Abonneer Log in

Cuba vandaag, een sociaaldemocratische visie

De uitdagingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 29 tot 38

In april 2000 leerde ik in Brussel de inmiddels 39-jarige socialistische partijleider, de Afrocubaanse historicus Manuel Cuesta Morúa kennen, op een boogscheut van de partijlokalen van PS en SP. Dié deuren gingen toen voor hem nog niet open.

Het Castristische regime had Manuel Cuesta een duur uitreisvisum verkocht (zeer uitzonderlijk in Cuba), waardoor hij op kosten van de Italiaanse socialistische zusterpartij naar Europa kon. Hij sprak voor een Italiaanse parlementscommissie, nam deel aan een vergadering van de Socialistische Internationale (S.I.), had contacten met o.m. Italiaanse, Zweedse, Spaanse, Franse en andere hoge partijfunctionarissen, en werd geïnterviewd door verschillende kranten (waaronder De Morgen). Toch bleef de S.I. erg afstandelijk. Vele vakbonden en socialistische partijen onderhouden exclusieve en zelfs hartelijke contacten met de Cubaanse communisten, en negeren straal de eigen zusterorganisatie in Cuba. Delegaties reizen af en aan, en bezwijken meestal voor de nostalgische sfeer en de goed uitgekiende en goed getolkte contacten met charmante Cubanen, die stuk voor stuk de loftrompet horen te zingen.

Maar zoals Cuesta verder zegt: ’Omdat we verplicht worden te leven en ons uit te drukken via organisaties die het sociale leven monopoliseren en totaliseren, zullen wij, Cubanen, over het algemeen onze loyauteit fingeren. Wie Cuba wil analyseren, mag dit best niet uit het oog verliezen’.

Intussen zit Cuba in een neerwaartse spiraal. De Cubaanse economie beleeft dit jaar haar ergste crisis sinds de val van subsidieverstrekker USSR. De dualisering van de maatschappij is dramatisch, de inflatie ontwaardt de lonen, 100.000 arbeiders verliezen in één klap hun job in de suikerindustrie, het land verliest zijn kredietwaardigheid door de torenhoge buitenlandse schuld. In plaats van een opening te maken, duidde de nu 76-jarige Castro vorig jaar zijn 71-jarige broer als troonopvolger aan. En in juni jl. liet hij het communistische karakter van het regime zelfs als grondwettelijk onherroepbaar vereeuwigen: een wereldprimeur, op het ogenblik dat het regime zijn nadagen beleeft.

De interne oppositie gaat zich elke dag sterker structureren, de ledenaantallen groeien. De Cubaanse socialisten hebben op dit vlak het voortouw genomen. Het werd voor de S.I. steeds moeilijker te rechtvaardigen om als enige internationale haar zusterpartij niet officieel te erkennen en daadwerkelijk te steunen. Een keerpunt kwam er op 20 juli jl. Tijdens de raad van Latijns-Amerikaanse socialistische/sociaaldemocratische partijen in Caracas, en in aanwezigheid van een verbannen waarnemer van de Cubaanse socialisten, werd unaniem en onder applaus beslist dat de volgende vergadering in Cuba zal gehouden worden. Voor Castro wordt dit een moeilijke noot om te kraken. Waarschijnlijk luidt dit het einde in van een decennia oud geflirt met een autoritair en inefficiënt regime. De officiële erkenning door de S.I. en de bijkomende steun, waar de Cubaanse socialisten zo lang naar gesnakt hebben, lijkt nabij. Rijkelijk laat, maar hopelijk niet té laat. Want dit extreem gepersonaliseerd systeem zal de verdwijning van de máximo líder niet lang overleven. De aanloop tot de overgang is reeds ingezet. De vraag is niet of de overgang er komt, wél wié in dit proces de toon zet. Wie in het leven te laat komt, wordt door het leven gestraft…
Deze eerste bijdrage van Manuel Cuesta Morúa geeft een schets van de Cubaanse realiteit. In het tweede deel, dat in het oktobernummer van Samenleving en politiek wordt opgenomen, heeft hij het over het sociaal, economisch, politiek en cultureel project van de Corriente socialista, die een ‘positieve’ democratisering van Cuba nastreeft, zonder afbreuk te doen aan de sociale verwezenlijkingen van de voorbije periode.

