Abonneer Log in

De onredelijkheid van de wetenschap

Rudolf Boehms kritiek op de grondslagen van onze beschaving

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 2 (februari), pagina 33 tot 39

|

Rudolf Boehm
Boehm is in 1927 in Berlijn geboren. Hij studeerde filosofie in Leipzig, onder meer bij Gadamer en Volkman-Schluck. Van deze laatste werd hij medewerker, eerst in Rostock, later in Keulen. In 1963 werd hij doctor in de filosofie, met een verhandeling over de metafysica van Aristoteles. Van tot 1952 tot 1967 werkte hij aan het Husserl-archief in Leuven. Hij gaf een aantal van de manuscripten van de fenomenoloog uit. In die jaren vertaalde hij ook Heidegger en Merleau-Ponty. Beide filosofen hebben een zeer grote betekenis voor hem behouden. Hij is echter ook een kenner van Nietzsche, Freud en Marx. Van 1967 tot 1992 werd hij hoogleraar in de moderne wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit van Gent. Hij was een buitenbeentje aan een universiteit die op dat ogenblik nogal in de ban van het positivisme verkeerde. In 1974 verschijnt zijn hoofdwerk: Kritik der Grundlagen des Zeitalters. Het werd in 1977 in het Nederlands vertaald, later ook in het Frans. In 1979 stichtte hij de discussiegroep Kritiek, het genootschap voor fenomenologie en kritiek. Tot 1997 was er ook een tijdschrift aan verbonden. Naar aanleiding van zijn vijfenzeventigste verjaardag is in januari van dit jaar een colloquium georganiseerd. Het ging in op Politiek, dat eind vorig jaar verscheen.

|

De onredelijke kant van de Westerse beschaving

Onze beschaving gaat prat op haar superieure rationaliteit. De moderne wetenschap, en meer bepaald de objectieve kennis van de natuurwetten, zou de mensheid is staat stellen de natuur een en al in haar voordeel te laten werken. Het ‘hoge welvaartspeil’ in de westerse wereld zou te danken zijn aan de invoering op grote schaal van technologische toepassingen van wetenschappelijke resultaten in de productiesector. En toch, wie kan het ontkennen: diezelfde beschaving vertoont tezelfdertijd zo’n ergerlijke onredelijkheden dat ze ook op dat vlak alle vorige ver overtreft. Naarmate ze zich verder ontplooit, lijkt ze steeds meer de voorwaarden te vernietigen van een bevredigend, zinvol bestaan. In de woorden van Rudolf Boehm: ‘Zo heeft ten slotte de technologische vooruitgang die op grond van toegepaste wetenschap mogelijk werd, voor het wezenlijke ertoe geleid dat zich tussen de behoeften van de mensen en hun min of meer onveranderd toereikende of ontoereikende bevrediging (althans in de ‘ontwikkelde’ landen) een in principe totaal doelloos technologisch apparaat heeft geschoven dat voortwoekert als een kankergezwel, zinloos menselijke arbeids- en levenskracht en natuurlijke hulpbronnen verterend.’ (Aan het einde van een tijdperk, blz. 108)
Zelfs de hardnekkigste verdediger van onze beschaving zal moeten toegeven dat de milieuproblemen steeds toenemen en vaak al levensbedreigende proporties hebben aangenomen. De toespitsing op de ecologische rampspoed is echter wel misleidend, alsof pas op ecologisch vlak de keerzijde van onze beschaving aan het licht is gekomen. Nog voor er sprake was van milieuproblemen werd door velen al opgemerkt dat het oprukken van de westerse beschaving, b.v. onder de gedaante van het toenemend autoverkeer, de menselijke leefwereld dreigde te beschadigen. Daar gaat het uiteindelijk om: dat de wereld onleefbaar wordt voor de mensen, dat omgevingen aftakelen, niet dat de natuur, zoals ze op zichzelf bestaat, bedreigd wordt. Dat laatste kan eigenlijk niet, de natuur trekt het zich niet aan welke metamorfoses zich doorzetten.

