Abonneer Log in

De regularisatiecampagne voor mensen in illegale verblijfssituatie (1999-2002)

Een evaluatie vanuit de begeleidende sector

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 4 tot 17

Toen na de verkiezingen van 1999 een paars-groen kabinet aan het bewind kwam, was het voor de zes partijen die deel gingen uitmaken van de nieuwe federale regering vooral zaak om elk zoveel mogelijk van hun symbooldossiers op de politieke agenda te plaatsen, dossiers waarmee ieder zich naar zijn eigen achterban kon profileren. Dat het daar al eens zou botsen, lag voor de hand, met zo’n uiteenlopend gezelschap als Vlaamse en Franstalige liberalen, socialisten en groenen. Dat is in de loop van de ambtstermijn dan ook gebleken: het werd in de regering Verhofstadt een voortdurend spel van geven en nemen. Voor de groenen was de regularisatiecampagne een van die fetisjdossiers. Een grondige en doordachte herziening van het asielbeleid is op de lange baan geschoven, daarvoor liepen de meningen in de regering te zeer uiteen. Een geslaagde regularisatie moest dat gedeeltelijk goedmaken, moest een - beperkte - zet in de positieve richting zijn. Helemaal alleen stonden de groenen daarmee weliswaar niet in de coalitie, maar het minst wat je kan zeggen is dat alle ministers niet even gelukkig waren met het voornemen. De operatie is er gekomen, maar de politieke tegenstellingen hebben het praktische verloop ervan soms ernstig gehinderd.

Met de regularisatiewet van 22 december 1999 besliste de Belgische overheid dus om een grote groep vreemdelingen via een grootscheepse operatie de kans te geven hun verblijf in ons land te regulariseren. De regularisatiecampagne ging van start begin januari 2000. Van 10 tot 30 januari kregen in België verblijvende vreemdelingen de kans om een aanvraag in te dienen. Er werden vier criteria vastgelegd op grond waarvan vreemdelingen hun verblijf konden laten regulariseren:
1. Asielzoekers die vier jaar na hun aanvraag (drie jaar voor gezinnen met schoolgaande kinderen) nog geen bevel hebben ontvangen om België te verlaten.
2. Personen die door omstandigheden buiten hun wil om niet kunnen teruggaan naar het land waar ze voor hun aankomst in België gewoonlijk verbleven, noch naar hun land van herkomst, noch naar het land van hun nationaliteit.
3. Ernstig zieke personen.
4. Personen die humanitaire redenen kunnen inroepen en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld.

Uiteindelijk werden ruim 36.000 dossiers ingediend, voor een totaal van ongeveer 55.000 personen. De dossiers werden behandeld door een onafhankelijke Regularisatiecommissie. Op grond van de bewijsstukken in het dossier, of na de betrokkenen te hebben gehoord, gaf de Commissie een positief of negatief advies aan de minister van Binnenlandse Zaken, bij wie de uiteindelijke beslissing lag. Die beslissing werd dan doorgestuurd naar de gemeente waar de regularisatieaanvrager woonde. Daar werd hem een verblijfsvergunning uitgereikt (voor één jaar, in principe onbeperkt verlengbaar). Bestond er voor een aanvrager twijfel inzake een mogelijke overtreding van de openbare orde, dan moest het dossier eerst nog worden behandeld door het parket. De hele procedure heeft veel langer geduurd dan oorspronkelijk gepland. Eind januari 2003 was ze nog altijd niet helemaal afgewerkt. Er waren nog 1.240 dossiers in behandeling. Het percentage goedgekeurde dossiers blijft nagenoeg ongewijzigd rond 81% schommelen.(Op een totaal van 35.852 dossiers zijn er 25.250 geregulariseerde aanvragen, i.e. 81,15%).1
Toen de regularisatie op gang kwam, startte de Koning Boudewijn Stichting een project ter ondersteuning van zeer diverse organisaties die allemaal hadden beslist zich op één of andere manier bezig te houden met informatie en begeleiding van de regularisatieaanvragers. Na afloop van het praktische werk was de Stichting van oordeel dat de schat aan ervaringen die deze 25 organisaties tijdens de campagne hebben opgedaan, niet mocht verloren gaan. Zo groeide de idee om iemand uit te sturen voor een rondvraag bij de verantwoordelijken van alle 25 projecten. Het was daarbij eerst en vooral de bedoeling hen te vragen naar hun evaluatie van de omstandigheden waarin ze hebben gewerkt, naar suggesties voor toekomstige projecten, die de follow-up op zich zouden nemen van de regularisatiecampagne en van de rol die zij daarbij hebben gespeeld. Maar het was evenzeer de bedoeling deze mensen van het werkveld in Vlaanderen en Wallonië te vragen naar hun evaluatie van de regularisatiecampagne als geheel en naar hun suggesties voor een toekomstig immigratiebeleid. Deze bijdrage poogt een aantal bevindingen te belichten uit die dubbele bevraging.2

