Abonneer Log in

Pleidooi voor een weloverwogen antidiscriminatiewet

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 43 tot 48

De afschaffing van het discriminatieverbod is één van de meest beruchte ideeën van Pim Fortuyn. We hoorden in de berichtgeving dat de lijsttrekker van leefbaar Rotterdam artikel 1 van de Nederlandse Grondwet wil schrappen. Die bepaling garandeert dat al wie zich in Nederland bevindt, in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld. Uit het bewuste interview in De Volkskrant blijkt dat Fortuyn het vooral over de vrijheid van meningsuiting had. Hoe het ook zij, wie zo een voorstel doet, wordt in pers en media al snel als extreemrechts of racistisch gebrandmerkt. Iets waar politiek correcte politici zich gretig bij aansluiten. Geïnspireerd door het voorbeeld van onze noorderburen - zoals wel vaker het geval is - werkt ook ons federaal parlement aan een soortgelijke antidiscriminatiewet. In het licht van de gebeurtenissen in Nederland en gezien het succes van de simplistische taal van Pim Fortuyn, rijzen hieromtrent toch enkele vragen.

Is het kiespubliek van Fortuyn inderdaad gekant tegen het discriminatieverbod? Wat houdt het discriminatieverbod in Nederland precies in? Zijn ze boven de Moerdijk misschien een stap te ver gegaan met de strijd voor een gelijke behandeling van alle burgers? Uit de antwoorden op deze vragen kunnen zeker lessen worden getrokken die interessant zijn voor de Belgische aanpak. Hoewel de vergelijking tussen Pim Fortuyn en het Vlaams Blok op een aantal punten opgaat, is de situatie toch wat ingewikkelder. Als in Nederland kritiek wordt geleverd op het discriminatieverbod, heeft dat een andere betekenis dan wanneer bij ons, Filip Dewinter en de zijnen over het ‘eigen volk eerst’ in de ‘Vlaamse monoculturele samenleving’ praten.
Nederland staat op het vlak van de bescherming van achtergestelde groepen en minderheden tegen ongelijke behandelingen, heel wat verder dan België. Naast het grondwettelijk discriminatieverbod, werd in Nederland in 1994 de Algemene Wet Gelijke Behandeling van kracht. Deze wet verbiedt directe en indirecte discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke overtuiging, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat.

De situatie in Nederland

De Nederlandse Grondwet en de Algemene Wet Gelijke Behandeling vormen samen een belangrijk juridisch middel om allerlei discriminaties aan te pakken. Essentieel is dat ook het slachtoffer van een discriminatie in de private verhoudingen, zich in Nederland kan beroepen op het verbod op discriminatie (in het juridische jargon heet dit ‘de horizontale werking van het gelijkheidsbeginsel’). Niet alleen de overheid kan zich immers schuldig maken aan discriminerend handelen. Ook privaatrechtelijke personen, natuurlijke personen, verenigingen en bedrijven, bezondigen zich aan discriminaties. Vandaar dat de Nederlandse wetgever van oordeel was dat ook in de arbeidsverhoudingen en bij het aanbieden van goederen en diensten, geen onderscheid mag worden gemaakt tussen mensen op grond van ras, geslacht, nationaliteit enzovoort. Ongelijke behandeling is verboden bij alles wat met tewerkstelling te maken heeft: van personeelsadvertenties en aanwervingen tot en met promoties en vakantiedagen. Ook bij het afsluiten van een verzekering, het huren van een huis of het openen van een bankrekening, om enkele andere voorbeelden te noemen, behoren mensen gelijk te worden behandeld. Het toezicht op de naleving van de antidiscriminatiewet is toevertrouwd aan de Commissie Gelijke Behandeling. De Commissie is een onafhankelijke organisatie waar burgers met klachten over ongelijke behandeling terechtkunnen. De oordelen van de Commissie hebben een belangrijke symbolische waarde. Daarnaast kan de Commissie voor de rechtbank vorderen dat een ongelijke behandeling onrechtmatig wordt verklaard of verboden. Belangrijk is dat de Commissie zowel klachten over ‘direct’ als ‘indirect’ onderscheid behandelt. Er is sprake van direct onderscheid als mensen ongelijk worden behandeld op één van de uitdrukkelijk opgesomde discriminatiegronden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand niet wordt toegelaten in een café vanwege zijn nationaliteit. Indirect onderscheid betekent dat een bepaalde voorwaarde die op het eerste gezicht neutraal lijkt, in werkelijkheid toch tot een onderscheid op basis van één van de genoemde kenmerken leidt. Een voorbeeld van indirect onderscheid is de vereiste van een goede kennis van het Nederlands, voor een functie waarvoor dat niet nodig is. Voor etnische minderheden is het moeilijker om hieraan te voldoen. Opmerkelijk is dat direct onderscheid - op enkele uitdrukkelijk in de wet genoemde uitzonderingen na - altijd is verboden. De Commissie kan niet meer nagaan of de ongelijke behandeling eventueel is gerechtvaardigd. Van zodra het onderscheid vast staat, is er discriminatie. Indirect onderscheid dat objectief is gerechtvaardigd, is wel nog toegelaten.