Onredelijkheid en wetenschappelijkheid

Het is op zijn minst bevreemdend dat in een beschaving die zo een groot vertrouwen stelt in de objectieve wetenschap, zoveel onredelijkheid optreedt. Onvermijdelijk rijst de vraag of het zomaar twee tendensen zijn die naast elkaar staan en mekaar bestrijden dan wel of ze niet met elkaar te maken hebben.
De verdedigers van objectieve wetenschap doen het natuurlijk graag uitschijnen dat alles wat verkeerd loopt in onze beschaving te wijten is aan achterlijkheid, domheid, aan een tekort aan wetenschappelijkheid, aan misbruik en slechte wil. Zij zien helemaal geen verband tussen de groeiende wereldproblemen, b.v. op ecologisch vlak, en de wetenschap en geloven integendeel dat die problemen zich enkel blijven voordoen omdat ze niet op een wetenschappelijke manier worden aangepakt. In de vorige eeuw is er veel filosofisch onderzoek gedaan over de vraag of er een essentieel verband bestaat tussen de wetenschap en het kapitalisme en andere domeinen van de moderne samenleving.
Binnen de wetenschapskritiek zijn er vele, van elkaar sterk afwijkende tendensen. Er is b.v. de sceptische lijn die de aanspraken van de wetenschap op objectieve waarheid als onvervulbaar beschouwt en er is de moralistische, die in de wetenschap het ultieme instrument ziet van een pervers machtsstreven dat alles onder zijn controle wil brengen. Elk van die twee blijft onbevredigend, de sceptische omdat die blind is voor de ontegensprekelijke realiteit van de technologische successen en de moralistische omdat die op een hypocriete manier miskent dat elke cultuur een poging is om de mens tegen het geweld van de natuur te beschermen.
Op den duur zou wel eens kunnen blijken dat de interessantste richting onder al die wetenschapskritieken, de fenomenologische is. Ze heeft al een hele traditie. Onder meer Sartre, Merleau-Ponty en Levinas behoren ertoe. De stichter van de fenomenologische wijsbegeerte is Edmund Husserl, een Duits-joodse filosoof afkomstig uit het voormalig Oostenrijks Moravië. Ons land heeft een belangrijke rol gespeeld in de verspreiding van zijn gedachtegoed. Zijn literaire nalatenschap is net voor de Tweede Wereldoorlog uit de handen van de nazi’s gered door de Vlaamse franciscaan Leo Van Breda en naar Leuven overgebracht. Sindsdien wordt door de medewerkers van het ‘Husserl-Archief’ de kritische uitgave verzorgd van Husserls verzameld werk. Bovendien is de meest radicale, consequente wetenschapskritiek vanuit een fenomenologisch gezichtspunt uitgewerkt door iemand die al zo’n 50 jaar in ons land verblijft en werkt, een Berlijner met naam Rudolf Boehm, die in 1952 naar België is gekomen om mee te werken aan de uitgave van Husserls werk. Na het overlijden van Leo Van Breda heeft hij de wetenschappelijke leiding van de Husserliana overgenomen. Van 1967 tot 1992 was hij hoogleraar in de algemene en moderne wijsbegeerte aan de Universiteit van Gent. Zijn Kritik der Grundlagen des Zeitalters (1974) is in het Nederlands vertaald (Kritiek der grondslagen van onze tijd, 1977) en is vorig jaar ook in een Franse vertaling verschenen.
Het belangrijkste inzicht van de fenomenologie komt volgens Rudolf Boehm - hij heeft dit uiteengezet in Vom Gesichtspunkt der Phänomenologie (2 delen) en in Fenomenologie en sensibiliteit - hierop neer: de manier waarop iets, wat het ook zij, aan ons verschijnt, de manier waarop het bij ons overkomt, hoort mede tot de realiteit ervan. De verschijningswijze van iets, van de zon b.v. of van een geluid of van een feit uit het verleden, is een van de aspecten van de zaak zelf. Natuurlijk is die verschijningswijze mede bepaald door ons gezichtspunt. Naargelang we dichter bij een ding in de ruimte komen of er ons verder van verwijderen zal het er groter of kleiner uitzien. Maar daaruit mogen we niet besluiten dat de verschijningswijzen enkel ficties in ons bewustzijn zijn die ons beletten de werkelijkheid buiten ons waar te nemen. Het is nu eenmaal eigen aan een waargenomen ding dat het zich vertoont in profielen die afhangen