Dirk Van den Broeck

|

Een Cubaanse sociaaldemocraat die zich richt tot een Europees publiek, krijgt af te rekenen met minstens zes verwante uitdagingen. Een eerste uitdaging houdt verband met de mythes rond Cuba: binnen de derdewereldcontext blijft het land nog steeds een politieke verleiding. De combinatie van sociale rechtvaardigheid en anti-imperialisme moeten het blijvend bewijs leveren van de mogelijkheid om een alternatieve weg te gaan. De tweede uitdaging is hiermee verwant. Kritiek wordt in Cuba gezien als een uiting van de oprukkende contrarevolutie, gestuurd door de aanhangers van een terugkeer naar het politieke verleden. De derde ontspruit uit de vorige. Critici in Cuba worden ervan verdacht de opvattingen te delen van dié Noord-Amerikanen die niet kunnen slikken dat een nabije invloedszone verloren ging. Vandaar de vierde uitdaging: vanuit de opvatting dat kritiek op de Cubaanse Revolutie natuurlijkerwijze neigt naar sympathie voor de VS, wordt verondersteld dat die kritiek geen sociaaldemocratische kritiek kan zijn. Immers, binnen de sociaaldemocratische traditie houdt men een gezonde afstand tot de VS, wat niet het geval zou zijn voor de sociaaldemocratische linkerzijde in Cuba. De vijfde uitdaging: een Cubaanse sociaaldemocraat moet dus wel een roze uitvinding zijn van de VS. En tenslotte: een sociaaldemocratisering van de Cubaanse samenleving verloopt best via de communistische partij i.p.v. via de sociaaldemocratie.

Als sociaaldemocraten zitten we dus in een ongemakkelijke positie. Vanuit drie machtscentra worden we scheef bekeken: vanuit de Communistische Partij van Cuba (PCC), vanuit de VS, en vanuit enkele sociaaldemocratische partijen. In dit stuk zullen we aantonen dat onze visie precies drie gevoeligheden combineert: voor sociale rechtvaardigheid, voor democratie en voor nationale onafhankelijkheid.

Een realiteit zonder toekomst

Het huidige Cuba geeft geen samenhangend antwoord op deze drie gevoeligheden. Geen enkele sociaaldemocraat mag onwetend blijven over de zeer vele sociale en politieke tekortkomingen in mijn land (de vergelijking met de rest van Latijns-Amerika zorgt misschien voor psychologische compensatie, maar heeft verder weinig bewijskracht).

Onderwijs, gezondheid, sociale prestaties onder druk

We mogen dan wel beschikken over een gratis en universeel onderwijs- en gezondheidssysteem, dit neemt niet weg dat op beide vlakken de toestand problematisch is. De kwaliteit van het onderwijs is op vrijwel geen enkel niveau goed te noemen, het onderricht is niet aangepast aan de culturele grondslagen van een modern onderwijs. De leerlingen krijgen geen attitudes bijgebracht om zelfstandig en kritisch te leren denken, analyseren en handelen, wat nochtans een vereiste is om verdraagzame en democratische persoonlijkheden te vormen. De combinatie tussen studie en landarbeid betekent dat leerlingen als bijkomende arbeiders ingeschakeld worden in de productie, wat neerkomt op uitbuiting van jongerenarbeid. Door dit systeem blijft er minder tijd over voor de studie, wat ten koste gaat van de aangeleerde vaardigheden en het kennisniveau. Afgezien van de technische vakken, gaat het onderricht in de overige specialiteiten gebukt onder een partijgebonden pedagogie die heel het onderwijs ideologiseert. Niet alles mag geweten worden en niet alles mag gecommuniceerd worden aan derden, en datgene waarover men toch mag communiceren, is niet voor iedereen bestemd. Er heerst dus ongelijkheid op het vlak van de toegankelijkheid van de kennis - wat niet enkel de kwaliteit van het onderwijs aantast. Een zichtbaar voorbeeld? Dat van de journalisten. Wie in Cuba aan sociale communicatie doet, moet per definitie of in zijn hart een communist zijn. Er is géén toegang tot internet, tenzij via het bedrijf, en dan nog uitsluitend voor enkele weinige gemachtigden.
De structuur van het onderwijs is ondemocratisch: de ouders kunnen niet kiezen welk type van opvoeding ze zullen geven aan hun kinderen, de leerlingen en studenten kunnen niet kiezen wát en hóe ze willen leren, en de leraren en professoren beschikken niet over de academische vrijheid die het onderwijs meer open en flexibel zou maken. Dit alles binnen een extreem gecentraliseerd systeem dat geen autonomie toestaat aan de lokale gemeenschappen en overheden. Vele studenten haken af, jongeren prostitueren zich, professionals emigreren of verlaten het beroep, waardoor ze de kostbare keten van opgestapelde kennis verbreken, die zo belangrijk is voor de duurzame ontwikkeling van het land. Vele ouders betalen leraren om privélessen wiskunde, fysica, scheikunde of Engels te geven. De Staat kent zelfs licenties toe voor die Engelse privélessen. Het gaat hier om een embryo van privéonderwijs waarvan massaal gebruik gemaakt wordt door diegenen die het kunnen betalen, en dat op alle niveaus opduikt: vanaf de lagere school tot aan de universiteit. Deze mercantilisering verdeelt het onderwijs in haves en haves not. Het zijn meestal de leerkrachten uit het openbaar onderwijs zelf die deze privélessen geven, wat, gezien de afwezigheid van enige regelgeving, aanleiding geeft tot mechanismen van omkoping en personalisering van het onderwijs in functie van de koopkracht van ouders en leerlingen.