Het Belgische wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie

Het is vanuit eenzelfde bezorgdheid zoals die aan de Nederlandse wet ten grondslag ligt, dat Philippe Mahoux, Iris Van Riet, Chokri Mahassine, Marie Nagy en Frans Lozie een wetsvoorstel indienden dat momenteel in het Belgische parlement wordt behandeld. Het betreft het Wetsvoorstel ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.1 In de toelichting verklaren de initiatiefnemers dat hun visie op de rechten van de mens ‘helemaal is gebaseerd op de gelijkheid in waardigheid en rechten.’ Zij stellen vast dat het zonder specifieke wetgeving vaak moeilijk is om het recht op niet-discriminatie effectief op te eisen. Verder verwijzen de indieners van het wetsvoorstel naar de al bestaande nationale wetgeving, met name de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden. Deze wet bestraft alleen de discriminatie van een persoon of van een groep personen op basis van ras, huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming. Andere mogelijke discriminatiegronden zoals geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid en iemands huidige of toekomstige gezondheidstoestand (die bijvoorbeeld kan worden opgespoord met genetische tests), komen in de racismewet niet aan bod. Aangezien ook dit kenmerken zijn ‘die mensen te beurt vallen en die zij niet of niet helemaal onder controle hebben’, zijn de parlementsleden van oordeel dat op deze vlakken eveneens een wettelijk discriminatieverbod is vereist.
Het wetsvoorstel bestaat uit drie grote delen. In het eerste hoofdstuk wordt duidelijk wat in de wet onder het begrip discriminatie moet worden verstaan: ‘alle gedragingen die (…) direct of indirect tot doel hebben om op politiek, economisch, sociaal, cultureel of enig ander terrein van het maatschappelijk leven, een onderscheid in te voeren tussen personen, groepen van personen of gemeenschappen, op basis van geslacht, seksuele geaardheid, burgerlijke stand, geboorte, leeftijd, vermogen, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap, zonder objectieve rechtvaardigingsgrond en zonder redelijk verband van evenredigheid met het nagestreefde doel.’ Uit deze lange definitie blijkt dat zowel directe als indirecte discriminatie uit den boze is. Belangrijk is wel dat een ongelijke behandeling niet per se verboden is. Een onderscheid tussen personen blijft toegelaten, wanneer daar een objectieve en redelijke verantwoording voor bestaat. De wet is overigens niet van toepassing op de interne organisatie van religieuze gemeenschappen en van levensbeschouwelijke organisaties, die door de Koning zijn erkend. Het tweede hoofdstuk bevat een aantal strafbepalingen. Meerbepaald worden twee meningsuitingen strafbaar gesteld: het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld wegens één van de discriminatiegronden, en het openlijk te kennen geven van zijn voornemen tot discriminatie. Het derde hoofstuk, tot slot, bevat de burgerrechtelijke bepalingen. Samengevat komen deze er op neer dat elke vorm van discriminatie is verboden, en aanleiding kan geven tot de betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer. Een slachtoffer van discriminatie kan zelfs in kortgeding de staking van het discriminerend handelen vorderen.