van het standpunt van de waarnemer. Zoiets geldt trouwens niet enkel voor al het waargenomene maar ook, en zelfs bij uitstek, voor het hele verleden: het verleden bestaat eigenlijk maar en is slechts werkzaam in verschijningswijzen waarop het nu bij ons overkomt. Reeds voor een simpele zintuiglijke indruk is het zo. Druk met je vinger op de tafel. Wat je voelt varieert naargelang de druk die je uitoefent. De sensatie dringt zich niet uit zichzelf op als een ondubbelzinnig identificeerbaar gegeven maar als een weerstand die door onze druk opgeroepen wordt en er in correlatie mee verandert. Dat impliceert dat wij zelf perspectieven, dimensies openen in de werkelijkheid buiten ons en die perspectieven verschuiven, verdringen mekaar, lossen mekaar af naargelang wij zelf wisselen van gezichtspunt.
Het typische van een objectief-wetenschappelijk onderzoek ligt er nu juist in dat het deze variabele zintuiglijke werkelijkheid wil doorbreken om door te stoten naar de realiteit buiten ons zoals ze in zichzelf, onafhankelijk van onze gezichtspunten bepaald is. Zoiets kan echter slechts door af te zien van alle subjectieve betrokkenheid op de dingen die voortvloeien uit menselijke behoeften, verlangens, interesses, doelstellingen, dus van elk zintuiglijke betrokkenheid, en alleen nog oog te hebben voor wat absoluut ondubbelzinnig identificeerbaar is. (Zo’n kennis die enkel ter wille van de perfectie van de kennis nagestreefd wordt en zich aan geen enkel uitwendig doel ondergeschikt wil maken, noemde Aristoteles zuiver theoretische kennis. Ons objectiviteitsideaal is niets anders dan de heropneming van dat antiek ideaal van de theoria.) Uiteraard zal wetenschapskritiek van een sceptisch allooi betwijfelen dat een dergelijke objectivering ooit kan lukken. Maar het feit dat mensen erin geslaagd zijn op grond van wetenschappelijk onderzoek machtige natuurprocessen te ontketenen maakt zo’n sceptische kritiek ronduit belachelijk. De successen van de wetenschap en van haar technologische toepassingen zijn een ontegensprekelijk feit. De objectiveringen lukken dus in een of andere zin.
Vanuit het fenomenologisch gezichtspunt bezien, dat Rudolf Boehm heel consequent inneemt, is de belangrijke vraag niet of de objectiveringen absoluut slagen. Natuurlijk is ook een objectivering een bepaald gezichtspunt, en wel een heel apart dat erin bestaat de subjectieve betrokkenheid op de wereld af te breken. De belangrijke vraag is of wij wel zo gebaat zijn met dat gezichtspunt. Want één ding is zeker: door de afstandelijke, objectieve blik worden al die dimensies tot verdwijning gebracht die enkel door onze geïnteresseerde betrokkenheid op de wereld in het zicht komen.
Zo komt het grootste gevaar aan het licht van een cultuur die alles verwacht van de toepassingen van de resultaten van objectief-wetenschappelijk onderzoek. De objecten die in zo’n onderzoek gethematiseerd worden komen tot stand door radicale eliminatie. Dat blijkt uit de eerste grondregel die moet gevolgd worden om een objectivering werkelijk door te voeren, een richtlijn die leidinggevend is bij het opzetten van experimenten en die tot doel heeft niet enkel allerlei vooropstellingen maar ook de lichamelijke, zintuiglijke betrokkenheid van de waarnemer op die werkelijkheid af te breken. David Hume heeft het erover in zijn Treatise of Human Nature in een passage waar hij tot uitdrukking brengt wat het fundamentele principe is van de ‘moderne filosofie’, d.i. de natuurfilosofie zoals opgevat door Galilei, Boyle, Locke, Newton: ‘Het fundamentele principe van die filosofie is de mening betreffende kleuren, geluiden, smaken, geuren, warmte en koude; waarvan zij beweert dat zij niets anders zijn dan indrukken in de geest, afkomstig van de werking van uiterlijke objecten, en zonder enige gelijkenis met de kwaliteiten van de objecten. Na onderzoek vind ik slechts één van de redenen die voor deze mening naar voren wordt gebracht, bevredigend, te weten deze die wordt afgeleid uit de variaties van die indrukken, zelfs wanneer het