De gratis toegang tot de gezondheidszorg is een zéér belangrijk gegeven. Op dat gebied hebben wij, Cubanen, een opmerkelijke inspanning geleverd. Deze gratis gezondheidszorg versterkt de mythe van de revolutie en stelt de regering in staat solidariteitsacties in het buitenland te voeren, die terecht op grote waardering kunnen rekenen. Maar naar binnen toe verzwakt het gezondheidssysteem. Niet omwille van de kwaliteit van de artsen, maar omwille van de kwaliteit van de infrastructuur en de dienstverlening. Dit bracht een mercantilisering tot stand van de meest gespecialiseerde sectoren van de gezondheidszorg: georganiseerd vanuit de Staat zelf, en spontaan groeiend vanuit de maatschappij. De Staat stelt privéklinieken en medicamenten ter beschikking tegen dollars, in principe voor buitenlanders. De maatschappelijke krachten privatiseren de openbare gezondheidszorg door de beste zorgen te waarborgen voor wie ze kan betalen, in natura of in geld.
In die zin is men een gevaarlijke, paradoxale weg aan het opgaan: een Staat die om doctrinaire redenen de markteconomie verwerpt, is bezig een gemercantiliseerde samenleving te creëren, waar de sociale prestaties deel beginnen uit te maken van het marktspel van vraag en aanbod, en wel op twee bij uitstek sociale domeinen. De breuk in de sociale rechtvaardigheid is een werkelijkheid die misschien niet zo aan het licht komt, vanwege het ontbreken van een debat in de media; toch snijdt deze breuk diep in de sociale structuren. Een maatschappij vol bureaucratische privileges is bezig plaats te maken voor een maatschappij met privileges voor de bezitters van dollars. Het is niet meer het principe van de verdelende rechtvaardigheid dat ieders aandeel bepaalt in de rijkdommen, maar de toegang tot de dollar. Zonder de sociale prestaties, zou men kunnen stellen dat Cuba bezig is te Latijns-Amerikaniseren. Vergeleken met Latijns-Amerika is er nochtans een conceptueel verschil. Volgens de wet is Cuba een socialistische staat, en is de arbeider de enige die, theoretisch althans, de economische goederen voortbrengt én de verdeling ervan regelt, en dit direct van bij de productie zelf. Als we dit voor waar zouden aannemen, dan zou de Staat dus geen enkele rol spelen in het aanbod van sociale rechtvaardigheid.
Maar dan stellen zich twee fundamentele vragen. Eerste vraag: indien de Staat de fictie volhoudt dat de Cubaanse samenleving sowieso al sociaal rechtvaardig is - liever dan dat hij de samenleving rechtvaardiger probeert te maken via politieke oplossingen voor de vele dringende en niet vervulde behoeften van de huidige Cubaanse maatschappij - hoe komt het dan dat de maatschappij altijd maar ongelijker wordt? Ofwel is de Staat bezig zijn eigen concept overboord te gooien, ofwel geeft hij geen gepaste antwoorden aan de nieuwe situatie. Men zou zich de vraag kunnen stellen of we in Cuba te maken hebben met een communistische regering, dan wel met een regering samengesteld uit communisten. Tweede vraag: de sociale prestaties houden geen gelijke tred met de ontwikkeling van de mercantilisering van de maatschappij die men ons opdringt. Ze worden marginaal op tweeërlei manieren: ten eerste omdat ze enkel voldoen aan behoeften van dié groepen die er niet in slagen zich in te schakelen in de snel om zich heen grijpende mercantilisering van de samenleving, en ten tweede omdat ze ontoereikend zijn om in de meest dringende noden te voorzien: voeding, kleding en woning. Deze tegenstelling houdt gevaren in voor het heden, en nog meer voor de toekomst van onze idealen: omwille van de interne aftakeling, en omwille van geopolitieke redenen. Een land waarin de realiteit er steeds slechter uitziet en de belangrijkste referentiepunten steeds meer wegslijten, heeft geen verweer tegenover de reële gevaren, die ons zeker niet ontgaan. Ons verzet, als sociaaldemocraten, tegen het embargo en de politieke opvattingen van de VS ten aanzien van Cuba, heeft alles te maken met ons besef dat wij vlak tegenover de VS gelegen zijn: de belangrijkste wereldmacht, die over de mogelijkheid beschikt om de Cubaanse economie op te slorpen, en die een eeuwenoud project koestert om Cuba te domineren.

