Abonneer Log in

De tijd: een democratisch schaars goed?

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 12 tot 21

Tijd is onverbiddelijk. Elke seconde die voorbij tikt, is een seconde die we voorgoed kwijt zijn. Een seconde die niet meer terugkomt. Hoe steviger we ons proberen vast te klampen aan die seconden, hoe sneller ze ons ontglippen. En we willen maar al te graag de tijd wat kunnen vasthouden, verzamelen of onszelf wat meer tijd kopen. Zeker naarmate het gamma aan activiteiten waarin we kunnen participeren steeds groter wordt en het steeds moeilijker wordt deze in te passen in de 24 uur die ons gegeven zijn (Kaufman-Scarborough, Lindquist 1999: 151). Als een streng maar rechtvaardige heerser, heeft de tijd ons immers slechts 3600 seconden per uur gegeven, 24 uur per dag en 7 dagen per week. Niet meer, niet minder en voor iedereen gelijk (Glorieux, Koelet, Moens 2001: 164). Of men nu rijk of arm is, slim of dom, machtig of zwak, man of vrouw, niemand kan voor zichzelf meer tijd bedingen dan dat. In die zin is tijd één van de meest democratische schaarse goederen.
Maar is iedereen ook even vrij om zelf te bepalen wat hij in die tijd doet? Vermits de tijd schaars is moeten er keuzes gemaakt worden: de tijd moet verdeeld worden over verschillende activiteiten (SCP, 2000: 189). De keuzevrijheid die men daarbij heeft, is niet zo democratisch verdeeld. De vrijheidsgraden om met de beschikbare tijd om te gaan zijn immers niet alleen een kwestie van persoonlijke voorkeuren. Ze zijn ook een uitdrukking van sociale waarden, attitudes, normen, rollenpatronen en machtsverhoudingen (Glorieux, Koelet, Moens 2001: 164). Dit wordt vooral erg duidelijk wanneer we de tijdsbesteding van mannen en vrouwen vergelijken.

Het axioma van de gendergebonden prioriteiten

Vrouwen ondervinden meer beperkingen bij de indeling van hun tijd dan mannen. Zij moeten namelijk rekening houden met activiteiten die verricht moeten worden in het kader van zowel betaalde als onbetaalde arbeid (huishoudelijk werk en kinderzorg). Pas dan kijken ze naar hoeveel tijd er nog te rapen valt voor meer ontspannende activiteiten. Mannen komen daarentegen veel sneller toe aan tijd voor henzelf. Enkel als ze betaalde arbeid verrichten, kent dit meer prioriteit dan hun vrijetijdsbestedingen. Als er na deze twee activiteiten nog tijd over is, besteden ze dit pas aan onbetaalde arbeid (Sabbadini, Camporese 1998). In het vervolg zullen we dit het axioma van de gendergebonden prioriteiten noemen.
Deze verschillende logica bij de indeling van de tijd is niet enkel terug te voeren tot persoonlijke voorkeur. Dat onbetaalde arbeid bij vrouwen, en niet bij mannen, meer prioriteit krijgt dan vrije tijd, heeft te maken met het feit dat vrouwen zich op dat gebied nog steeds, veel meer dan mannen, verantwoordelijk voelen. Deze verantwoordelijkheid is niet iets waar zij vrij voor kiezen maar hangt samen met traditionele rollenpatronen, machtsverhoudingen en waarden. Traditioneel zijn vrouwen verbonden met de gezinsrol en mannen met de (betaalde) arbeidsrol. Mede door bepaalde machtsverhoudingen in het gezin en op de arbeidsmarkt, wordt de arbeidsrol nu gedeeld door mannen en vrouwen, maar heeft de gezinsrol niet dezelfde evolutie doorgemaakt. Dit blijkt ook uit de bezorgdheid die recent te horen is op verschillende congressen over tijdsbesteding, over de verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid (ESA, Helsinki, september 2001; IATUR, Oslo, oktober 2001; Network on the division of unpaid labour, Brussel, oktober 2001). Steeds komt men tot dezelfde conclusie: hoewel vrouwen zich de laatste 25 jaar massaal op de arbeidsmarkt hebben begeven, blijven ze alleen de verantwoordelijkheid voor het gezin dragen. Mannen hebben zich in veel mindere mate het huishoudelijke werk en de kinderzorg toegeëigend, dan vrouwen dat met jobs hebben gedaan. Vele mannen weigeren nog steeds een even groot aandeel in het huishouden op te nemen dan vrouwen, maar ook sommige vrouwen weigeren een deel van hun macht in het gezin op te geven. Vrouwen hebben van thuis uit vaak bepaalde waarden of normen meegekregen over hoe een huishouden moet gerund worden en hoe kinderen moeten opgevoed worden en hebben er soms geen vertrouwen in dat mannen deze in dezelfde mate aanhangen. Door een complex samenspel van deze en nog andere factoren ervaren vrouwen nog steeds een grotere verantwoordelijkheid voor het gezin en dit beperkt hen in de keuze van hun tijdsbesteding. Deze beperkte keuzevrijheid is nog een groot obstakel in de strijd naar gelijkwaardigheid tussen man en vrouw.