Evaluatie van de regularisatie-campagne

Globaal positieve indruk. ‘Er is mensen recht gedaan. Het had alleen wel wat eerder en sneller gemogen.’ Zo vat een sociale werkster van de Antwerpse vzw Haven de regularisatiecampagne samen. We mogen haar uitspraak rustig in de mond leggen van alle mensen die zich in het veld hebben ingezet voor de tienduizenden ‘mensen zonder papieren’ die hun hoop hadden gesteld op de campagne om eindelijk toegang te krijgen tot een beter leven. In zijn geheel genomen, zeggen de meesten, moest de campagne er dringend komen. Ze is voor vele mensen een goede zaak geweest. Wat niet wil zeggen dat alles van een leien dakje is gelopen, zeker niet. De waslijst van problemen die de regularisatie tot een ware hindernissenloop hebben gemaakt, is bij zogoed als alle organisaties dezelfde. Bovendien was het een actie met een hoog mediatiek gehalte, waardoor ze onvermijdelijk gedoemd was om onvolledig te blijven. ’Maar het meest positieve eraan, zegt de directrice van de Association pour le Droit des Etrangers, in Brussel, is uiteindelijk de grootscheepse mobilisatie geweest op de meest uiteenlopende vlakken. Die inzet van vele mensen (bijvoorbeeld de solidariteit van mensen die bewijsmateriaal hebben bijeengezocht) heeft de campagne een toegevoegde waarde, een meer humane inhoud bezorgd.’
De campagne heeft ook een aantal positieve neveneffecten gehad. Hoewel het gebrek aan coördinatie een algemene klacht is, constateren nogal wat vzw’s en andere organisaties dat de samenwerking een merkbare verbetering heeft meegebracht van de verhouding met gemeentediensten waar ze vroeger vrij stroeve betrekkingen mee onderhielden, en ook vaak een verbeterde samenwerking van de gemeentediensten onderling. Uiteraard zijn daar uitzonderingen op, maar het fenomeen is vaak genoeg vermeld om te worden aangehaald.

Twee grote klachten

Twee klachten komen bij alle betrokken medewerkers terug, zonder uitzondering: het trage verloop van de procedure en het ondoorzichtige karakter ervan.