Onsamenhangende economische veranderingen

De impact van de economische structuurhervormingen is heel goed zichtbaar in de wereld van de arbeid. Zij liggen aan de basis van de fundamentele mutaties, die kunstmatig verborgen worden gehouden door de machthebbers. In plaats van een samenhangend geheel van diverse eigendomsvormen, biedt men ons een reeks los van elkaar staande economische formaties aan, die enkel met elkaar verbonden zijn via hun relatie tot de Staat. Vele joint ventures, die functioneren zoals eender welk kapitalistisch bedrijf, werken met hun rug naar de interne markt, ten dienste van de buitenlandse markt: in de staal- en metaalverwerkende industrie, de voedingsnijverheid (vooral in de verwerking van producten van de zeevisserij). De bedrijven die in handen zijn van de Staat, (de meerderheid) vallen uiteen in 2 soorten: diegene die het traditionele model van de ’socialistische’ economie blijven volgen - inefficiënt vanuit economisch standpunt, maar efficiënt1 vanuit het standpunt van de politieke controle - en anderzijds dié bedrijven die experimenteren met erg beperkte hervormingen in het management, in een mislukte poging tot modernisering. In de dienstensector (toerisme, goederenverhandeling) ontstaan nieuwe monopolistische bedrijfscomplexen (meestal in handen van het leger), die voedsel geven aan een staatskapitalisme van mercantilistische aard, geënt op de gedollariseerde sector van de economie. De coöperatieven en de familiale bedrijfjes worden in hun ontplooiing geremd door de hindernissen die de regering hen in de weg legt. De coöperatieven (veelal werkzaam in de landbouw) kunnen hun producten niet vrij verhandelen. De familiale bedrijfjes, actief in de dienstensector (restaurantjes, cafetaria’s, pensionnetjes) zijn het slachtoffer van een fiscale politiek die elke stimulans wegneemt. Binnen zulk kader is elke duidelijke economische strategische lijn afwezig. Dit gebrek aan oriëntatie komt duidelijk tot uiting in het gevaarlijk naast elkaar opereren van verschillende markten. Er is vooreerst de gerantsoeneerde markt: maar het rantsoenboekje dekt slechts de behoeften van een klein deel van de maand, en geeft niet eens toegang tot alle basisproducten van de huishoudkorf (fruit, vlees, melk), terwijl vele producten zelden verkrijgbaar zijn (olie, kip, maandverband,…). Het gros van de overige binnenlandse producten moeten tegen veel hogere peso-prijzen aangekocht worden op de gewone markt, volgens vraag en aanbod, of in de dure dollarwinkels, waar zowat alle, in de regel geïmporteerde kwaliteitsproducten verkrijgbaar zijn. Er bestaat een kredietmarkt, enkel toegankelijk voor de met de Staat gelieerde bedrijven, er is een investeringsmarkt voor buitenlandse bedrijven, waarbij de toelating tot investeren niet via openbare aanbestedingen loopt, maar waar de kapitalisten willekeurig uitgekozen worden. Er bestaan taksvrije zones; er is een groothandelsmarkt, ontoegankelijk voor de familiale bedrijfjes; er bestaat een arbeidsmarkt, beperkt tot de toeristische sector, en er bestaan 2 wisselmarkten: één voor bedrijven en buitenlandse toeristen, één voor Cubanen. Op economisch vlak, kan Cuba dus worden gedefinieerd als een uitdaging voor het moderne rationele denken. De huidige situatie legt een zware hypotheek op de overlevingscapaciteit van het land. Twee soorten economieën tekenen zich af: een economie van de macht, met zijn officiële bedrijven en mechanismen, en een economie van het verzet, met zijn informele vormen van ruil en handel, bedreven door diegenen die niet passen in de dollareconomie.