Het axioma van de gendergebonden prioriteiten is duidelijk zichtbaar in de Vlaamse tijdsbestedingsdata van 1999. Wekelijks brengen zowel mannen als vrouwen met een betaalde job de meeste tijd door op de werkvloer. Werkende vrouwen besteden daarbij ook nog eens evenveel tijd aan hun gezin, d.i. aan kinderzorg en huishoudelijk werk. Mannen daarentegen besteden hier wekelijks gemiddeld maar half zoveel tijd aan dan hun vrouwelijke collega’s. Na betaalde arbeid komt bij mannen namelijk vrije tijd op de tweede plaats. Zo is er bij hen een beter evenwicht tussen inspanning en ontspanning. Vermits vrouwen zowel met betaalde als onbetaalde arbeid moeten rekening houden, moet hun vrije tijd zich tevreden stellen met een derde plaats. Zij hebben wekelijks ruim 5 uur minder vrije tijd dan mannen.
In de schaarse tijd die hen gegeven is, proberen vrouwen die buitenshuis werken dus vooral hun verantwoordelijkheid op het werk en in het gezin te combineren. Mannen staan eerder voortdurend voor de keuze tussen hun werk en hun vrije tijd. Daarmee staan mannen voor een gemakkelijker opdracht dan vrouwen. De combinatie van betaald werk en vrije tijd verloopt gemakkelijker dan de combinatie van betaald werk en onbetaald werk. Vrije tijd en betaald werk behoren immers tot twee verschillende levenssferen, waarbij het eerste een intrinsiek ontspanningsgehalte heeft en het tweede een intrinsiek inspanningsgehalte. Beide activiteiten vullen elkaar dus goed aan. Onbetaald werk is, in tegenstelling tot vrije tijd, echter een erg veeleisende activiteit, die dezelfde soort energie vereist als betaalde arbeid. Vermoeidheid en stress die op het ene terrein gecreëerd worden, lopen over in het andere, vermits het beiden alternatieve vormen van werk zijn. Heel wat onbetaald werk verrichten, beperkt dus de hoeveelheid energie die men kan besteden aan betaalde arbeid (Bittman 1998: 17). Meer arbeidsuren zijn moeilijk te combineren met een zware huishoudelijke taak of de zorg voor kinderen (Shelton, John 1996: 307; Anker 1997: 3). Maar ook de normen en waarden die in deze twee levenssferen gelden, zijn vaak aan elkaar tegengesteld (Narusk, 1998). De combinatie van betaald en onbetaald werk hangt samen met conflicterende verantwoordelijkheden bij werkende vrouwen (zie Bielby & Bielby, 1988; Gershon 1985, Sticherman 1988; Elchardus & Glorieux 1994; Glorieux 1995:108). De twee rollen dwingen hen ertoe hun toewijding op te splitsen tussen werk en gezin, wat op zijn beurt leidt tot rolconflicten (Glorieux 1995:108). Een vrouw kan pas buitenshuis gaan werken op voorwaarde dat binnenshuis alles op rolletjes blijft lopen. Ook de parallelle timing van heel wat onbetaald en betaald werk, dwingt vrouwen tot voortdurende keuzes tussen beide. Vrouwen kunnen niet op twee plaatsen tegelijk zijn.
Omdat een job moeilijker te combineren valt met onbetaald werk dan met vrije tijd, besteden vrouwen hier gemiddeld veel minder tijd aan dan mannen. In die zin kan men dus niet spreken van een dubbele werklast voor vrouwen: de tijd die zij extra besteden aan huishoudelijk werk dan mannen, wordt gecompenseerd door minder uren betaalde arbeid. Er is echter wel sprake van een dubbele verantwoordelijkheid bij vrouwen, waardoor de keuze om minder betaalde arbeid te presteren niet altijd een vrije keuze is. De verantwoordelijkheid op gezinsvlak is mede bepalend voor de tijd die vrouwen kunnen investeren in een job en het engagement die ze aan een job kunnen geven. Ook al willen vrouwen misschien meer tijd investeren in hun job, ze kunnen niet doordat ze nog steeds alleen de verantwoordelijkheid voor het gezin dragen.