Argumenten voor een antidiscriminatiewet

De definitieve stemming van het wetsvoorstel laat lang op zich wachten. Nochtans moet een volwaardige Belgische antidiscriminatiewet er dringend komen. Er zijn immers goede argumenten om de draagwijdte van een aantal mensenrechten, zoals het discriminatieverbod, uit te breiden tot de relaties tussen de burgers onderling. De klassieke visie dat mensenrechten enkel de verhouding tussen de burger en de overheid beheersen, gaat uit van een te beperkte mensenrechtenidee. Onze rechten en vrijheden zijn meer dan ‘negatieve’ rechten die moeten verhinderen dat de burger wordt lastig gevallen door de overheid. De vrijheidsgedachte waarop deze opvatting steunt, is onaantrekkelijk en is vanuit verschillende hoeken bekritiseerd. Als alternatief wordt terecht een meer ‘positieve’ of ‘perfectionistische’ invulling van vrijheid en gelijkheid naar voor geschoven. Burgers moeten de mogelijkheid krijgen om zichzelf op een evenwichtige wijze te ontplooien, zowel op het politieke, het culturele als het persoonlijke vlak. De belangrijkste opgave van de overheid is dan ook niet het creëren van een rechtsvrije privéruimte, maar het scheppen en garanderen van de voorwaarden voor deze zelfontplooiing. Of, anders geformuleerd: vrijheid en gelijkheid hebben tot doel dat de gemeenschap, en elke burger binnen de gemeenschap afzonderlijk, zichzelf kan besturen. In een constitutionele democratie worden deze vrijheids- en gelijkheidswaarden in het recht geïncorporeerd in de vorm van grondrechten (de gewetens- en godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, het gelijkheidsbeginsel, het recht op onderwijs etc.). Om de noodzakelijke voorwaarden voor het zelfbestuur van de gemeenschap en de burger te garanderen, volstaat het evenwel niet dat de overheid zelf deze beginselen in acht neemt. Zij moet er ook zorg voor dragen - via een doorwerking van de grondrechten in de private verhoudingen - dat privépersonen deze beginselen niet met voeten treden. Ook privépersonen zijn immers in staat om een vrije ontplooiing van de gemeenschap en het individu in de weg te staan.

De botsing van grondrechten

De toepassing van het gelijkheidsbeginsel tussen de burgers onderling, bijvoorbeeld op basis van een aparte antidiscriminatiewet, vormt niettemin het voorwerp van hevige kritiek. In een redevoering die hij enkele jaren geleden uitsprak, waarschuwde de Leuvense jurist Matthias Storme al voor wat hij de ‘homogenisering van de mens’ noemt. Hij drukte daarmee zijn vrees uit voor een totale gelijkschakeling van de rijke diversiteit die zo kenmerkend is voor onze cultuur. De horizontale werking van het gelijkheidsbeginsel, zo wordt in bepaalde kringen inderdaad betoogd, zou een verlies aan vrijheid betekenen en een verdere juridisering van de samenleving met zich meebrengen. Zij zou het einde inluiden van de vrijheid van geweten, godsdienst, meningsuiting, vereniging, de contractsvrijheid etc. Groepen, verenigingen en scholen zouden hun identiteit moeten prijsgeven ten gunste van een officiële staatsideologie. Deze vrees is onterecht. Bij de toepassing van het verbod op discriminatie in de relaties tussen de burgers, kan er inderdaad een spanning ontstaan met de vrijheden van die burgers. De horizontale werking van het discriminatieverbod mag echter niet worden verward met de absolute voorrang van het discriminatieverbod. Indien prioriteit wordt verleend aan het discriminatieverbod, ontstaat inderdaad het gevaar dat andere grondrechten worden uitgehold. Een antidiscriminatiewet impliceert echter geenszins dat bij een botsing met de andere grondrechten, het discriminatieverbod per definitie voorrang krijgt. De stelling dat onze rechten en vrijheden worden aangetast door een horizontale werking van het gelijkheidsbeginsel, berust dan ook op een verkeerd uitgangspunt.
De toepassing van de mensenrechten in de private verhoudingen heeft wel tot gevolg dat er regelmatig situaties ontstaan, waarin mensenrechten met elkaar in conflict komen. Het is van essentieel belang dat wanneer zo een conflict zich voordoet, er een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen de betrokken mensenrechten. Dat impliceert dat in elk concreet geval wordt nagegaan aan welk recht voorrang moet worden verleend. Bij deze evenwichtsoefening spelen de concrete omstandigheden een belangrijke rol, wat impliceert dat een afweging _in abstracto _- bijvoorbeeld in de wet - uit den boze is. Een bijkomend probleem bij de botsing van grondrechten, is de vraag wie deze conflicten uiteindelijk dient te beslechten. In een constitutionele democratie is dat de grondwetgever en, bij diens stilzwijgen of afwezigheid, het grondwettelijk hof. Het is daarom, vanuit juridisch oogpunt althans, onmogelijk dat de wetgever aan een bepaald mensenrecht enige voorrang ten aanzien van de andere rechten zou verlenen. Een antidiscriminatiewet die het gelijkheidsbeginsel boven de andere mensenrechten plaatst, is ongrondwettig.