uiterlijk object, naar alle schijn, hetzelfde blijft’ (geciteerd door Rudolf Boehm in Ideologie en ervaring). De verschillende indrukken van eenzelfde aspect van een of ander object, die verschillende waarnemers of zelfs eenzelfde waarnemer hebben, kan geen basis zijn voor een objectief weten. Bij het opzetten van experimenten moet de onderzoeker er dus voor zorgen dat alleen die aspecten van het object in rekening worden gebracht die niet aan dergelijke variaties onderhevig zijn. Niet warmte of koude zoals de waarnemer ze voelt, telt, maar de hoogte van de kwikstofkolom. De kunst van het experimenteren bestaat er juist in situaties te produceren waarin kwaliteiten die op verschillende manieren waargenomen worden, gewoonweg niet meer optreden. Het experiment is dus een machinatie met als doel de waarneming en haar correlaat, het waargenomene, af te breken en de onderzochte realiteit zo verregaand te reduceren dat alleen nog meetbare factoren meespelen.
De 17de-eeuwse natuurfilosofie heeft in gedachte een wereld geanticipeerd waar alle zintuiglijke, gevoelige, levendige wezens uit zijn verdwenen en dus ook alle zintuiglijke kwaliteiten, die immers pas bestaan als ze door zo’n wezens worden waargenomen. In een wetenschappelijk experiment wordt op kleine schaal een dergelijke abstrahering nu ook in de realiteit zelf doorgezet. Ten slotte worden met invoering van de toepassingen van wetenschappelijke resultaten in de leefwereld deze reducties dan ook daar, maar nu op massale schaal, doorgezet. De overheersing van het objectiviteitsprincipe in onze beschaving heeft onze wereld drastisch veranderd in een heel bepaalde richting, in de richting nl. van een ontmanteling van de leefwereld: alle aspecten van de dingen die slechts bestaan doordat ze verschijnen voor gevoelige wezens die erin geïnteresseerd zijn, worden veronachtzaamd en overgelaten aan de verloedering en de wegkwijning en in de leefwereld dringt nu de objectieve werkelijkheid binnen van natuurprocessen zoals kernfusies, chemische reacties, verbrandingsprocessen. Ze worden binnen de leefwereld ontketend en hun destructieve kracht werkt zich uit onafgezien van het feit of het om ‘goede’ of ‘slechte’ toepassingen gaat. En ook de zich mateloos uitbreidende technologische infrastructuur die tot functie heeft die processen min of meer in bedwang te houden, doet uiteindelijk niet veel meer dan onze leefwereld met haar dode gewicht te blokkeren. Welke destructieve gevolgen voor onze leefwereld heeft b.v. alleen al het waanzinnig toegenomen transport niet met zich meegebracht!
De opvatting dat de wetenschap zelf niets te verwijten valt omdat alles ten slotte afhangt van hoe haar resultaten gebruikt worden, gaat niet op. Want als rationaliteit geïdentificeerd wordt met objectiviteit en als objectiviteit erin bestaat dat menselijke gezichtspunten, behoeften, belangen, doelstellingen principieel uitgeschakeld worden, dan is het toch normaal dat in een cultuur die het objectiviteitsprincipe huldigt, nergens een redelijk inzicht bestaat omtrent doeleinden en doelmatig handelen. De onredelijkheid en ondoelmatigheid op het vlak van de toepassing van wetenschappelijke resultaten is slechts een uitwerking te meer van het principe dat ook aan de wetenschap ten grondslag ligt. ‘Want indien de wetenschap als zodanig, ons onaangevochten voorbeeld van waar weten, principieel niets wil weten van doeleinden en doelbepalingen (en bijgevolg ook niet kan), wie moet dan iets weten van doeleinden en van doelmatige omgang met het weten dat de wetenschap uitwerkt? En wanneer men van doeleinden en doelmatig handelen principieel niets weet - waarvandaan zullen dan rationele doelstellingen komen en van waaruit zullen doelmatig handelen en doen zich laten leiden?’ (Aan het einde van een tijdperk, p.51).
Wetenschap mag dan wel objectieve kennis zijn, precies daardoor is ze blind en maakt ze blind voor wat ons menselijk gezien het meest interesseert en dus bevordert ze de onredelijkheid op technisch, praktisch, ethisch en politiek vlak.

