Abonneer Log in

Democratisering en heropbouw in het naoorlogse Kosovo

Hoe de internationale gemeenschap stabiliteit nastreeft

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 49 tot 56

Wat heeft de internationale gemeenschap tot op heden in het naoorlogse Kosovo bereikt? In dit artikel evalueren we de creatie van multi-etnische instellingen voor zelfbestuur als centrale component van het internationaal beleid in Kosovo. Vervolgens gaan we in op de drie prioritaire uitdagingen: rechtsstaat, terugkeer en economie. Hiermee geven we ook de parameters voor het toekomstig internationaal beleid, aan de vooravond van het debat over de finale status van Kosovo.

Sinds het einde van de Kosovo-oorlog in 1999 en in uitvoering van resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad wordt Kosovo bestuurd door de VN: United Nations interim administration Mission in Kosovo of UNMIK.1 In eerste instantie heeft de UNMIK zich toegelegd op het lenigen van de humanitaire nood, het uitbouwen van basisvoorzieningen, het stoppen van de vijandelijkheden en het trachten voorkomen van wraakacties (in samenwerking met KFOR, de NAVO-geleide vredesmacht). Tegelijk is gewerkt aan het vestigen van een rechtsstaat, de creatie van een overheidsadministratie en van voorlopige civiele bestuursorganen.

Instellingen voor zelfbestuur

De kern van het huidig politiek proces in Kosovo is de overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden van UNMIK naar lokale, democratische bestuursstructuren. Het voorbije jaar werden diverse wezenlijke stappen in die richting gezet.
1. Nadat in oktober 2000 voor het eerst democratische lokale besturen verkozen werden, startten de voorbereidingen voor de creatie van centrale bestuursorganen. Daartoe was nood aan een voorlopige grondwet die de bevoegdheidsverdeling tussen de nieuwgekozen bestuursorganen en UNMIK uitstippelt. Na maandenlange intensieve consultaties tussen het VN-bestuur en de lokale politieke partijen kon toenmalig VN-bestuurder Haekkerup op 15 mei 2001 het zgn. ‘Grondwettelijk Kader voor Zelfbestuur in Kosovo’2 afkondigen. Terwijl UNMIK een stap terug zet zodat de Kosovaarse politici meer bestuursverantwoordelijkheid op zich kunnen nemen, zagen de Kosovo-Albanese partijen af van hun eis voor onmiddellijk uitzicht op de finale status van Kosovo.

  1. Op 17 november 2001 vonden voor het eerst parlementsverkiezingen plaats waaraan alle etnische gemeenschappen in Kosovo deelnamen. De opkomst bedroeg 63%. De LDK, de partij van politiek veteraan Ibrahim Rugova, kwam als grootste partij uit de bus (45%), gevolgd door de PDK van ex-UCK-leider Hashim Thaci (25%), de Servische coalitie Povratak (11%) en de AAK van ex-UCK commandant Ramush Haradinaj (7%). Aan de verkiezingen ging een omvangrijke operatie vooraf om alle kiesgerechtigden te registreren (inclusief Kosovo-Servische vluchtelingen in Servië en Montenegro).