Dualisering van de samenleving

Hoe weerspiegelt zich dat in de samenleving? In principe via een breuk in de wereld van de arbeid. Er is een zeer duidelijk onderscheid tussen, aan de ene kant de werknemers uit bedrijven verbonden met de dollar of bedrijven die zich moderniseren, en aan de andere kant de werknemers uit de traditionele bedrijven. Ze nemen op een ongelijke manier deel aan de markt, en ongelijk zijn ook hun belangen. De officiële vakbonden die de belangen van deze twee soorten werknemers in een syndicale werking voor de werknemers zouden kunnen verenigen, organiseren een werking afgestemd op de belangen van de Staat. Structuur en werkwijze van de Cubaanse bonden hebben dan ook niets van doen met die van de vakverenigingen in het westen.

Over het algemeen hangt het welzijn van de werknemers meer af van factoren die onafhankelijk zijn van hun arbeidsprestaties binnen het productieproces. Een gemiddelde loontrekker verdient 240 peso’s (9 euro!) per maand, terwijl gemiddeld 1.000 peso’s (40 euro) per gezinslid nodig zijn om de basisbehoeften te dekken.2 & 3
Hoe voorzien de Cubanen dan in hun levensonderhoud? Via de kanalen en de poriën die de economische dualisering en de dollarisering openen in de staatseconomie. De Cubaanse economie van vandaag drijft hoofdzakelijk op het toerisme en de dollargiften van de geëmigreerde familieleden. Daarrond ontwikkelen zich informele markten en nieuwe sociale sectoren: sommige zijn al present, andere zijn nog in volle overgang. De zuiver traditionele werknemer die enkel leeft van zijn loon, is aan het verdwijnen, en is vooral nog te vinden in de streken met weinig economische activiteit, in de rurale zones en in enkele provincies van het binnenland. We treffen de arbeider zowel aan als koper en verkoper op de informele markt, als uitbater van een klein gezinsbedrijf, of terwijl hij aanschuift in de bank om de dollars op te halen die hij vanuit het buitenland toegezonden krijgt.

De economisch actieve sectoren omvatten dus o.m. de gedollariseerde gezinnen die leven van wat ze uit het buitenland ontvangen, de nieuwe middenklasse verbonden met bepaalde dienstensectoren zoals de informatica en het toerisme, de kleine familiale bedrijven. Daarnaast heb je niet-actieve sectoren die overleven tussen de gerantsoeneerde markt en de informele economie. Zoals altijd worden diegenen die maatschappelijk het zwakst staan, het meest getroffen: de bejaarden, de vrouwen, de zwarten, de arbeiders met de blauwe kiel4 en de jeugd. Velen onder hen voeden de economie van het verzet. Een economie van de derde leeftijd waarin bejaarden met zeer lage pensioenen actief zijn, en die zich verplicht zien bepaalde producten die ze met hun rantsoenboekje aangekocht hebben, door te verkopen volgens vraag en aanbod: sigaretten, sigaren, koffie; of nog, de krant, die ze tegen een honderdvoudige prijs doorverkopen. Een economie van de dienstboden, bevolkt door de vele vrouwen die gaan wassen, babysitten, schoonmaken of koken bij particulieren; en niet te vergeten, de zeer jonge vrouwen die zich wijden aan de prostitutie (geregeld sluit de Staat deze jonge vrouwen op in de zogenaamde ’heropvoedingskampen’). Een economie van de misdaad, die voornamelijk, maar niet uitsluitend gevoed wordt door zwarte jeugdigen die zich wijden aan de verkoop van producten die gestolen zijn uit de bedrijven. Een zuiver informele economie waaraan mensen uit alle sectoren deelnemen, via de speculatieve verkoop van legaal aangekochte goederen.

En zo verandert Cuba dus in een land waarin de verscheidenheid zich in hoofdzaak uit via de ongelijkheden tussen de mensen. De weerslag daarvan in de rassenkwestie bv. is zorgwekkend. Bij de overwinning elimineerde de Cubaanse revolutie de institutionele basis van het racisme, riep de formele gelijkheid uit tussen zwarten en blanken, maar vaardigde geen maatregelen uit om tot een proportionele vertegenwoordiging te komen in de staatsstructuren en in de media. Evenmin zette ze een project op poten om geleidelijk aan de racistische ideeën te elimineren die in onze cultuur ingebakken zitten.