Pleidooi voor een weloverwogen antidiscriminatiewet

Precies hier wringt in Nederland het schoentje. De antidiscriminatiewet en de manier waarop die wordt uitgelegd door de Commissie Gelijke Behandeling, staan soms een evenwichtige afweging tussen het discriminatieverbod en de andere mensenrechten in de weg. Het lijkt wel of in Nederland het discriminatieverbod boven de andere mensenrechten is verheven. De merkwaardige resultaten waartoe dat aanleiding geeft, worden door figuren als Pim Fortuyn aangegrepen om het gehele systeem in vraag te stellen. Een voorbeeld: in 1997 beklagen een aantal homoseksuelen zich omdat zij niet als partners kunnen deelnemen aan danswedstrijden. Op initiatief van de dansclubs komt het tot een procedure waarin de Commissie Gelijke Behandeling de organisator van de wedstrijden beschuldigt van discriminatie, aangezien alleen paren van ongelijk geslacht zich konden inschrijven.2 Een andere club wordt terechtgewezen omdat zijn wedstrijdreglement voorschrijft dat een danspaar uit een dame en een heer moet bestaan. De Commissie verantwoordt haar standpunt door er op te wijzen dat de leidende- en volgende-rol niet noodzakelijk geslachtsbepaald hoeven te zijn. Hoewel homoseksuelen ongetwijfeld worden getroffen door het beleid van de dansclub, rijst toch de vraag of de vrijheid van vereniging van de dansclub, en daarmee verbonden de vrijheid om zijn activiteiten te organiseren, hier niet voorgaan. Een aantal andere voorbeelden waarin de afweging tussen het verbod op discriminatie en de andere grondrechten dreigt mis te lopen, houden verband met de vrijheid van meningsuiting. Zo werd in 1998 het kamerlid Van Dijke veroordeeld door een rechtbank in Den Haag nadat hij - om in dezelfde sfeer te blijven - een praktiserend homoseksueel had vergeleken met een ‘dief’ en een ‘fraudeur’. Weliswaar sprak de rechter in beroep wat later de man weer vrij, maar hij deed dat alleen vanwege de bijzondere context waarin de uitspraken van Van Dijke werden gedaan.3 Volgens de rechter miskennen de gewraakte uitspraken de waardigheid van praktiserende homo’s, en zijn zij op zichzelf dus beledigend. Aangezien Van Dijke echter vanuit zijn christelijke geloofsovertuiging redeneerde, besloot de rechter dat in casu de waardigheid van homoseksuelen niet werd aangetast. De rechter ziet dus blijkbaar een verschil tussen het uiten van een geloofsovertuiging, en het uiten van een mening zonder dat daar een geloofsovertuiging aan ten grondslag ligt. Betekent dit dat christenen en moslims homoseksualiteit een ziekte mogen noemen, maar dat aan atheïsten en agnostici dit voorrecht wordt ontzegd? Het hoeft geen betoog dat zulke gevallen een open doel zijn voor een praktiserend homoseksueel als Fortuyn, die er electoraal munt uit slaat.