Waarom maken we echter dezelfde redenering niet voor mannen? Misschien willen mannen ook best wel meer tijd investeren in het gezin, maar kunnen ze dit niet doordat van hun nog steeds verwacht wordt dat zij de arbeidsrol opnemen. Deze redenering gaat niet op. De mannen uit het tijdsbudgetonderzoek die minder tijd besteden aan hun job, besteden de vrijgekomen tijd niet aan meer huishoudelijk werk of kinderzorg, zoals vrouwen dat doen, maar wel aan meer vrijetijdsactiviteiten (zie ook: Bittman, 1998: 22). Dus als ze de mogelijkheid hebben om meer in het huishouden te doen, benutten ze die niet altijd. Mannen verdelen dus eerst hun tijd over betaalde arbeid en vrijetijdsactiviteiten en pas als er dan nog tijd overblijft zullen ze wat helpen in het huishouden. Bij mannen en vrouwen zonder job leidt dit zelfs tot een verschil in totale werklast van bijna 13 uur per week. De tijd die deze vrouwen meer besteden aan huishoudelijk werk, wordt nu namelijk niet gecompenseerd door een grotere hoeveelheid betaalde arbeid bij de mannen, die ook hun aandeel in het huishoudelijke werk niet hebben opgeschroefd.
Voor werkende vrouwen werkt het axioma van de gendergebonden prioriteiten dus vooral beperkend op het vlak van de tijd die ze kunnen besteden aan betaalde arbeid. Een carrière uitbouwen is moeilijk te combineren met een volle verantwoordelijkheid op gezinsniveau. Voor niet-werkende vrouwen beperkt hun verantwoordelijkheid voor het gezin vooral hun vrijetijdsbesteding. Hun hogere werklast van 13 uur gaat ten koste van ongeveer evenveel vrije tijd per week tegenover niet werkende mannen.

Over de levensloop

Over de levensloop zijn duidelijke verschillen in tijdsbesteding waar te nemen, die samenhangen met de verschillende rollen die men gedurende het leven inneemt. Zo overheerst op een bepaald ogenblik de rol van scholier of van student, ouder of werknemer, om maar enkele rollen op te sommen. Door het axioma van de gendergebonden prioriteiten zal de interpretatie van deze rollen verschillen naarmate men een man of een vrouw is. De keuzevrijheid die men heeft bij het indelen van de schaarse tijd zal door die rollen ook erg verschillen over de levensloop.
Wat opvallend is, is dat vrouwen al een sterker verantwoordelijkheidsgevoel lijken mee te torsen dan mannen, nog voor er sprake is van betaalde en onbetaalde arbeid als prioritaire activiteiten. Uit de Vlaamse tijdsbudgetdata blijkt immers dat wanneer jongens en meisjes nog naar school gaan (16-18 jaar), meisjes reeds een 8 uur hogere totale werklast kennen dan jongens. Deze hogere werklast bevindt zich nog niet op het vlak van betaalde of onbetaalde arbeid, vermits deze jongeren nog thuis wonen en hoogstens slechts een bijjob hebben. Meisjes van deze leeftijd besteden per week echter gemiddeld ruim 8 uur meer tijd dan jongens aan school, huistaken, lessen leren en dergelijke schoolgerelateerde activiteiten. De hogere werklast van de meisjes gaat ten koste van bijna evenveel vrije tijd. Hoewel jongens en meisjes op die leeftijd nog dezelfde prioriteiten hebben, namelijk school en vrije tijd, zijn de meisjes dan reeds beperkter in de indeling van hun tijd dan de jongens. Het feit dat meisjes zich zo vlijtig op hun studie storten, is ook hier niet enkel een kwestie van persoonlijke voorkeur, maar ook van rolopvattingen, machtsverhoudingen, normen en houdingen. Ook wanneer deze jongens en meisjes na 18 jaar nog verder studeren, blijft dit verschil bestaan al zwakt het verschil van 8 uur af naar 3 uur per week.