De dollarisering en de partiële modernisering (met de daaraan gekoppelde opwaardering van de academische kennis) wakkerden de sociale verschillen aan, en vormden de voedingsbodem voor de wedergeboorte, vanaf de jaren 1990, van cultureel ingewortelde racistische gedragingen, die nog versterkt worden door de reële achterstand van de zwarten t.a.v. de blanken. De zwarten in Cuba ontvangen gewoonweg niet de dollars die nodig zijn om gedollariseerde families te vormen die volledige toegang hebben tot de gemercantiliseerde samenleving. Net zo min beschikken ze over solide banden met de bureaucratie. We dreigen dus een gevaarlijke grens te overschrijden: de Cubaanse maatschappij wordt institutioneel racistisch op cultureel en economisch vlak, hoewel dit niet zichtbaar is in het beleid van de Staat. Die is zeker bezorgd over het fenomeen, maar doet er zeer weinig aan om deze breuk in de samenleving te verhelpen (overigens wordt deze samenleving door de etnische vermenging steeds homogener).

Morele schizofrenie

Van de sociale breuk naar de morele breuk. Er is een duidelijke en volgehouden scheiding tussen het politiek, ideologisch, economisch en cultureel discours van de machthebbers enerzijds, en de sociale werkelijkheid anderzijds, waaraan dat discours nochtans zou moeten beantwoorden. Vandaar een morele schizofrenie, waarbij de woorden en de sociale en politieke gedragingen niet uitdrukken wat de individuen denken en wensen. Daardoor leven we in een sceptische maatschappij die voortdurend zijn openbare instellingen voor de aap houdt en ze van hun prestige berooft. En dit is niet enkel te wijten aan de zwakte van de morele grondslagen van de maatschappij. Het ligt vooral aan het onvermogen van de officiële openbare instellingen om het economische, politieke, sociale en culturele pluralisme van de maatschappij tot ontplooiing te laten komen, en aan de weigering van de Staat om het ontluikend pluralisme institutioneel te erkennen. Omdat we verplicht worden te leven en ons uit te drukken via organisaties die het sociale leven monopoliseren en totaliseren, zullen wij, Cubanen, over het algemeen onze loyauteit fingeren. Wie Cuba wil analyseren, mag dit best niet uit het oog verliezen.
Het is begrijpelijk dat de kerken, vooral de katholieke, een steeds vooraanstaandere rol gaan spelen in het sociale leven: ze bieden morele, ethische en spirituele inhouden aan, die vele mensen in Cuba opnieuw een houvast geven. In die zin kan men zeggen dat de Cubaanse samenleving in een moreel conservatieve richting evolueert, die goed past bij het politieke conservatisme van de Staat. We moeten maar kijken naar de overeenstemming tussen de katholieke kerk en de communistische partij wat betreft de homoseksuelen, om te beseffen op hoeveel moeilijkheden een
authentieke sociaaldemocratische agenda zal stoten.