  2. Na de verkiezingen brak tussen de Albanese partijen een intensieve politieke strijd uit over de verkiezing van de president en de samenstelling van de regering. Diplomatieke vertegenwoordigers van de westerse landen in Prishtina en de VN slaagden er uiteindelijk in een coalitieakkoord te bemiddelen.3
    Het parlement verkiest de president van Kosovo, een overwegend ceremoniële maar politiek gevoelige functie. Met 47 (van de 120) zetels is de LDK de grootste parlementaire fractie, maar zonder absolute meerderheid. Rugova was de enige kandidaat voor het presidentschap maar slaagde er aanvankelijk niet in de vereiste meerderheid te behalen. De Servische coalitie Povratak (22 zetels) weigerde Rugova te steunen zolang hij hen niet uitnodigde tot samenwerking en de onafhankelijkheidseis voor Kosovo opgaf. PDK (26 zetels) en AAK (8 zetels) weigerden Rugova’s kandidatuur te steunen zolang er geen politiek akkoord was tussen de drie partijen over een gezamenlijk bestuur van Kosovo waarbij PDK een van de drie topfuncties verwerft: parlementsvoorzitter, president of eerste minister. Gezien de parlementsvoorzitter afkomstig is uit de rangen van de grootste partij - zoals voorzien in het Grondwettelijk Kader - en Rugova insisteerde om president te worden, eiste de PDK het eerste-ministerschap op.
    De nieuwe Speciale Vertegenwoordiger van de VN-Secretaris-Generaal (SRSG), de Duitse diplomaat Steiner, slaagde er op 28 februari in om een coalitieakkoord te bemiddelen. Rugova werd President van Kosovo. Dr. Bajram Rexhepi uit Mitrovica (PDK) werd eerste minister van een kabinet bestaande uit 10 ministers, waaronder 4 LDK-ministers, 2 PDK-ministers, 2 AAK-ministers, een Bosnische minister en een Servische minister. Het Kosovaars parlement keurde het akkoord met tweederde meerderheid goed, waarna de bevoegdheidsoverdracht van UNMIK naar de Instellingen voor Zelfbestuur kon aanvangen.

  3. De deelname van de Kosovo-Serviers aan de regering in Pristina kwam er na wekenlange onderhandelingen. Povratak wou slechts instemmen met de haar aangeboden Ministerpost voor Landbouw, Bosbouw en Rurale Ontwikkeling indien ze een bijkomende Minister voor Terugkeer (voor de verdreven Kosovo-Serviers) kreeg. Omdat dit een beleidsdomein van UNMIK betreft, wees Steiner de eis af. Povratak stemde uiteindelijk in met een Inter-Ministeriel Coordinator voor Terugkeer in het Bureau van de Eerste Minister. Bovendien krijgt Povratak de post van Hoge Raadgever voor Terugkeer in de Office of Return and Communities van UNMIK. Hiermee is het pad geëffend voor de eerste democratische, multi-etnische regering in Kosovo. De internationale gemeenschap, en de EU die de verantwoordelijkheid heeft opgenomen voor de economische heropbouw van Kosovo in het bijzonder, verwacht van de nieuwe regering een transparant, efficiënt en inclusief bestuur als tegenprestatie voor het Europees engagement. Die voorwaarde zal dit jaar en de volgende jaren veel sterker voelbaar zijn dan tijdens de jaren van de ‘humanitaire hulp’ (1999-2001).

  4. Een multi-etnisch parlement is momenteel werkzaam, onder leiding van parlementsvoorzitter Nexhat Daci. Op 10 december 2001 vond de historische openingszitting van het parlement plaats: Kosovo-Albanese en Kosovo-Servische parlementsleden en leden van andere minderheidsgroepen namen voor het eerst in 12 jaar plaats in een gezamenlijke politieke structuur. De politieke richting en de organisatie van het parlement worden uitgestippeld in het Presidium dat uit acht leden bestaat, waaronder twee Serviërs en een Roma-vertegenwoordiger. De officiële talen van het parlement zijn Albanees en Servisch, met faciliteiten voor de Turkse taal. Suggesties uit België over het functioneren van een tweetalig parlement werden in het Kosovaars parlement met belangstelling begroet.4 Het parlement creëerde 16 commissies. Twee commissies zijn vastgelegd in het ‘Grondwettelijk Kader’: de begrotingscommissie en de Commissie voor de rechten en belangen van de gemeenschappen. Naast 10 commissies die correleren aan de ministeries, creëerde men ook een commissie voor internationale samenwerking en voor uitzonderingsomstandigheden. Hiermee poogt het parlement vat te krijgen op een beleidsdomein dat strikt genomen tot de bevoegdheid van UNMIK behoort. Een delicate evenwichtsoefening dient zich aan tussen, enerzijds, de wens van de parlementsleden om vorm te geven aan gevoelige beleidsdomeinen als veiligheid en justitie en, anderzijds, het Grondwettelijke Kader dat deze zaken in de handen van de SRSG legt.
    Immers, de Instellingen voor Zelfbestuur zijn bevoegd voor openbaar bestuur, handel en industrie, economie, post en telecommunicatie, transport, gezondheidszorg en sociale zekerheid, cultuur en onderwijs, landbouw en bosbouw. Dit noemt men de ‘overgedragen bevoegdheden’. Er zijn ook ‘voorbehouden bevoegdheden’ voor de SRSG. Omwille van de veiligheidsrisico’s voor de minderheden en omdat de finale status nog niet is uitgeklaard, blijft de SRSG bevoegd voor justitie, politie, financiën en buitenlands beleid. De SRSG beschikt over een vetorecht op alle besluiten van de nieuwe Kosovaarse autoriteiten indien ze niet in overeenstemming zijn met VN-resolutie 1244. Regering en parlement opereren op nieuw en onontgonnen terrein. Veel parlementsleden voelen zich onervaren. Het parlement kampt met een gebrekkige infrastructuur en een tekort aan gekwalificeerd personeel. De OVSE in Kosovo lanceerde daarom het Assembly Support Initiative: diverse organisaties bundelden hun democratiseringsprogramma’s tot een steunpakket voor de parlementsleden; waaronder conferenties, werkbezoeken aan andere parlementen, rondtafelgesprekken en assistentie bij het opstellen van wetteksten. Het gebrek aan technische expertise en bestuurservaring kan daardoor hopelijk (gedeeltelijk) verholpen worden.