Bij diegenen die reeds jong aan het werk zijn (19-23 jaar), maar nog thuis wonen, eist betaalde arbeid voor het eerst, naast vrije tijd, zijn voorrang op. Met onbetaalde arbeid hoeven deze jongeren nog niet veel rekening te houden bij de indeling van hun tijd. Vermits zowel voor jongens als voor meisjes betaalde arbeid een belangrijke activiteit is, zullen deze jongeren erg weinig van elkaar verschillen. Hun totale werklast is ongeveer gelijk en redelijk laag. De jongens en meisjes die het ouderlijk huis al verlaten hebben, worden echter geconfronteerd met zowel een verantwoordelijkheid op het werk als voor het gezin en hebben een veel grotere werklast. Zij moeten een strategie uitwerken om betaalde arbeid en een huishouden te combineren. De keuzes die zij hierbij maken zullen hun sporen nalaten in de rest van hun levensloop. Zoals we reeds zagen is het niet echt een vrije keuze, voor de meisjes alleszins. Op dit moment groeien jongens en meisjes weer uit elkaar. De strategie bestaat er namelijk in dat meisjes een stap terug zetten in de tijd besteed aan hun job om ook de verantwoordelijkheid voor het huishouden te kunnen opnemen. Deze beide activiteiten krijgen voor hen de prioriteit. Wanneer ze een eigen huishouden hebben, zien meisjes hun huishoudelijk werk toenemen van gemiddeld 3 uur naar gemiddeld 20 uur per week en om dit rond te krijgen besteden ze minder tijd aan hun job. Jongens verhogen hun inzet in het huishouden daarentegen slechts van 3,5 uur naar 5,5 uur per week eens ze alleen wonen. Hun job gaat voor op het huishouden. In deze levensfase gaan ze hier heel veel tijd aan besteden. Ze worden hiertoe aangemoedigd: je bent nog jong, nu moet je ervan profiteren om hard te werken en op te klimmen. Ook hun vrije tijd mag niet te veel lijden onder de nieuwe verantwoordelijkheid. Zij laten dus ofwel een deel van het huishoudelijke werk aan hun partner over, ofwel doen ze nog steeds beroep op hun ouders. Deze jongens spannen zich zo hard in voor hun werk dat ze uiteindelijk zelfs een bijna 8 uur hogere totale werklast per week hebben dan de meisjes. Dit is de enige keer dat de totale werklast van de jongens hoger zal zijn dan die van de meisjes. Wanneer de tijd besteed aan betaalde arbeid zich in de verdere levensloop terug zal normaliseren, zal de balans van de totale werklast in het nadeel van de meisjes omslaan. Hun aandeel in het huishouden zal enkel nog stijgen.
Na deze levensfase, komen we in een levensfase (24-42 jaar) die overeenkomt met wat wij de drukke leeftijd noemen (Elchardus 1996). De meeste mensen uit deze leeftijdsgroep hebben nu voor het eerst een eigen huishouden gevormd. Er moet zelf worden gekookt, opgeruimd, boodschappen gemaakt, gewassen en gestreken en daartussen moet er nog tijd vrij gemaakt worden voor de partner. Op deze leeftijd begint men ook vaak aan kinderen. Jonge kinderen moeten gehaald en weggebracht worden. Er moet met hen gespeeld worden en er moet bij huiswerk geholpen worden. Bovendien wordt dit vaak nog gecombineerd met een drukke baan. De tijd die men in betaalde arbeid investeert is op dit moment zowel voor mannen als voor vrouwen redelijk hoog, vermits dit het moment is waarop carrière gemaakt moet worden. Al deze verplichtingen eisen juist in deze levensfase veel aandacht op. Bij mannen is de druk iets minder groot vermits betaalde arbeid voor hen duidelijk nog altijd voorrang krijgt op onbetaalde arbeid. Als het thuis niet helemaal loopt zoals het moet lopen, zal vooral de vrouw zich schuldig voelen. Zij kent deze activiteit namelijk evenveel belang toe als haar job. Soms blijkt de combinatie van die twee echt te moeilijk te zijn en moet ze ervoor kiezen haar job tijdelijk of definitief opzij te schuiven. In deze leeftijdscategorie werkt 95% van de mannen en slechts 75% van de vrouwen. Uit de tijdsbesteding van de niet-werkende vrouwen van deze leeftijd, blijkt dat vooral kinderzorg een belangrijk deel van hun tijd inneemt. Veel vrouwen die in de drukke leeftijd niet werken, zijn dus vrouwen die thuisblijven om voor hun kinderen te zorgen. Ze trekken zich terug uit de arbeidsmarkt of ze zijn op bevallingsverlof of hebben een loopbaanonderbreking genomen. Door geen betaald werk te verrichten sparen deze vrouwen per week ongeveer 25 uur uit, waarvan ze 7uur besteden aan meer kinderzorg en bijna 10 uur aan meer huishoudelijk werk. Mannen zonder een betaalde job besparen ongeveer 30 uur per week aan betaalde arbeid. Zij besteden echter slechts ongeveer 3 uur daarvan aan meer huishoudelijk werk en niets daarvan aan meer kinderzorg. Iets meer dan 2 uur ervan gaat per week naar een opleiding. Mannen zonder een betaalde job krijgen dus vooral veel vrije tijd bij. Ook hier wordt de logica van de gendergebonden prioriteiten dus mooi gevolgd. Het resultaat hiervan is dat in de drukke leeftijd de totale werklast van niet-werkende vrouwen per week bijna 19 uur hoger ligt dan die van niet-werkende mannen.