Een democratische overgang

Het is binnen deze context dat wij de noodzaak formuleren van een democratische overgang. Hoe kunnen we vermijden dat deze overgang dezelfde paden volgt als in vele landen van het Oosten van Europa? Of, om het meer bij de specifieke situatie van Cuba te houden, hoe kunnen we vermijden dat in ons land bepaalde ongelukkige passages uit het sociale en politieke verleden terugkeren?
Twee overwegingen zijn hierbij op hun plaats Een eerste overweging is dat Cuba al in beweging is, en dit in weerwil van het politiek geïnspireerd immobilisme van de instellingen. De sociale, economische, culturele en ideologische realiteit, die de basis vormt voor iedere samenleving, is allang aan het veranderen. Wat wij voorstellen is coherentie in het proces, en een duidelijke en weloverwogen afstemming van de politieke wil van de regering op de nieuwe binnenlandse en mondiale realiteiten. Een tweede overweging is dat Cuba in zekere zin al aan het terugkeren is naar het verleden. De prostitutie en de sociale ongelijkheden zijn er sprekende getuigen van. Maar anders dan in het verleden beschikt Cuba niet over het noodzakelijke economische instrumentarium, noch over een duurzame en uitgebreide middenklasse, die als steun en tegengewicht zou kunnen fungeren tegenover de oprukkende buitenlandse economieën. Onze economische zwakheden zijn zo uitgesproken dat het verleden een gegarandeerd krachtig demonstratie-effect uitoefent. En dat is gevaarlijk: het zou kunnen zorgen voor de psychologische legitimatie van een weerwraak, vanuit Miami, vanwege diegenen die er vroeger in geslaagd waren van Cuba een goudmijn te maken ten dienste van hun eigen belangen en van de VS-belangen, een Cuba dat behept was met afschuwelijke ongelijkheden van alle soort. Zeer zeker, vóór de revolutie van 1959 was ons land geen bananenrepubliek (Cuba was de derde economie van Latijns Amerika, na Argentinië en Uruguay).5 Maar wie wist dat? Cuba stond niet in het middelpunt van de belangstelling: de burgerij en de politici van voor 1959 liepen geen propaganda te voeren over de economische successen. Indien ze dat gedaan hadden, zouden de Europeanen nu misschien niet met het beeld zitten dat Cuba voor 1959 zo iets was als Haïti. Wat we wel waren, was een politiek protectoraat van de VS. De revolutie van 1959 schudde de Noord-Amerikaanse macht van ons af, en gaf de weg aan voor een algemeen verhoopt en ook wenselijk nationaal project. Nu, 43 jaar later, met een zwakke economie, zijn we zeer kwetsbaar voor de scherende vlucht van de adelaar. De enige manier om een rampzalige overgang te vermijden, is via een progressieve politieke stroming die kadert in Cuba’s westerse traditie, maar die onze sociale verworvenheden vrijwaart, en die de democratische participatie opent naar nieuwe politieke actoren, die vooruit kijken, in plaats van achteruit. Een progressieve stroming, die ijvert voor een sociale markteconomie en politiek pluralisme, dat is de meest efficiënte barrière tegen dat verleden. En dat houdt in dat men alle voorstellen erkent die kunnen rekenen op een natuurlijke legitimatie op moreel, sociaal en politiek vlak, en die rekening houden met de omstandigheden waarin Cuba nu zit.

De CSDC (Corriente Socialista Democrática Cubana) biedt een herkenbaar alternatief voor een progressieve overgang in Cuba. Want zulk een overgang in ons land kan enkel sociaaldemocratisch zijn. Ik zie niet in hoe de Cubaanse samenleving zich in positieve zin zou kunnen openen zonder stevige sociaaldemocratische stimulansen. Welk is dan ons antwoord op de uitdaging van de sociaaldemocratisering van Cuba?

Zijn de communisten sociaaldemocratiseerbaar?

Indien de sociaaldemocratisering van Cuba in het gemeenschappelijk belang is van al wie geïnteresseerd is in een meer open en sociaal Cuba, dan is er geen enkele reden om te verhinderen dat er een veelvoud aan voorstellen komen en mogelijkheden aangeboord worden die in sociaaldemocratische richting gaan; of dat nu van binnen de communistische partij komt, dan wel vanuit de CSDC. Hoe meer alternatieven in die richting gaan, hoe meer garanties voor het verhoopte perspectief. Nochtans, een resoluut pragmatische inspanning om de Cubaanse communistische partij sociaaldemocratisch te maken, zou op heel wat moeilijkheden kunnen stuiten. Ten eerste: niemand heeft al kunnen antwoorden op de vraag of de PCC wel wenst sociaaldemocratisch te worden. Ten tweede: niemand heeft zich afgevraagd of ze wel sociaaldemocratisch kán worden. Ten derde: hoe kan men een ideologische inversie rechtvaardigen van een partij die meer uitgaat van een ‘revolutionaire’, autocratische en stalinistische logica, dan van een parlementaristische logica? Ten vierde: het feit dat de PCC een tiental jaren geleden de kansen gemist heeft om een geordende overgang naar een modernere maatschappij in te zetten, tast vandaag de morele legitimering aan voor een dergelijke ommezwaai. Mogelijk, waarschijnlijk zelfs, bestaat er binnen de PCC enige hervormingsgezinde strekking. In een partij zoals de communistische biedt dat echter geen garantie. Ten vijfde: de sociaaldemocratische traditie in Cuba ontstond vanaf 1901-1902, en is dus ouder dan de communistische (de eerste Communistische Partij dateert pas van 1925). Ze ontstond bovendien buiten de communistische tendensen. Sinds 12 jaar vindt ze haar hernieuwde uitdrukking in de Corriente Socialista Democrática Cubana - CSDC. Dat stelt de PCC voor een probleem van authenticiteit en politiek-ideologische legitimering, wat ook afstraalt op het morele en politieke vlak: een communistische partij die zich sociaaldemocratiseert, zal op een overtuigende manier moeten uitleggen welke de oorsprong en de ideologische basis zijn van haar inhoudelijke ommezwaai. Tegelijkertijd zou ze bij een dergelijke opening een groot deel van haar basis verliezen: ze is te lang geassocieerd geweest met repressieve praktijken. Al bij al komt het er niet op aan te verhinderen dat de PCC zich op een legitieme wijze sociaaldemocratiseert. In elk geval zal de realpolitik altijd meer doorwegen dan de moralpolitik. In mijn analyse combineer ik beide invalshoeken, waarbij ik er echter de nadruk wil op leggen dat de morele factoren tijdens de overgang hun gewicht zullen laten gelden in de reële politieke evolutie van de samenleving.