Traagheid. De onvoorstelbare traagheid van de procedure heeft uiterst nefaste psychologische gevolgen gehad voor de regularisatieaanvragers. Mensen die hier al jaren illegaal leefden (sommigen tot tien jaar...) kregen plots weer hoop op een regeling van hun situatie en dan blijkt dat ze nog eens twee à drie jaar in onzekerheid moeten leven. Met bovenop, wanneer er dan eindelijk een positief antwoord komt, nog een eindeloze lijdensweg vóór de regularisatie rond is bij de gemeente. Die laatste fase - na het positieve antwoord dus - tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de uitreiking van het zo lang verwachte officiële document, kon in sommige gemeenten tot zes à zeven maanden duren. Dat heeft soms tot Kafkaiaanse toestanden geleid. (Bijvoorbeeld het geval van de vrouw die samen met haar kind is geregulariseerd. Tijdens de procedure is ze, in een Belgisch ziekenhuis, bevallen van een tweede kind. De bevoegde diensten weigerden het te regulariseren, omdat het niet vermeld stond in de ingediende documenten. Er is een perscampagne nodig geweest om de zaak te regelen.)
De hulpverleners leggen de verantwoordelijkheid voor die traagheid bij verschillende niveaus. Eerst en vooral de slechte voorbereiding. Zodra de campagne gestart was, was het één onophoudelijk ter plekke improviseren. De inlooptijd was veel te kort geweest. Al dadelijk bleek dat drie weken om alle aanvragen in te dienen en om de nodige bewijsstukken te verzamelen, een veel te korte tijd was. Daar was natuurlijk een politieke reden voor. De regering wou de inlooptijd en de aanvraagperiode zo kort mogelijk houden om de kritiek van de tegenstanders wind uit de zeilen te nemen. Het zo gevreesde ‘aanzuigeffect’ (waardoor kandidaat-inwijkelingen in het buitenland de indruk zouden krijgen dat de grenzen helemaal opengaan, daar de conclusies uit zouden trekken en nog tijdig het land zouden binnenkomen) moest zoveel mogelijk worden ingedijkt. Een tweede, zeer concrete, reden had eveneens alles met die slechte voorbereiding te maken, met name de aanslepende en zeer betwistbare samenstelling van het secretariaat van de Regularisatiecommissie. Er zijn mensen zonder de minste kennis van de problematiek, volslagen leken, in dienst genomen voor een periode van zes maanden, met een nepstatuut. Uiteindelijk zijn ze bijna drie jaar aan het werk gebleven. Ook mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken zijn in dienst genomen voor het secretariaat, met alle gevolgen van dien voor de mentaliteit en de visie op de problematiek. Het secretariaat is dus aan het werk gegaan met vaak onvoorbereide (of bevooroordeelde) mensen, die geen duidelijke richtlijnen hadden gekregen. Daardoor zijn heel wat dossiers verloren gegaan. Vaak ook zijn dossiers zonder de minste verwikkeling, die probleemloos hadden kunnen worden afgehandeld door het secretariaat, doorgestuurd naar de kamers van de Commissie, die daardoor nodeloos overstelpt raakten. Een derde reden wordt rechtstreeks gelegd bij Minister Duquesne van Binnenlandse Zaken en de dubbelzinnige houding van de regeringscoalitie tegenover de regularisatiecampagne. Men vond dat de campagne er moest komen, maar men vreesde de kritiek van de oppositie. Tenslotte heeft ook de werkwijze van de kamers van de Regularisatiecommissie (die de aanvragers grondig hun verhaal lieten doen) bijgedragen tot de opgelopen vertraging. Maar iedereen is het er over eens dat dit laatste aspect niet eenduidend negatieve gevolgen heeft gehad. Integendeel.

Ondoorzichtigheid. Onder meer ook door de slechte voorbereiding was de procedure volslagen ondoorzichtig, niet alleen voor de aanvragers, maar ook voor de - zelfs professionele - hulpverleners. Eerst en vooral: door gebrek aan aangepaste en gerichte informatie van overheidswege was het meest kwetsbare deel van de ‘illegale’ bevolking - de echte clandestienen, die helemaal afgesneden zijn van de sociale netwerken - niet op de hoogte van de regularisatiecampagne. Er is ook geen enkele inspanning gedaan om analfabeten te bereiken. Zodra de campagne in gang was geschoten, bleek dat er niet of veel te weinig was nagedacht over heel wat details van de procedure. Het heeft soms maanden geduurd vooraleer er eensgezindheid was bereikt over een aantal juridische onduidelijkheden. (Er zijn er overigens nog altijd. Bijvoorbeeld: heeft een asielzoeker, die intussen is geregulariseerd, er al dan niet voordeel bij zijn asielaanvraag te laten vallen? De verschillende advocaten hebben daarover heel tegenstrijdige signalen gegeven). Er is ongelofelijk veel - vaak nutteloze - energie gestoken in pogingen om informatie los te krijgen over de stand van zaken in de werkzaamheden van de kamers van de Regularisatiecommissie. Er waren geen geïnstitutionaliseerde kanalen tussen de kamers en de hulpverleners, die met vragen bestookt werden over de verschillende dossiers. De weinige hulpverleners die daarover geen klachten hebben, zijn zij die goede persoonlijke contacten hadden met een lid van een kamer van de Commissie of met iemand van de Dienst Vreemdelingenzaken. De anderen hebben uren en dagen zitten bellen naar telefoonnummers die altijd maar bezet waren of waar niemand opnam, om te proberen aan informatie te geraken. Vaak vruchteloos, en daar werd weinig begrip voor opgebracht door de betrokkenen, die hulpverleners uiteindelijk zien als een onderdeel van het systeem en niet begrijpen dat die hen geen concreet antwoord kunnen geven. Die onmacht ondermijnde het vertrouwen in de begeleiders. In de laatste fase is er wel een faxnummer meegedeeld, via hetwelk informatie kon worden opgevraagd, maar dat was duidelijk too little and too late.
Er ontbrak een centraal aanspreekpunt, een soort van ombudsman, waar desnoods alleen de hulpverleners zouden terechtkunnen voor informatie over de stand van zaken van de dossiers. Dat zou een enorme hoeveelheid energie (en ook wel geld) hebben bespaard. Naarmate de campagne vorderde en er berichten binnenliepen van geregulariseerde mensen, werd de onzekerheid groter voor de overblijvers, de mensen die nog geen antwoord hadden ontvangen. Het kan toch niet, bijvoorbeeld, dat mensen van wie het dossier naar het parket is overgeheveld, meer dan een jaar lang niets vernemen over de stand van zaken van hun dossier. Tenslotte, de vaak cryptische taal van overheid en bureaucratie leidt geregeld tot verwarring. Een voorbeeld: de brief die na zes maanden door de minister naar de kandidaten is verstuurd om ze gerust te stellen in verband met de opgelopen vertraging, is door velen geïnterpreteerd als het bericht van hun regularisatie.

