeker en vast nog altijd. En ook, vooral wellicht, is er de blijvende hypotheek op deze evolutie die wordt gelegd door de vermenging van het kwalitatieve met het kortetermijn-kwantitatieve of mercantiele aspect (kijk- en leescijfers). In die boeiende fase van nieuwe mogelijkheden, en kansen op een echte modernisering, lijkt de pers mij vandaag te zijn beland. De pers lijkt die evolutie zelfs versneld door te zetten, sneller in elk geval dan de politiek. In de zoektocht van de Wetstraat naar ‘vernieuwing’ worden er op dit eigenste moment nog altijd vaker stappen achteruit dan vooruit gezet. Om maar één voorbeeld te geven: in de toch al zwaar gehypothekeerde zoektocht naar ‘politieke vernieuwing’ gingen de jongste discussies over de grootte van de kieskringen en (opnieuw) decumulering. In die discussies lijken de motivatie en de argumentatie verder klem te zitten in het hoger beschreven stereotiepe referentiekader van de relatie politiek/burger. Nog elke dag bewijzen politici daarmee dat ze nog altijd meer begaan zijn met, om niet te zeggen geobsedeerd door de eerder oppervlakkige antennes (de poppolls). Evident hebben die polls hun belang, zoals de peiling naar kijk- en leescijfers. Verkiezingen zijn er nu eenmaal om gewonnen te worden, programma’s en kranten om verkocht, bekeken en gelezen te worden, maar de vraag is hoe men ermee omspringt, welk belang men er aan hecht. Wat zou er politiek moeten of kunnen gebeuren? Welke evolutie in de politiek zou met de hier vanuit de pers beschreven evolutie overeen kunnen stemmen? Een aanzet: er zou creatiever en volwassener gezocht kunnen worden naar antennes. Daarvoor moet bijvoorbeeld de moraliserende, negatieve interpretatie van de beruchte ‘geatomiseerde’ samenleving (al die ikjes) worden overwonnen. Niet door ze te ruilen voor een even moraliserende, positieve interpretatie over de Burger en het Individu, maar door die samenleving realistischer/objectiever te benaderen. Ook politici zouden met meer empathie en minder zelfgenoegzaamheid een politieke cultuur kunnen bevorderen waarin zowel in het denken als in de praktijk de ‘zuilen’ tussen representatieve democratie en directe democratie overstegen worden. Tussen de polen van het triumviraat politiek-middenveld-burger ligt er nog een heel onontgonnen veld voor de democratie. Het wacht op verkenning. Nee, juister, het smeekt verkiezing na verkiezing op verkenning. De mythologie van het burgerschap en de politiek zelf kan daarbij maar best in de mottenballenkast. De politicus moet, zoals de journalist, slaaf noch menner van de publieke opinie willen zijn. En dus ook juister leren omgaan met polls en andere oppervlakkige, leugenachtige seismografen. Maar dat verhaal moet een politicus maar eens schrijven.3

Filip Rogiers
Journalist 4

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ Opgenomen in de bundel ‘Tussen woord en daad: journalistieke praktijken die de betrokkenheid van de burger vergroten. Beschouwingen over de relatie tussen de media en de burgers. De opinie van mediaprofessionals’, Koning Boudewijnstichting, 2002. Gratis te verkrijgen via publi@kbs-frb.be
2/ ‘Het Vlaams cultureel regiem’. Nota van Rudi Laermans, in opdracht van Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux (Spirit), te raadplegen op http://www.cjsm.vlaanderen.be/cultuur/downloads/cultureelregiem.pdf.
3/ Dat verhaal is al deels geschreven in het boek van Dirk Holemans, Ecologie en burgerschap. Pleidooi voor een nieuwe levensstijl, Stichting Leefmilieu/Uitgeverij Pelckmans, 1999.
4/ Filip Rogiers is journalist bij De Morgen, en werkte van 1998 tot 2002 voor Knack. Over de Belgische politiek publiceerde hij twee boeken: Het orkest van de Wetstraat. Politiek na de zomer van 1996, Van Halewyck, 1997, en Eigen schuld eerst. Wat we niet willen horen over extreem-rechts in Vlaanderen, Nijgh & Van Ditmar, 2001.

media - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 18