Indien we de conservatieve retoriek tegen de voorgestelde antidiscriminatiewet willen weerleggen, en populisten de mond willen snoeren, moeten we vermijden dezelfde fouten te maken als onze noorderburen. De Belgische antidiscriminatiewet moet weloverwogen zijn en op een doordachte manier worden toegepast. Dat betekent concreet dat de andere rechten en vrijheden niet in het gedrang mogen komen. Of het huidige wetsvoorstel geheel aan die eis voldoet, is niet duidelijk. De Raad van State wees alvast op een aantal pijnpunten in het voorstel, bijvoorbeeld inzake de vrijheid van meningsuiting en vereniging. De vrije meningsuiting omvat in principe het recht om elke mening - dus ook een discriminatoire - te uiten. Het verbod op discriminatie omvat het recht om tegen discriminatoire uitingen te worden beschermd. Geen van beide rechten is absoluut of heeft bij voorbaat voorrang. In het onvermijdelijke conflict tussen de beide, moet er dus een lijn worden getrokken. Welke als discriminatoir of beledigend ervaren uitingen kunnen door de beugel, en welke niet? Een goede maatstaf - er zijn er nog andere - bestaat erin na te gaan of een uitspraak ‘aanzet’ tot discriminatie. Meningsuitingen die de toehoorders aanzetten tot het stellen van discriminatoire handelingen, gaan zo ver dat ze dienen te worden verboden. Grappen, spotternij of andere als beledigend ervaren uitingen die niet aanzetten tot discriminerend handelen, moeten wel kunnen. Welnu, de Raad van State stelt in zijn advies over het wetsvoorstel, dat uit de tekst en de toelichting erbij, niet voldoende blijkt dat bijvoorbeeld ‘een seksistische grap of het spotten met de seksuele geaardheid of met een fysiek kenmerk van een bekend persoon’, in de toekomst nog zullen worden getolereerd. De ervaring met de toepassing van de racismewet leert ons inderdaad dat - vooral door lagere rechtbanken - de strafbare gedraging ‘aanzetten tot discriminatie, haat of geweld’, wel eens te ruim wordt opgevat. Inzake de vrijheid van vereniging benadrukt de Raad van State dat het mogelijk moet blijven dat sportclubs, culturele, folkloristische, caritatieve, filantropische en andere verenigingen, alleen openstaan voor een bepaalde categorie personen, zonder dat die verenigingen het risico lopen te worden beschuldigd van discriminatie. Ook met deze bezorgdheid zou volgens de Raad in de voorgestelde wettekst, onvoldoende rekening zijn gehouden.

Slotbemerking

De tijd is rijp voor een antidiscriminatiewet in België. Bij de selectie van werknemers, klanten, leveranciers e.d. mogen criteria als ras, nationaliteit, geslacht of seksuele geaardheid geen enkele rol spelen, tenzij daar een redelijke verantwoording voor bestaat. De invoering van een antidiscriminatiewet mag echter geen verstikkende sfeer van politieke correctheid creëren. Daarmee bewijst men de multiculturele samenleving een slechte dienst. Het moet ten alle prijze worden vermeden dat enkel extreemrechtse populisten zich nog opwerpen als de helden van de vrijheid van meningsuiting en de andere mensenrechten. Want eens aan de macht zullen zij geen moment aarzelen om deze democratische waarden op de helling te zetten.

Noten
1. Cf. Parl. St. Senaat, 1578/001.
2. Commissie Gelijke Behandeling, Oordeel 97/29.
3. Hof Den Haag, 9 juni 1999, Mediaforum 1999, nr. 35. Door de Hoge Raad bevestigd op 9 januari 2001, Mediaforum 2001, nr. 7.
4. Met dank aan Maurice Adams, Dajo De Prins, Adriaan Overbeeke, Bob Van den Broeck en Jogchum Vrielink.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 43 tot 48