Abonneer Log in

Denken aan Ivan Illich

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 1 (januari), pagina 44 tot 46

De eminente cultuurfilosoof Ivan Illich (geboren in 1926) is begin december 2002 in Bremen gestorven. Hij verdeelde de laatste jaren zijn onderwijs tussen universiteiten in de VS, Mexico en Duitsland. In Mexico had hij in de jaren vijftig het belangrijke CIDOC - Internationaal Centrum voor Interculturele Informatie - opgericht. Maar Illich is vooral bekend door zijn kritische beschouwingen over de moderne instellingen - waarbij hij in eerste instantie denkt aan de school, aan het verkeerssysteem en aan de medische wereld. Zijn belangrijkste werken zijn in het Nederlands vertaald: Ontscholing van de maatschappij, 1972, Grenzen aan de geneeskunde, 1976, Energieverbruik en maatschappelijke tegenstellingen, 1973. Zijn hoofdwerk is Naar een nieu­we levensstijl, 1973, in het Engels Tools for Conviviality. Het begrip convivialiteit, ‘gezelligheid’ en solidariteit, is voor Ivan Illich de tegenpool voor de in de moderne instellingen geïncarneerde levenswijze - manipulerend, bureaucratisch, nog enkel voor zichzelf bestaand en, zoals we straks uitdiepen, onderhevig aan een nefaste doel-middelverdraaiing. De moderne instellingen zijn, zoals alle instellingen, werktuigen. Modern aan die werktuigen is evenwel dat ze van middelen doel geworden zijn. Ivan Illich wil die omkering begrijpen.

Zijn kritiek begint bij de school, die, volgens hem, de mensen leert om alle andere instellingen als instellingen te aanvaarden en te waarderen. Zij doet dit vooral door de kijk op de dingen die ze meegeeft. De school is dus de oorspronkelijke omkering van de verhouding tussen doel(ein­den) en middelen. We worden er geschoold, zegt Illich, om proces en inhoud met elkaar te verwisselen. Als de school slecht functioneert, wijt men dit vaak aan een tekort aan middelen - waardoor echter het verkeerd functioneren ervan nog toeneemt, want de school, meent Illich, leert - en dat is zijn punt - door haar uitbreiding de leerlingen nog verder het zelfstandig leren af. Het kan lijken alsof Illich de school wil afschaffen. Dat is onjuist, Illich viseert vooral een bepaalde kijk, die niet alleen de school maar ‘het industriële tijdperk’ in zijn geheel kenmerkt. Illich denkt trouwens steeds zeer genuanceerd, ondanks wat critici hem soms in de schoenen schuiven, zo wanneer ze hem verwijten onze tijd naar de Middeleeuwen te willen katapulteren. Illich wil veeleer ons kritisch vermogen aanscherpen. Hij brengt bepaalde waarden van onze individualistische maatschappij onder kritiek: de nooit eindigende consumptie, het ideaal van de ongebreidelde productie, de inhouds- en doelloze vooruitgang, de grote verwachtingen die we bij wetenschap­pelijke en technologische prestaties koesteren. En misschien vooral - hoewel Illich dit thema niet afzonderlijk bespreekt terwijl het nochtans alomtegenwoordig is - een bepaald soort objectivistische, ‘wetenschappelijke’, rationaliteit. Zo heeft Illich het in zijn reflecties op de moderne geneeskunde over iatrogenese - door de geneesheer zelf veroorzaakte ziekte. Maar het valt op hoe zijn hoofdzakelijke aandacht gaat naar wat hij het structurele aspect ervan noemt (‘doodsverklaring aan pijn, ziekte en dood’), een houding waar­bij de patiënt - niet het minst ter wille van zijn goedgelovigheid in de almacht van de geneeskunde - zich vertrouwend, passief, opstelt en elke verantwoordelijkheid voor zijn toestand van zich afschuift. Ook hier moet het er (reducerend) ‘wetenschappelijk’ aan toegaan. Ivan Illich wijst erop hoe in de 19e eeuw de grote besmettelijke ziekten, cholera, pokken, enz., juist niet verdwenen zijn door medisch ingrijpen - het is een hardnekkige mythe en wensdroom dat zo op te vatten - maar door verbeterde levensomstandigheden, door betere voeding en meer hygiëne.

Ik zie in de problematiek van de doel-middelverdraaiing - gemotiveerd door de typisch moderne houding die geen grenzen (zowel binnen de mens als in de natuur) weet te erkennen - de hoofdgedachte van Ivan Illich. Ze is actueler dan ooit. Belangrijke begrippen zoals dit van de twee keerpunten (vanaf een bepaald niveau van ontwikkeling wordt het beoogde van langs om minder bereikt), van de radicale monopolies en van de contraproductiviteit, verwijzen er rechtstreeks naar. Laat mij dit op een enkel punt, de mobiliteitsproblematiek, wat aanschouwelijker maken. Het laat enkele controversiële gedachten van Illich zien, maar het spoort ons tegelijk aan zijn thematiek ter harte te nemen.