  5. De pogingen om een multi-etnische overheidsadministratie te creëren hebben tot nog toe maar matig succes. Terwijl sommige ministeries als Onderwijs, Gezondheidszorg en Arbeid een aanvaardbaar aantal werknemers uit minderheidsgroepen hebben (10 tot 25%) is dat voor andere ministeries niet het geval (slechts 1%). Om het proces te vergemakkelijken heeft UNMIK o.a. een busdienst voor overheidsambtenaren ingelegd. Leden van de minderheidsgroepen zijn niet geneigd een job in de centrale administratie te aanvaarden uit vrees voor de eigen veiligheid.

Drie uitdagingen

De drie grootste uitdagingen waar Kosovo zich in de komende jaren voor geplaatst ziet, zijn (1) de vestiging van een rechtsstaat in een regio waar georganiseerde misdaad en politiek extremisme elkaar wederzijds versterken; (2) het op gang trekken van een onomkeerbaar terugkeerproces voor de leden van de niet-Albanese gemeenschappen die na de oorlog uit Kosovo zijn gevlucht; (3) de lancering van een volgehouden economische groei die de hoge werkloosheid kan opslorpen en voldoende fiscale inkomsten genereert om aan de vraag naar overheidsinvesteringen in infrastructuur en sociale zekerheid te kunnen voldoen. Deze drie uitdagingen hangen sterk aaneen: zonder rechtsstaat en werkgelegenheid zal het terugkeerproces niet van de grond komen. Zonder de uitbouw van een multi-etnisch Kosovo en een stabiel politiek en sociaal klimaat blijven buitenlandse investeringen en uiteindelijke opname in de Europese familie een onbereikbare droom. De vorderingen die op deze terreinen worden gemaakt zullen doorwegen in het debat over de uiteindelijke status van Kosovo.