Hoe zit het dan met vrouwen die op de drukke leeftijd wel een job hebben? Ook bij hen blijft de verantwoordelijkheid voor het huishouden hun tijdsbesteding bepalen. Net als bij werkende jongeren met een eigen huishouden, proberen vrouwen in deze levensfase huishouden en job te combineren door zich minder volledig aan hun job te wijden. Zij besteden gemiddeld 9 uur en 15 minuten per week minder tijd aan betaalde arbeid dan hun mannelijke collega’s. Dit is nochtans de leeftijd waarop men een carrière zou moeten uitbouwen. Het is dus te verwachten dat de gevolgen hiervan zich ook in hun verdere levensloop zullen laten gelden. Door minder tijd op het werk door te brengen, kunnen deze vrouwen thuis bijna tweemaal zoveel tijd aan huishoudelijk werk en kinderzorg besteden dan werkende mannen. Ook de mannen zijn nu echter meer gesetteld en moeten de tijd besteed aan huishoudelijk werk verdubbelen tegenover de vorige levensfase. De excessief hoge arbeidstijd uit hun jonge jaren moeten ze dus wat inperken om meer tijd te kunnen besteden aan het gezin. De opvatting dat per definitie de vrouw inlevert, hebben we dus achter ons gelaten. Niet alle tijd die mannen vrij gemaakt hebben voor het gezin gaat echter naar huishoudelijk werk en kinderzorg. Een deel gaat ook naar meer vrije tijd. Het uiteindelijke resultaat is dat de totale werklast van werkende vrouwen in deze levensfase toch nog meer dan 3 uur per week hoger ligt dan bij werkende mannen. (Voor meer over de kwaliteit van de vrije tijd van deze vrouwen: zie Bittman.)
De tijdsbesteding van werkende mannen en werkende vrouwen van 43 tot 65 jaar lijkt nog sterk op die van de werkende mannen en werkende vrouwen in de drukke leeftijd. Nu moet er wel minder tijd besteed worden aan kinderzorg. Vrouwen hebben zich de gezinsrol echter in die mate toegeëigend dat ze die tijd die ze minder voor hun kinderen moeten zorgen niet investeren in extra arbeidsuren, maar eerder in meer huishoudelijk werk. Ze schroeven hun betaalde arbeid in deze levensfase zelfs nog licht terug. Voor mannen betekenen de vrijgekomen uren vooral meer vrije tijd, hoewel ook zij hun huishoudelijk werk wat zien toenemen. Het verschil in totale werklast tussen mannen en vrouwen wordt in deze levensfase wat kleiner, namelijk 2 uur i.p.v. 3 uur meer per week.
De tijdsbesteding van niet-werkende mannen en niet-werkende vrouwen tussen 43 en 65 jaar lijkt reeds sterk op die van mannen en vrouwen in een volgende levensfase. Het gaat hier om en zeer heterogene groep van mensen met heel verschillende levenslopen. Enerzijds gaat het hier om moeders die hun kinderen het huis hebben zien verlaten, maar toch niet (terug) de arbeidsmarkt hebben vervoegd, omdat ze zich nooit met de arbeidsrol hebben geïdentificeerd of omdat ze moeilijk aan betaald werk geraken door hun lange afwezigheid op de arbeidsmarkt. Anderzijds gaat het om vrouwen die, net als veel mannen uit deze leeftijdscategorie, gestopt zijn met werken of op pensioen gegaan zijn. Deze mannen en vrouwen zorgen er vooral voor dat de tijdsbesteding in deze levensfase zo lijkt op die in de volgende levensfase. Voor deze mannen en vrouwen kan je wederom het axioma van de gendergebonden prioriteiten heel gemakkelijk toepassen. Mannen die stoppen met werken, verdubbelen hun tijd besteed aan vrije tijd en besteden de rest van de tijd die ze nog over hebben om wat meer huishoudelijk werk te verrichten. Vrouwen die stoppen met werken, vinden dat ze de vrijgekomen tijd aan huishoudelijk werk moeten besteden en de rest van de tijd die nog overblijft gebruiken ze om hun vrije tijd te laten toenemen. Vrije tijd wordt weer de activiteit waar mannen de meeste tijd aan besteden en huishoudelijk werk de activiteit waar vrouwen de meeste tijd aan besteden. Hierdoor hebben vrouwen tussen 43 en 65 jaar, iedere week een grotere werklast van meer dan 15 uur te dragen dan mannen. Naarmate bij de 65-plussers huishoudelijk werk en kinderzorg nog onbelangrijker worden, zal de kloof in de totale werklast nog dalen tot 10 uur en 38 minuten per week. Men zou kunnen zeggen dat op die leeftijd de mannen op pensioen zijn gegaan, maar dat de vrouwen nooit echt op pensioen gaan.