Waarom choqueert Ivan Illich als hij ons zegt dat inzake mobiliteit - bedoeld is de mobiliteit over de korte afstand, binnen een straal van ongeveer 8 kilometer, een gebied waarbinnen trouwens ongeveer 80% van alle gereden kilometers afgelegd worden (van en naar het werk, van en naar de winkel, van en naar de school) - de fiets, het spaakwiel, de luchtband en het kogellager de grootste en ultieme uitvindingen zijn? Zou het kunnen omdat we absoluut niet bereid zijn om ons te ‘beperken’ tot doel-middeloverwegingen? Verafgoden wij de vooruitgang van wetenschap en technologie op zodanige wijze dat we hardnekkig aan realistische doel-middeloverwegingen voorbijkijken? De redenering van Illich is nochtans overtuigend. Hij toont namelijk aan dat - voor de korte reikwijdte - de maximale en tegelijk optimale snelheid ongeveer 20 km per uur is, die van de fietser. Met de fiets overvleugelt de mens de doelmatigheid van alle machines. Wie door middel van motoren meer nastreeft, remt de snelheid af en doet de globale mobiliteit afnemen - bedoeld is de productiviteit ervan, het ‘efficiënt’ bereiken van het doel: zo snel en zo vaak mogelijk zijn bestemming bereiken. Reeds als men enkele auto’s door de stad jaagt, verjaagt men de fietsers. Illich heeft ook de reusachtige kostprijs van het autogebruik berekend. Hij rekent alles om in de tijd die we nodig hebben om ons te kunnen verplaatsen (rechtstreeks en onrechtstreeks, de arbeidstijd die we nodig hebben om ons een auto aan te schaffen, hem met brandstof te vullen, de verzekering, de onderhoudskosten, enz. te betalen). De balans is onthutsend. We verplaatsen ons aan de snelheid van de voetganger, maximaal 5 km per uur. Autobezit is een enorme kost - trouwens niet alleen voor het individu, maar ook voor de maatschappij. Als we dat niet inzien, is dat nogmaals omdat we ons vergapen aan een abstracte ‘economische groei’ - en dat is pas blindheid voor doel-middeloverwegingen.

Het autosysteem is een radicaal monopolie geworden. De personenwagen dringt zich zo op dat men haast nog alleen door middel van het gebruik van een wagen mobiel kan zijn. De mensen verlaten de stad en gaan met hun wagen naar hun werk of naar de winkel - en door het grote verkeer wordt de stad onleefbaar, wat een verdere stadsvlucht meebrengt. De winkels en allerlei andere grote centra verplaatsen zich naar de rand van de stad. Gelukkig dus die zeldzame mensen die het radicale automonopolie kunnen negeren omdat ze in het centrum van de stad wonen, dicht bij familie en vrienden. Als dergelijke mensen een redelijk loon verdienen, zijn ze rijk, door wat ze ‘uitsparen’. Illich beseft natuurlijk dat het niet eenvoudig zal zijn om dit radicale monopolie te doorbreken.

Ik zei dat Illich genuanceerd denkt. Hij wil namelijk de auto niet afschaffen, wel zijn gebruik drastisch reduceren. Hij weet maar al te goed dat auto’s een aantal zeer nuttige functies vervullen, hij denkt er onder meer niet aan de huisarts te verbieden zich in een personenwagen te verplaatsen. In grote mate is zijn kritiek trouwens een pleidooi voor openbaar vervoer. Illichs kritiek op het ‘autosysteem’, op de instelling autoverkeer, hoort, zoals reeds duidelijk is, binnen een ruimere problematiek. Laat mij nog enkele aanduidingen geven. Boven een bepaald niveau van het bruto nationaal product, zegt Illich, stijgen de kosten voor controle op de maatschappij sneller dan de totale productie en de belangrijkste institutionele activiteit (Energieverbruik en maatschappelijke tegenstellingen, blz.18). Boven een bepaald niveau geraakt de culturele samenhang en het politieke systeem in verval (ib. blz. 18). De opleiding tot de abstracte doeleinden van een bureaucratie verdringt het wettelijke gegarandeerd persoonlijke en concrete initiatief (ib. blz. 18). Een overdreven energieverbruik leidt tot een vergroting van de ongelijkheid, tot ondoelmatigheid en individuele machteloosheid. Het gevolg zijn achteruitgang, frustraties en tekortkomingen (ib. blz. 19). Hier kan de grens worden bepaald waar een maatschappij ophoudt rechtvaardig te zijn en waar de ongelijkheid toeneemt. Nog even terug naar het autosysteem: ‘Zeg mij hoe groot je snelheid is en ik zal zeggen wie je bent. Als je de belastingen kunt betalen die nodig zijn om de Concorde te doen vliegen, dan sta je zeker aan de top [van de maatschappij]. Sinds een jaar of vijftig is de auto de maatstaf geworden waaraan je kunt zien hoever iemand het in de maatschappij heeft geschopt.’ En om te besluiten, nog een citaat, dat onze reflectie zou kunnen aanzwengelen over datgene wat ons, ‘moderne mensen’, bezig houdt, bezielt, aandrijft - het heeft veel met onze hekel aan het aanvaarden van grenzen te maken: ‘Pas in de 19e eeuw gingen de mensen zich sneller verplaatsen. Tegen 1830 was de reis (van Parijs naar Toulouse, voordien 158 uren) teruggebracht tot 110 uren, maar dat ging ten koste van iets anders. In datzelfde jaar sloegen 4150 diligences om in Frankrijk, wat meer dan duizend doden tot gevolg had.’ Is het nodig de lezer te vragen dit gegeven te actualiseren? En zouden we niet beter ook Ivan Illich als een meer dan ooit actueel denker blijven beschouwen en bestuderen?

Willy Coolsaet
Vakgroep wijsbegeerte - Universiteit Gent

in memoriam - filosofie

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 1 (januari), pagina 44 tot 46