Vestigen van een rechtsstaat

De criminaliteit in Kosovo haalt regelmatig de voorpagina’s: bedreiging of moord op minderheden of politici, geweld aan de buitengrenzen van Kosovo, economische misdaden (corruptie, smokkel, belastingontduiking) die het bescheiden Geconsolideerde Budget van Kosovo van een deel van zijn inkomsten beroven. Nadat in eerste instantie een sterke VN-politiemacht en KFOR instonden voor wet en orde, is de voorbije jaren veel geïnvesteerd in de uitbouw van een lokale politiemacht: KPS of Kosovo Police Service. Meer dan 4.700 lokale politieagenten werden onder toezicht van de OVSE opgeleid. De KPS is multi-etnisch in samenstelling en geleidelijk aan krijgt ze bevoegdheden toevertrouwd. De algemene veiligheidssituatie in Kosovo is verbeterd. Het aantal moorden is gestadig gedaald van 500 in de tweede helft van 1999 tot 136 in 2001. Voor 2002 verwacht men dat het aantal moorden onder de 100 daalt. De verbeterde veiligheidssituatie vindt een verklaring in o.a. een toegenomen samenwerking van de bevolking met de politie zoals melding van misdaden of verdachte gebeurtenissen, volhouden van het uitgaansverbod op verschillende plaatsen en van operaties als het intensief doorzoeken van gebouwen en voertuigen. KFOR startte een tweede amnestiecampagne voor het inleveren van wapens. In mei 2001 creëerde UNMIK de Justice and Police Pillar, een geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen politie, rechtssysteem en KFOR bij het gerechtelijk onderzoek. Specifieke eenheden focussen op illegale handel in wapens, drugs en mensen. Terwijl andere onderdelen van UNMIK inkrimpen, is de Justice and Police Pillar aan het uitbreiden.5 Recente nieuwe wetgeving geeft politie en justitie meer bevoegdheden, o.a. de mogelijkheid om informatie uit afgeluisterde telefoongesprekken als bewijsmateriaal voor een rechtbank in te brengen. De EU-verantwoordelijken in Kosovo hebben recent een Economic Crime Unit opgericht.6 Kosovaarse ngo’s hebben het probleem van de corruptie hoog op de publieke agenda geplaatst. Ze lobbyen om lokale en internationale bestuurders op hun verantwoordelijkheid te wijzen.7 KFOR en UNMIK verwachten dat naarmate ze er meer in zullen slagen de georganiseerde misdaad aan banden te leggen, het geweld tegen hen zal toenemen. De arrestatie eind januari 2002 van drie ex-UCK commandanten op beschuldiging van oorlogsmisdaden tegen andere Albanezen in 1998 en 1999 leidde tot gewelddadige betogingen en de verwonding van enkele politieagenten. Begin april 2002 kwamen KFOR en de VN-politie in Noord-Mitrovica onder vuur bij de arrestatie van een Servische crimineel. Tijdens zijn toespraak tot de VN-Veiligheidsraad op 24 april 2002 vroeg Steiner expliciete steun in de strijd tegen de misdaad - ook als het moeilijk wordt.

Terugkeer van gevluchte Serviërs

Na de Kosovo-oorlog ontvluchtte een groot deel van de niet-Albanese bevolking Kosovo. Ze verhuisde naar Servië en Montenegro of trok zich terug in een aantal door KFOR bewaakte enclaves en in de regio ten noorden van de Ibar-rivier in Mitrovica. Steiner heeft van de terugkeer van gevluchte Serviërs een prioriteit gemaakt. Samen met de tewerkstelling van een aandeel van 1/6 Servische ambtenaren in overheidsdiensten (overeenkomstig de sterkte van de Servische fractie in het parlement) en verhoogde inspanningen voor o.a. het garanderen van vrijheid van beweging moeten deze plannen de Servische aanwezigheid in Kosovo een duurzaam karakter geven. Als onderdeel van een akkoord tussen Belgrado en UNMIK dat de Servische deelname aan de parlementsverkiezingen mogelijk maakte, werd een speciaal bureau opgericht om de terugkeer van de Serviërs te begeleiden en te versnellen. De Office of Returns and Communities hangt rechtstreeks af van de SRSG en de Servische coalitie Povratak kan een hoge raadgever in deze dienst aanstellen. Bovendien komen er meer buitenlandse rechters en aanklagers, die voor eerlijke vonnissen moeten zorgen in processen waarbij een Albanees tegenover een Serviër staat. Serviërs die uit hun huizen verdreven werden, behouden hun eigendomsrechten. Het Housing and Property Directorate van UNMIK heeft in Belgrado een kantoor geopend waar Servische vluchtelingen uit Kosovo met hun eigendomclaims terecht kunnen.8 UNMIK en Belgrado ontmoeten elkaar geregeld binnen een High Level Working Group om de strategie voor een betekenisvolle terugkeer te bespreken. UNMIK stelde een plan op voor terugkeer in 2002 en 2003 naar 25 verschillende locaties in Kosovo. Eind 2002 moet een donorconferentie fondsen voor terugkeerprogramma’s verzamelen. Evenwel, KFOR en UNMIK hebben een terugkeer van, hoe symbolisch ook, een aantal Servische militairen of politieagenten uitgesloten, om politieke en veiligheidsredenen. Elke Servische terugkeer lokt felle emoties uit onder Albanezen. De uitvoerbaarheid van de plannen zal daarom in grote mate afhangen van de overtuigingskracht van de internationale gemeenschap en van vooruitziende Kosovaarse intellectuelen, ngo’s en politici om duidelijk te maken dat de terugkeer van Servische burgers die niet betrokken waren bij oorlogsmisdaden geen bedreiging hoeft te zijn. Het kan de Kosovaarse identiteit verrijken, het democratisch en multi-etnisch karakter van Kosovo versterken. Maar de onduidelijkheid over de finale status van Kosovo draagt ertoe bij dat veel Albanezen in elke Servische burger een vertegenwoordiger van de Servische staat zien die zijn aanspraken in Kosovo komt opeisen. En Servische burgers zijn terughoudend om naar Kosovo terug te keren omdat ze vrezen naderhand toch te zullen moeten overleven in een semi-onafhankelijk Kosovo, los van Servië. De internationale gemeenschap wil de tegenstelling overstijgen door terugkeer aan integratie te koppelen, en ‘parallelle bestuursstructuren’ in gebieden waar minderheden leven te bekampen. Terugkeer van minderheden wordt niet alleen gekoppeld aan hun integratie binnen Kosovo maar ook aan Kosovo’s integratie in de Balkan als geheel, inclusief de dialoog met Belgrado. Kosovo is geen eiland op zich. Institutionele banden met omliggende regio’s of landen opbouwen, inbegrepen Belgrado, is onvermijdelijk. Immers, de stabiliteit in Kosovo heeft impact op de regio. En de relatie met de buren heeft een impact op de stabiliteit binnen Kosovo.