Bij elke stap van de levensloop wordt de wetmatigheid van het axioma van de gendergebonden prioriteiten weer geïllustreerd. In die zin zullen vrouwen de verantwoordelijkheid voor het huishouden en de kinderen nooit uit het oog verliezen, wanneer ze voor belangrijke beslissingen komen te staan gedurende hun leven. Beslissingen die vaak de rest van hun leven nog zullen blijven doorwegen. Mannen kunnen deze beslissingen veel gemakkelijker ‘vrij’ nemen. Ze zullen eerst en vooral afwegen wat voor effect ze zullen hebben op hun eigen persoon. De mate waarin vrouwen vrij zijn in de keuze van de indeling van hun tijdsbesteding, varieert naarmate de levensfase waar ze inzitten. Wanneer ze reeds aan het werk zijn, maar nog thuis wonen, is de druk van het onbetaalde werk nog niet zo groot. Op de drukke leeftijd eisen echter zowel het betaald werk als het huishouden extra aandacht op. Op dit moment worden vrouwen vaak gedwongen om een bepaalde weg in te slaan dat niet altijd de meest interessante weg is in hun leven. Naarmate in de verdere levensloop betaalde arbeid voor zowel henzelf als hun partner aan belang afneemt, zullen ze zich al zodanig met de gezinsrol geassocieerd hebben, dat deze op hun schouders blijft berusten, ondanks het feit dat hun partner nu vele uren vrije tijd heeft bijgewonnen.

Back to the future....?

Het axioma van de gendergebonden prioriteiten laat niet enkel toe dat de keuzevrijheid van mannen en vrouwen varieert over de levensloop. Ook over verschillende generaties kunnen prioriteiten een verschillende impact hebben, afhankelijk van hoe sterk vrouwen die verantwoordelijkheid voor onbetaalde arbeid op zich voelen rusten. Sinds vrouwen massaal de arbeidsmarkt hebben vervoegd, hebben ze reeds een deel van die verantwoordelijkheid voor het gezin van zich af kunnen schuiven. Zowel betaalde als onbetaalde arbeid zijn immers nu prioritair en onbetaalde arbeid kan veel minder het alleenrecht opeisen. Toch ziet het er naar de toekomst niet al rozengeur en maneschijn uit. Vergelijkingen tussen tijdsbudgetdata van 1988 en 1999 tonen namelijk terug een lichte achteruitgang aan sinds 10 jaar geleden. Het lijkt wel of vrouwen er vanuit gaan dat hun strijd gestreden is en dat ze nu alles terug een beetje op zijn beloop laten. De gegevens uit 1988 hebben wel enkel betrekking op mannen en vrouwen uit de drukke leeftijd (21-40 jaar).
De kloof in totale werklast tussen niet- werkende mannen en niet-werkende vrouwen in de drukke leeftijd is in 1999 niet kleiner geworden, zoals we zouden verwachten, maar wel groter! In 1988 besteedden niet-werkende mannen in de drukke leeftijd nog heel wat tijd aan een opleiding, maar dat is sterk afgenomen in 1999, waardoor hun totale werklast sterk gedaald is. Die extra tijd hebben niet-werkende mannen anno 1999 vooral geïnvesteerd in meer vrije tijd en niet in extra hulp in het huishouden of bij de kinderzorg. Bij vrouwen daalde de totale werklast niet in die mate. Ze besteden in 1999 wel iets minder tijd aan huishoudelijk werk en een opleiding, maar investeren dit vooral in extra kinderzorg. Men zou ook kunnen zeggen dat de vrouwen die in 1999 thuisblijven dit meer uitgesproken omwille van de kinderen doen dan diegenen die in 1988 thuisbleven tijdens de drukke leeftijd.
Ook bij de werkende mannen en werkende vrouwen in de drukke leeftijd, is de kloof in totale werklast toegenomen. In 1988 hadden mannen en vrouwen tussen 24 en 40 jaar het nog even druk. In 1999 is de totale werklast van de werkende vrouwen reeds 3 uur per week hoger dan die van de werkende mannen. Ondanks het feit dat mannen en vrouwen wat betaalde arbeid betreft in de laatste 10 jaar nog iets naar elkaar zijn toegegroeid, blijven vrouwen de verantwoordelijkheid voor onbetaalde arbeid met zich meesleuren. De kloof tussen mannen en vrouwen is wat huishoudelijk werk betreft sinds 1988 zelfs nog wat toegenomen. Mannen zijn nog iets minder in het huishouden gaan doen en vrouwen nog iets meer. Bovendien is ook de kloof in de tijd besteed aan kinderzorg toegenomen, hoewel zowel mannen als vrouwen hier meer tijd aan besteden dan in 1988.