Praktische domheid

Sinds het jaar 2000 zijn van Rudolf Boehm niet minder dan 4 boeken verschenen: Dwaalsporen (een verzameling filosofische en politiek-economische opstellen), Tragik. Von Oidipus bis Faust, Topik en Politik (ook in Nederlandse vertaling verschenen). Een vijfde over Ökonomie und Metaphysik is afgewerkt maar nog niet gepubliceerd. Alle vijf handelen ze in een belangrijke mate over het domein van het ‘praktische’. Onder het ‘praktische’ is daarbij wel iets anders verstaan dan wat er tegenwoordig onder verstaan wordt. Voor ons is praktijk zoveel als de toepassing van theoretisch weten, wat er eigenlijk op neerkomt dat praktijk niets meer is dan een blind doen zonder dat nog afgevraagd wordt wat in de eerste plaats zou moeten gedaan worden. Daarin vertoont zich een vreemd soort bekrompenheid. Men moet die zienswijze maar eens vergelijken met hoe Aristoteles nog dacht over praktijk om er het absurde van in te zien.
In het zesde boek van de Ethica Nicomachea (‘over de intellectuele deugden’) onderscheidt Aristoteles drie soorten kennis. Elk ervan hoort bij een eigen soort activiteit. Enerzijds is er de kennis van het eeuwig onveranderlijke, het zuiver theoretisch weten, d.i. het weten dat zich aan geen enkel doel buiten de perfectie van het weten ondergeschikt wil maken. Het is wel zo dat ook Aristoteles reeds geloofde dat die kennis uiteindelijk ook voor de praktijk de beste kennis zal blijken te zijn en die idee is het die in de Renaissance weer opduikt en die achter het geloof in onze moderne wetenschap steekt. (De kritiek op die idee is het centrale punt in Rudolf Boehms ‘Kritiek der grondslagen van onze tijd.’) Maar Aristoteles bespreekt tenminste nog twee andere soorten kennis. Beide betreffen het domein van het veranderlijke. Er bestaat nl. nog zoiets als technische kennis (de vaardigheid om iets te maken volgens een juiste logica) en daarnaast ook praktische intelligentie. Deze laatste hoort bij de activiteit die praxis (een ander woord is: drama) genoemd wordt, meestal vertaald door handelen. Praxis is een activiteit die - in onderscheid met ‘maken’ - geen op zichzelf staand werk als resultaat heeft. Ze bestaat erin overleg te plegen met jezelf, met anderen, niet zomaar om kennis op te doen maar om dat juiste inzicht te verwerven dat er meteen ook toe beweegt het goede te doen. Inzicht en motivatie zijn hier onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als de motivatie er niet is, kan er geen sprake zijn van inzicht, en omgekeerd. Met andere woorden: praktijk is, in de eerste plaats, niet een kwestie van doen, van toepassen, maar vooral een mentaal handelen waardoor de wil gericht wordt, want dat is natuurlijk de belangrijkste vraag: niet of je van alles kunt doen maar wel of je het juiste weet te doen en of je het ook wilt. De praxis bestrijkt de drie domeinen van de ethiek, de economie en de politiek.
Zoals gezegd beslaat de thematiek van Rudolf Boehms laatste werken in een belangrijke mate dit domein van de praxis. Het zou verkeerd zijn het zo voor te stellen dat ze handelen over dé economie, dé politiek, dé ethiek. Rudolf Boehm wil onze interesse opwekken voor de praktische vragen, ons ertoe motiveren ze zelf te stellen, en dit langs tweevoudige weg. Enerzijds door erop te wijzen dat we, of we het nu willen of niet, met die vragen geconfronteerd worden, niet van buiten af maar vanuit onze menselijke existentie, en anderzijds te laten zien op welk een domme manier die vragen in onze cultuur afgehandeld worden.
Economie of huishouding, bestaat erin af te wegen waaraan de beschikbare, eindige middelen besteed moeten worden en in welke verhouding, in het besef dat meer middelen aanwenden voor een bepaalde bestemming inhoudt dat er minder beschikbaar zijn voor andere. Onze moderne economie lost die kwestie simpelweg voor eens en altijd op door de middelen steeds daar in te zetten waar ze het meest rendabel zijn, d.i. waar ze maximaal bijdragen tot de accumulatie van kapitaal (en dus tot de ontwikkeling van nieuwe technologieën).
Politiek is in oorsprong de kunst om anderen ertoe te bewegen mee op te komen voor de bevrediging van de eigen materiële behoeften. Als sterfelijke wezens zijn we genoodzaakt tot een politiek verstandig gedrag. En de beste manier om anderen ertoe te motiveren ons te helpen bestaat erin bij de anderen in te spelen op een andere behoefte dan de materiële, namelijk het verlangen naar een zinvol leven, het verlangen dat een ander of anderen je nodig hebben. Maar onze cultuur staat principieel vijandig tegenover het politieke. Het hoogste ideaal van de Westerse cultuur is dat van een onbegrensde vrijheid en wanneer mensen in de ban zijn van dat ideaal willen ze zich niet afhankelijk maken van anderen en willen ze zich ook door niemand iets laten voorschrijven. Zo worden zinvolle gemeenschapsverhoudingen onmogelijk.
Ethiek (in de antieke, Aristoteliaanse zin) betreft de vraag waar je het best werk van maakt, hoe je je leven moet inrichten gezien de eindigheid van je bestaan. In elk van de 10 tragedies die Rudolf Boehm interpreteert in zijn boek Tragik wordt uitgebeeld hoe mensen ten prooi vallen aan een waandenkbeeld en daardoor van hun leven (en dat van anderen) een knoeiboel maken die zelfs in catastrofes eindigt. (De waan van Oedipus dat alles ten goede zal keren als maar de hele waarheid aan het licht komt, of de waan van Faust dat een mens het allergrootste zou kunnen presteren als hij maar zou beschikken over bovenmenselijke, bovennatuurlijke krachten.)