Economische ontwikkeling

Met een werkloosheid van 50 tot 70% en rudimentaire sociale voorzieningen leeft Kosovo op een sociale tijdbom die de politieke verwezenlijkingen voortdurend bedreigt en de druk op jongeren om naar Europa te emigreren steeds groter maakt. Families overleven via humanitaire hulp, het inkomen uit één enkele job bij de internationale gemeenschap ten behoeve van de ‘uitgebreide familie’, geldtransfers uit het buitenland, kleine handel en landbouw. Daarom is jobcreatie en economische ontwikkeling een van de topprioriteiten van de internationale gemeenschap in Kosovo. UNMIK, meer in het bijzonder de EU-pijler binnen UNMIK, is verantwoordelijk voor een groot deel van het economisch beleid, via haar controlefunctie op het overheidsbudget, het monetair beleid, douane, administratie van publieke en staatseigendommen. De belangrijkste politieke uitdaging waar de EU in Kosovo momenteel voor staat is de ontwikkeling van procedures voor de privatisering van staatsbedrijven zonder zich uit te spreken over het eigendomsstatuut (omdat de finale status van Kosovo, binnen of los van Joegoslavië, niet duidelijk is). De oprichting van het Kosovo Trust Agency is in voorbereiding, met een mandaat om de collectieve en staatseigendommen te beheren. Er is nood aan een plan om Kosovo de mogelijkheid te geven bij internationale financiële instellingen te lenen - met respect voor de voorlopige status van Kosovo. Bovendien is er het debat over het definiëren van de rol van Kosovo in de Consultative Task Force tussen de EU en Joegoslavië, die later wordt opgevolgd door de groep die een stabilisatie- en associatieakkoord met de EU moet voorbereiden.
Kosovo heeft voor 2002 een overheidsbudget van 374 miljoen euro. De toename van de eigen inkomsten (uit accijnzen, douaneheffingen, BTW, belasting op bedrijfswinsten en een persoonsbelasting) heeft ervoor gezorgd dat tot 95% van de lopende uitgaven door eigen fiscale inkomsten worden gedekt. Meer dan 75% van de overheidsinvesteringen van het beperkte overheidsbudget gaan naar nutsvoorzieningen als onderwijs, landbouw en gezondheidszorg. Maar doordat de internationale donors hun aandeel aan het overheidsbudget sterk hebben teruggeschroefd, is er geen ruimte voor een actiever sociaal beleid. Het maandelijks pensioen werd - tering naar de nering - op 28 euro vastgelegd. Economische uitbreidingsinvesteringen zijn daarom afhankelijk van leningen van internationale instellingen. Zolang daarvoor geen formule is uitgedokterd, blijft Kosovo afhankelijk van schenkingen. In 1999 schonk de Europese Commissie 127 miljoen euro voor reconstructie, in 2000 was dat 262 miljoen euro, in 2001was het 285 miljoen euro. Voor 2002 werd een budget van 131 miljoen euro goedgekeurd, waarbij het merendeel gaat naar investeringen in de energiesector, huisvesting en steun aan de privésector. Tijdens zijn gesprek met de Veiligheidsraad heeft SRSG Steiner gewaarschuwd voor de tanende belangstelling en dalende financiële steun voor Kosovo: ‘Na de marathon die we sinds juni 1999 in Kosovo hebben gelopen, zou het tragisch zijn te vertragen nu we de eindmeet naderen.’