Vrouwen hebben een lange weg afgelegd sinds zij uitsluitend de gezinsrol opnamen en mannen uitsluitend de arbeidsrol. Vrouwen hebben mannen op de arbeidsmarkt vervoegd en mannen willen af en toe wel eens een handje helpen in het huishouden of brengen graag wat meer tijd door met hun kinderen. Maar de laatste 10 jaar lijkt deze positieve ontwikkeling echter stil te vallen of zelfs licht achteruit te gaan. Het gevaar schuilt erin dat men op de overgang van de 20ste naar de 21ste eeuw, te overtuigd is dat de strijd reeds gewonnen is. De overtuiging klinkt steeds luider dat mannen en vrouwen in onze samenleving eindelijk gelijke kansen hebben. De nieuwe vrouw is een vrouw die feilloos gezin en werk kan combineren. De nieuwe man kan zijn job deels opzij schuiven om zijn verantwoordelijkheid in het gezin op te nemen. In de gezinnen waar de verdeling van de taken niet gelijkwaardig wordt verdeeld, is dit enkel zo omdat de vrouw er de gezinsrol graag blijft opnemen. De verschillen in de dagdagelijkse tijdsbesteding lijken wel door dit maatschappijbeeld geblindeerd. Welke vrouw durft nu nog te klagen over haar aandeel in het huishouden. Ze heeft nu de job die ze zo graag wilde en haar ‘nieuwe’ man helpt af en toe met de afwas. Ze zal nu zeker niet laten uitschijnen dat ze de combinatie van haar job met haar gezin niet aankan.
Dit kan verklaren waarom we de laatste 10 jaar geen verbetering meer zien. Maar waarom lijkt het zelfs achteruit te gaan met de positie van de vrouw? In de inleiding werd er reeds gewag gemaakt van het feit dat de keuzemogelijkheden binnen de 24 uur die ons gegeven zijn steeds toenemen. Tijd wordt alsmaar een kostbaarder goed. Zo kostbaar dat men tijd kan proberen kopen, door bijvoorbeeld een poetsvrouw aan te nemen voor het huishoudelijk werk, zodat men meer tijd vrij heeft voor een aantal meer aangename activiteiten. Maar tijd kan men zo ook van iemand anders proberen te krijgen. Zo kan het zijn dat mannen het huishoudelijk werk nog wat proberen af te schuiven op hun partner, zodat ze zelf wat meer tijd voor handen hebben.

De tijd tikt verder... .

Ondertussen tikt de tijd dus verder en kunnen vrouwen er niet optimaal gebruik van maken. Ze zetten de tijd die ze aan zichzelf of aan hun job zouden willen besteden, even opzij om voor hun man en kinderen te zorgen. Mijn tijd komt wel, denken ze dan. Maar al gauw wordt duidelijk dat ze tijd niet kunnen sparen. De man heeft zijn carrière gemaakt, de kinderen zijn het huis uit en hun tijd is vervlogen.
Onbetaalde arbeid blijft het leven van vrouwen indringend bepalen en geeft mannen zo een zekere voorsprong. Zij hoeven zich enkel zorgen te maken over het feit of er thuis geld in de lade komt, maar verder zijn zij vrij om met hun tijd aan te vangen wat ze willen. Zij kunnen zich ten volle storten op hun werk en zo hun kansen op carrière verhogen. Zij kunnen zich gemakkelijker flexibel opstellen tegenover hun baas. Zij kunnen zo de hogere inkomens binnenkapen. Maar niet alleen dat. Zij kunnen thuis ook weer veel gemakkelijker alles van zich afzetten en zich ontspannen. Zij hoeven minder overspannen rond te lopen. Zij kunnen na hun werk nog tijd uittrekken om een leuke cursus te volgen. En ze kunnen zelfs af en toe hun vrouw eens verrassen met een lekkere zelfbereide schotel, waar, geef toe, het verrassingseffect bij een vrouw veel kleiner is.
Mannen helpen tegenwoordig wel in het gezin, maar helpen betekent per definitie dat de eindverantwoordelijkheid nog steeds bij de vrouw ligt. Zelfs onze minister van gelijke kansen, Mieke Vogels, geeft openlijk toe dat ‘Mie nog altijd de regie doet’, hoewel zij toch een veeleisende job heeft. Deze verantwoordelijkheid voor het huishouden en voor het gezin, blijft het handelen van alledag van vrouwen bepalen. Hierdoor staan vrouwen voor beslissende keuzes die in de rest van hun levensloop hun sporen nalaten.