Ten slotte nog dit: als leidraad voor een overweging van de praktische vragen stelt Boehm voor de volgende onderscheidingen in het oog te houden. Enerzijds het onderscheid tussen behoeften en belangen. Behoeften zijn aangevoelde afhankelijkheden, belangen begrepen afhankelijkheden. We voelen de behoefte aan iets te drinken maar wat er allemaal nodig is om aan drank te geraken kunnen we slechts begrijpen. Anderzijds het onderscheid tussen twee soorten behoeften: de materiële, die moeten bevredigd worden als we ook maar willen overleven en daarnaast het verlangen naar een zinvol leven dat zich manifesteert in een gevoel van neerslachtigheid, verveling, zinloosheid. Die onderscheidingen volstaan om allerlei simplismen te doorbreken, die de ronde doen in verband met behoeften.

Johan Moyaert
Filosoof en coördinator van de discussiegroep Kritiek

Beknopte bibliografie
Enkel de boeken worden vermeld. In 1993 werd een bundel opstellen over Boehm uitgegeven (In verhouding), waarin een meer uitgebreide bibliografie opgenomen werd. Die sluit wel af in 1991.
- Das Grundlegende und das Wesentliche, Den Haag 1965.
- Kritik der Grundlagen des Zeitalters, Den Haag 1974 (vertaald door W. Coolsaet: Kritiek der grondslagen van onze tijd, Baarn 1977).
- Vom Gesichtspunkt der Phänomenologie, Husserl-Studiën, Den Haag 1968.
- Vom Gesichtspunkt der Phënomenologie II, Studiën zur Phänomenologie der Epoché, Den Haag 1981.
- Aan het einde van een tijdperk, filosofisch-economische aantekeningen, Berchem 1984.
- Fenomenologie en sensibiliteit, tien opstellen, Gent 1992.
- De actualiteit van Marx en Lenin, Lezingen (redactie G. Quintelier), Brussel 1998.
- Dwaalsporen, filosofische en politiek-economische opstellen, Gent 2000.
- Tragik, von Oidipus bis Faust, Würzburg 2001.
- Politiek, Gent 2002.
- Topik, Dordrecht 2002.

Rudolf Boehm - filosofie - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 2 (februari), pagina 33 tot 39