Finale status van Kosovo

De ‘eindmeet’ waarnaar Steiner verwijst, is het proces voor het bepalen van de finale status. Om dit proces voor te bereiden, formuleerde Steiner een pakket te realiseren benchmarks, dit zijn objectieven gekoppeld aan termijnen voor implementatie. De realisatie van deze objectieven door de Instellingen van Zelfbestuur zal aangeven in welke mate Kosovo klaar is om het debat over de finale status aan te gaan. De Veiligheidsraad stemde in met Steiners voorstelling van de benchmarks. Deze zijn: effectieve, representatieve en functionerende instellingen; naleving van de rechtsstaat; vrijheid van beweging (vooral voor minderheden); respect voor het recht van alle inwoners van Kosovo om in Kosovo te blijven of naar Kosovo terug te keren; ontwikkeling van een duurzame basis voor een markteconomie; duidelijkheid over eigendomsbetwistingen; een genormaliseerde dialoog met Belgrado; afslanking en transformatie van de Kosovaarse Beschermingsmacht (TMK). Deze benchmarks zijn de exit-strategy voor de internationale gemeenschap in Kosovo. Tegelijk is het Kosovo’s entry-strategy in het proces van Europese integratie. De benchmarks, als objectieven opgenomen in het coalitieakkoord van de regering, zijn ook de voorwaarden die Kosovo moet vervullen om in aanmerking te komen voor het stabilisatie- en associatieproces met de EU. Duidelijk is dat ook na de Kosovo-oorlog en de democratisering in Servië de basistegenstelling in het Kosovaars conflict ongewijzigd is gebleven: de Kosovo-Albanezen dringen aan op erkenning van het zelfbeschikkingsrecht terwijl de Kosovo-Serviërs en Belgrado de territoriale integriteit van Servië en Joegoslavië benadrukken. Gezien deze diametraal tegengestelde posities is gekozen voor een voorlopige oplossing: zelfbestuur onder internationaal toezicht. De slaagkansen hangen in grote mate af van de mogelijkheden van de nieuwe regering om economische vooruitgang en welvaart te creëren, de participatie van alle belangrijke politieke actoren in de instellingen te garanderen en voldoende internationale en financiële steun te blijven verwerven.
Een moeizame trialoog ‘Belgrado - Pristina - internationale gemeenschap’ over de finale status dient zich aan. Terwijl het realistisch is te verwachten dat Belgrado niet in een bestuurscapaciteit naar Kosovo kan terugkeren, is ook duidelijk dat de internationale erkenning van de onafhankelijkheid van Kosovo in de nabije toekomst niet op de agenda staat.9 De meest flexibele Kosovo-Albanese positie verwijst naar een confederatie van onafhankelijke republieken onder een andere naam dan ‘Joegoslavië’.10 Belgrado gaat ervan uit dat Kosovo nog geruime tijd onder internationaal toezicht blijft, tot Servië, Montenegro en Kosovo gezamenlijk het integratieproces met de EU kunnen aanvatten. Eerder dan te pleiten voor uitstel denken we dat het bepalen van de status van Kosovo, indien nauwgezet voorbereid en begeleid, kan bijdragen tot stabiliteit in de regio, tot het ontwikkelen van normale relaties tussen zowel de etnische gemeenschappen in Kosovo als tussen Kosovo en Servië. Een internationale conferentie die de wil van de bevolking als cruciale factor agendeert, kan het proces vooruit helpen door formules aan te reiken die andere belangen en bekommernissen over stabiliteit daarmee verzoenen.11 Dit vereist een geduldig proces van vertrouwenwekkende maatregelen tussen Kosovo en Servië. Er is geen reden waarom de Kosovaarse regering zich niet onmiddellijk zou inschakelen in de gesprekken over vertrouwenwekkende maatregelen in de High Level Working Group zoals voorzien in het UNMIK-FRY Common Document.