De werking van de kamers van de Regularisatiecommissie

De kamers van de Regularisatiecommissie hebben over het algemeen tot ieders tevredenheid gewerkt. Vooral de aandacht waarmee naar de aanvragers is geluisterd, is door de meeste betrokkenen als positief ervaren. Ook de samenstelling is positief bevonden: één magistraat, één advocaat en één vertegenwoordiger van de ngo-wereld. Dat heeft in de meeste gevallen geleid tot een vrij evenwichtige en menselijke uitspraak. In de praktijk zijn aanvragers met een zwak dossier, op papier, dikwijls ‘gered’ geweest door het gesprek met de kamer: plots stonden daar mensen van vlees en bloed, die hun verhaal mochten doen. De leden van de kamers zijn van in het begin geconfronteerd met een juridisch vacuüm op heel wat punten. Sommige aspecten van de procedure zijn dus in de loop van de campagne gewijzigd. Dat is door betrokkenen en hulpverleners tegelijk als positief en negatief ervaren. Positief: doorgaans ging het erom een aspect te vermenselijken (bijvoorbeeld: de verlenging van de tijdsspanne om bewijsstukken te vergaren). Negatief: daardoor misten de betrokkenen elk psychologisch houvast, vooral omdat ze intussen zo moeilijk aan informatie geraakten over de stand van hun dossier. Nog negatiever wellicht is het feit dat daardoor mensen van wie het dossier in het begin is behandeld, vaak strenger zijn beoordeeld dan anderen die later aan bod zijn gekomen. De onvoorspelbaarheid van de interpretatie heeft rechtsonzekerheid meegebracht. En nog erger, dat heel wat mensen die niet beantwoordden aan de wettelijke criteria, van begeleiders en advocaten de raad hebben gekregen geen regularisatieaanvraag in te dienen omdat ze daarmee nutteloos het risico liepen uit de clandestiniteit te treden en later gemerkt hebben dat ze wel zouden zijn geregulariseerd. Dat steekt momenteel bij die hulpverleners, die zich nu schuldig voelen.
De kamers hebben ook veel belang gehecht aan tekenen van integratie, zoals het aanleren van de taal en het zoeken naar werk, hoewel daarover niets in de wet stond. Op zich was dat natuurlijk een goede zaak, maar dat kan ook leiden tot subtiele discriminatie. Een voorbeeld: de vlotte, uitstekend Nederlands sprekende, in Schoten wonende vrouw uit Oekraïne, perfect op de hoogte van Belgische politiek en maatschappij, die probleemloos wordt geregulariseerd, hoewel ze niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden inzake verblijf. Kort na haar verschijnt een verlegen Turkse vrouw, met kinderen, die zogoed als alleen Turks spreekt en op geen enkele vraag kan of durft antwoorden. Hoewel zij al langer in België verbleef dan de Oekraïense vrouw, heeft haar regularisatie heel wat meer voeten in de aarde gehad.
Dat de meningen binnen de kamers geregeld zouden botsen, was inherent aan de samenstelling van die kamers. Ook daar speelden de politieke tegenstellingen. Of een regularisatieaanvraag al dan niet werd goedgekeurd, is geregeld mee bepaald geweest door de politieke ‘kleur’ van sommige leden. Bepaalde voorzitters kregen dra een geduchte reputatie. Uit ngo-hoek heb ik herhaaldelijk te horen gekregen dat sommige uitspraken tijdens de zittingen probleemloos hadden kunnen worden aangeklaagd op grond van de wet op het racisme. Maar ja, de prioriteiten lagen elders en uiteindelijk, zo getuigen de begeleiders (die vaak meegingen om de aanvragers bij te staan), is dat niet doorslaggevend geweest. De driekoppige samenstelling van de kamer heeft als tegengewicht gewerkt voor een eventueel te grote subjectiviteit van één van de leden.