Wat moet er dan veranderen? Moet de vrouw haar partner, huis en kind in de steek laten en zich storten op het pure zelfgenot en winstbejag? Moet ze weigeren nog ooit één stofdoek aan te raken of één luier te verschonen? Neen, zoals meestal ligt de beste oplossing niet in een ommezwaai van 180°. Het is belangrijk dat men niet enkel in de wereld van de arbeid en het plezier leeft. Het is belangrijk dat men niet enkel the big picture ziet, maar ook de wereld in het klein, zoals die zich thuis afspeelt. Het is goed als men terug naar de basis kan, samen met een gezin iets kan opbouwen, tijd met zijn kinderen kan doorbrengen. Het geeft je een groot relativeringsvermogen en het houdt je met de voeten op de grond. Maar dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. Wil er echt iets veranderen dan moet de vrouw dus van de gezinsrol losgekoppeld worden, maar de man ook van de arbeidsrol. Mannen moeten zich mee verantwoordelijk gaan voelen voor hun gezin, vrouwen moeten zich mee verantwoordelijk gaan voelen voor het geld. Dat betekent een hele ommekeer in het denken. Mannen moeten de tijd die ze aan huishoudelijk werk of kinderzorg besteden niet langer zien als een extra, een gunst die ze verricht hebben. Ze moeten niet enkel helpen in het huishouden, maar ook zelf zien als er iets moet gebeuren. Mannen moeten die zaterdagnamiddag die ze alleen thuis zijn, leren ook helemaal alleen eens het huis schoon te maken. Maar ook voor vrouwen is het moeilijk de verantwoordelijkheid voor het gezin te laten gaan. Vrouwen hebben een aantal normen ontwikkeld over hoe een huishouden moet gerund worden en hebben vaak de indruk dat mannen deze taak niet naar behoren kunnen vervullen (Delahay, van der Pool, 2001). Mannen zullen zich dan ook niet echt haasten om deze verkeerde indruk recht te zetten.
Het is altijd gemakkelijker om aan te wijzen wat er fout zit en wat moet veranderen dan om oplossingen aan te dragen. Een belangrijke stap die we alleszins moeten zetten, en die ik in deze bijdrage ook zeker heb willen zetten, is de idee levendig houden dat we de eindstreep nog niet bereikt hebben. Dit houdt namelijk het gevaar in dat mannen en vrouwen te snel tevreden zullen zijn met de verdeling van de verantwoordelijkheden in hun gezin en de scheve verdeling niet zien. Dit is vijand nummer één voor de verandering en dat blijkt duidelijk uit de lichte achteruitgang die er te zien is in de verdeling van de taken tussen mannen en vrouwen de laatste tien jaar. Het is belangrijk dat niet alleen vrouwen, maar ook mannen zich bewust zijn van het feit dat er nog een lange weg te gaan is. En dat zowel mannen als vrouwen beseffen dat het eind van de weg in hun beider voordeel is. Ondertussen tikt de tijd verder... tijd die erg kostbaar is.

Bibliografie
- Anker, R. (1997). ‘Theories of occupational segregation by sex: An overview.’ International Labour Review 136(3): 23p.
- Bielby, D.D. & W.T. Bielby (1988). Women’s and Men’s Commitment to Paid Work and Family: Theories, models and hypotheses. In: B.A. Gutek; A.H. Stromberg. & L. Larwood (eds.), Women and Work: An annual review (vol. 3). London, Sage Publications: 249-263.
- Bittman (1998). The land of the lost long weekend? Trends in free time among working age Australians, 1974 - 1992. SPRC Discussion paper n° 83. Sydney, Social Policy Research Centre: 33 p.
- Delahay, A.; van der Pool, M. 2001. Twee carrières op één kussen. Archipel. Amsterdam.
- Elchardus, M. & Glorieux, I. (1994). ‘The Search for the Invisible 8 Hours. The Gendered Use of Time in a Society with a High Labour Force Participation of Women’. in: Time & Society, 3, 1: 5-27.
- Elchardus, M. (1996). De gemobiliseerde samenleving. Tussen de oude en een nieuwe ordening van de tijd. Brussel, Koning Boudewijnstichting.
- Gershon, K. (1985). Hard Choices. Berkely, University of California Press.
-Glorieux, I. (1995). Arbeid als Zingever: Een onderzoek naar de betekenis van arbeid in het leven van mannen en vrouwen. Brussels, VUBPress.
- Glorieux, I. K., S. & M. Moens (2001). Vlamingen in tienduizend en tachtig minuten: een tijdsbudget-onderzoek. Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en burgeronderzoek 2001. J. H. V. G. Lemaître. Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: 157-184.
- Kaufman-Scarborough, C. and J. Lindquist (1999). The Polychronic Attitude Index: refinement and preliminary consumer marketplace behavior applications. 1999 American Marketing Association Winter Educators.
- Narusk, A. (ed.) (1998). Professional and family life: combining paid and unpaid work.Towards a Balanced Society. Women and Men in Estonia, United Nations Development Programme.
- Sabbadini, L. L. and R. Camporese (1998). Italian experience in analysis of ‘different times’ and methodological aspects in measurements of unpaid work: The European pilot survey on time use. Gender Statistics, Geneva, Statistical commission and economic comission for europe
- SCP (2000). Sociaal en Cultureel Rapport. Rijswijk, SCP.
- Shelton, B.A.; John, D. (1996). The division of household labor. Annual Reviews Sociology, volume 22:299-322.
- Sticherman, D. (1988). The Conflict between Housework and Employment: Some notes on women’s identity. In: J. Jenson, E. Hagen & C. Reddy (eds), Feminization in the Labour Force: Paradoxes and promises. Cambridge, Polity Press: 276-287.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 12 tot 21