Noten
1. United Nations Security Council Resolution 1244: http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N99/172/89/PDF/N9917289.pdf?OpenElement. In een unieke operatie onttrekt de internationale gemeenschap formeel een deel van het grondgebied van een land aan het centrale gezag en stelt er, de facto en de jure, een protectoraat in door het bestuur over te nemen, zij het voor een overgangsperiode, in afwachting van een definitieve regeling van de status van Kosovo. Zie: F. De Vrieze, De Kosovo-Diplomatie: waarom de voorspelde oorlog niet werd voorkomen, Antwerpen: Universitaire Instelling Antwerpen, PSW-Papers, Maart 2001, 104 p.
2. Constitutional Framework for Self-Government in Kosovo: http://www.unmikonline.org/constframework.htm
3. Report of the Secretary-General on the United Nations Interim Administration Mission in Kosovo, 22 April 2002, ref. S/2002/436; http://www.refworld.org/country,,,,SRB,,3d0077fba,0.html.
4. P. Vanhoutte, From Multilingual Society to Multilingual Assembly. Key-note speech to the Kosovo Assembly in framework of OSCE organised conference, Prishtina, 4 April 2002, 4 p.; http://vanhoutte.telenet.be/Kos01.htm.
5. S. Manuel, A Case of Executive Order, in Focus Kosovo, UNMIK Prishtina, December 2001, p. 14 - 15; J.-C. Cady, Unique Cooperation between Police and Justice, in Focus Kosovo, UNMIK Prishtina, December 2001, p. 13.; http://www.unmikonline.org/pub/focuskos/index.htm
6. B. Beasley-Murray, ‘Kosovo: Maffia Crackdown’ in IWPR’s Balkan Crisis Report, n. 306, 21 December 2001; http://www.iwpr.net
7. East-West Management Institute in Prishtina en KNAP, Kosovo NGO Advocacy Project, organiseerden in maart 2002 een opgemerkte conferentie tegen corruptie. Zie: http://www.forumi.org
8. UNMIK-FRY Common Document, 5 november 2001: http://www.decani.yunet.com/unfry.html. Zie: F. De Vrieze, ‘Towards Self-Government in Kosovo’, in Helsinki Monitor, Vol. 12, no. 1, March 2002, 15p.
9. F. De Vrieze, ‘Kosovo: Civil Society Awaits a Chance for Reconciliation’, in European Center for Conflict Prevention (ed.), Searching for Peace in Europe and Eurasia: An Overview of Conflict Prevention and Peace Building Initiatives, New York/London: Lynne Rienner, 2002, p. 289-308; http://www.conflict-prevention.net
10. B. Haxhiu, Independent? Yes, but how?, Koha Ditore, 11 November 2001. Voor een analyse van de spanningen tussen Servië en Montenegro en diens relevantie voor de Kosovo-discussie, zie: F. De Vrieze, ‘Referendum of een nieuw Joegoslavie?’, in Oost-Europa Verkenningen, maart 2002, p. 111-123.
11. International Crisis Group, A Kosovo Roadmap. I: Addressing Final Status; II: Internal Benchmarks; ICG Balkans Report n. 125 and 125, Brussels/Pristina, 1 March 2002;www.crisisweb.org.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 49 tot 56