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1. De suikerindustrie - eeuwenoud symbool van de natie - behoort tot de onefficiëntste van het land. De laatste jaren produceerde ze nooit meer dan 3,3 miljoen ton, tegenover 6 à 7 miljoen in het verleden. Daarom voorziet men dit jaar de sluiting van 71 van de 154 suikercentrales.
2. Het gemiddelde loon bedroeg in 1958 75 peso’s per maand (de peso was toen 1 dollar waard). Vandaag is dat 240 pesos’s, 3 keer meer, maar de voedselprijzen op de vrije markt in peso zijn tussen 1957 en 1998 verveertigvoudigd. Eén pond bruine bonen kost 8 peso’s per pond (100% van een gemiddeld dagloon); één pond ongereinigde rijst kost 5 peso’s per pond, of 60% van een gemiddeld dagloon - in 1958 2% -. Eén pond varkensvlees kost 3 daglonen - in 1958 8% van een dagloon -. Het rantsoenboekje geeft recht op véél lagere voedselprijzen, maar slechts voor enkele producten (niet voor vlees) en in zeer beperkte hoeveelheden: nauwelijks genoeg om de eerste week van de maand door te komen (bv. 1 pond bonen en 2,25 kg rijst per maand, 80 gram slecht brood per dag). Einde 1960 klaagde het regime zelf in het officiële maandblad Trabajo de lage daglonen aan die vóór de revolutie in de landbouw betaald werden: ’slechts $2 tot $2,5 per dag’ (1 peso was = $1). Een veelvoud van het huidige loon! In hetzelfde blad wordt eraan herinnerd dat de nieuwe regering het wettelijk minimum pensioen op 40 peso’s per maand heeft gebracht - vandaag bedraagt het amper 120 peso’s ($4,5), bij 40 keer hogere peso-prijzen (Havana, december 1960)!
3. In 1996-1998 was 19% van de Cubaanse bevolking ondervoed, 14 Latijns-Amerikaanse landen deden het beter; met 22% tot 24% deden Honduras, Bolivia en Guatemala het nauwelijks slechter (FAO-Committee on World Food Security- 27th session - Rome, 28-5-2001, bijlage, tabel 2). De daling van de levensstandaard in 2002 laat vermoeden dat de toestand er niet beter op geworden is.
4. Ik bedoel hiermee diegenen die voor een vast loon werken in de traditionele industrieën (bv. in de suikerindustrie) en in de gemeentelijke bureaucratische instellingen, en de arbeiders wier loon afhangt van de verkoop van producten die geen uitweg vinden op de exportmarkt of op de gedollariseerde markt.
5. De Cubaanse regimetrouwe historicus, professor Jorge Ibarra Cuesta beschrijft het Cuba van voor de revolutie aldus: ’In dat decennium genoot Cuba één van de hoogste inkomens per capita van het subcontinent, de 2de plaats…Dat bedroeg in 1957 gemiddeld $374. …In 1953 kon 76.4% van de bevolking lezen en schrijven; in die zin werd het eiland enkel overtroffen door Argentinië (86.4%), Chili (79.5%) en Costa Rica (79.4%). Cuba stond op de 3de plaats wat betreft het aantal artsen per inwoner. In 1952 had het een van de gunstigste kindersterftecijfers van Latijns-Amerika, het kwam vlak na Argentinië en Uruguay. De gemiddelde voedselconsumptie werd enkel overtroffen door Argentinië en Uruguay. De Cubaanse arbeiders beschikten over de beste lonen en de meeste progressieve sociale wetgeving van Latijns Amerika’ (Cuba: 1898-1958: Estructura y procesos sociales, La Habana 1995, p.194 en 233).
6. http://www.inisoc.org/csdc1.htm

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 29 tot 38