Grootste probleemgroep: de ‘onverwijderbaren’

Er is grote onduidelijkheid over het begrip onverwijderbaarheid. Het is op zeer amateuristische manier gehanteerd, ook door de kamers. ‘Onverwijderbaren‘ zijn mensen die niet in aanmerking komen voor een asielaanvraag, volgens de criteria van de Conventie van Genève, maar die - voorlopig - niet mogen worden teruggestuurd naar hun land van afkomst, omdat ze daar momenteel gevaar lopen. Oorlogsvluchtelingen, bijvoorbeeld. Zij worden daar met andere woorden niet individueel vervolgd, maar ontvluchten een algemene toestand. Voorbeelden in het verleden waren Bosniërs, Kosovaren, Afghanen.
Over de criteria moest worden geoordeeld door mensen die geen enkele behoorlijke kennis hadden over de geopolitieke toestand in de diverse landen van afkomst. Op verschillende momenten zijn verschillende categorieën gehanteerd. De beoordeling is op een uiterst chaotische manier verlopen. De Commissie, zo luidt de kritiek, heeft zich vastgebeten in het geval van de Roma, maar de andere twijfelgevallen zijn uit de boot gevallen. Algerijnen bijvoorbeeld zijn daar het slachtoffer van geworden. Voor dit concreet geval worden door nogal wat mensen Belgische politieke overwegingen geciteerd: met name de terughoudendheid van de Belgische regering om het Algerijnse regime in opspraak te brengen. Uiteindelijk is het criterium van de onverwijderbaarheid niet alleen chaotisch, maar vooral zeer restrictief gehanteerd.

Concrete deelproblemen

Het wegvallen van de OCMW-steun. Het verbod om regularisatieaanvragers nog financiële steun te verstrekken via de OCMW’s wordt door alle begeleidende organisaties zonder uitzondering ervaren als het voornaamste pijnpunt. Het verbod was moeilijk uit te leggen aan regularisatieaanvragers die niet begrepen waarom anderen wel die steun krijgen, bijvoorbeeld asielzoekers in de gegrondheidsfase. (Ter herinnering: asielzoekers in de ontvankelijkheidfase hebben voortaan geen recht op OCMW-steun. Halen ze de tweede fase, die van de gegrondheid, dan hebben ze dat recht weer wel.) De bijstand werd beperkt tot dringende medische hulp, maar dat begrip wordt wel eens verschillend geïnterpreteerd naar gelang van het OCMW. Ook door de artsen in de ziekenhuizen blijkt dat soms te gebeuren, maar dat lijkt toch vrij uitzonderlijk te zijn. Meestal is de indruk over de beschikbaarheid van het medisch personeel (huisartsen, ziekenhuisartsen en verpleegkundigen) positief.

Het ontbreken van officiële identificatie. Nogal wat regularisatieaanvragers hebben problemen gehad met het feit dat er voor geen ander identificatiedocument was gezorgd dan het ontvangstbewijs dat werd overhandigd bij het indienen van de aanvraag. Dat was een onooglijk papier zonder foto, waarmee je geen aangetekend schrijven kon afhalen, geen bankrekening openen, geen huurcontract ondertekenen, dat vaak onbekend was voor politieagenten. Wat denkwerk vooraf had een aantal punten kunnen verbeteren waarop de aanvragers zich nu aangetast voelden in hun menselijke waardigheid en die zodanig botsten met de bureaucratie dat de mensen zich nog altijd evenzeer als voorheen behandeld voelden als opgejaagd wild. Dat wat verbeelding soms kan volstaan om een oplossing te vinden, hebben sommige gemeenten bewezen. Daar hebben ze gewoon een foto met stempel van de gemeente op het ontvangstbewijs aangebracht, zodat het document zonder betwisting kon dienst doen als identificatie voor de houder ervan. Met een soortgelijke administratieve slordigheid kregen de aanvragers dan weer in een volgende fase te maken. Wanneer ze dan eindelijk erkend waren en hun ‘witte kaart’ ontvingen, stond daar op vermeld dat de houder geen bezoldigde arbeid mocht verrichten. Wat volledig in strijd was met de realiteit. Onder druk van de gemeenten (alweer) heeft Binnenlandse Zaken later die vermelding laten schrappen. Het lijken kleinigheden, maar de psychologische weerslag ervan op mensen die zich sowieso al in een mentaal fragiele situatie bevinden, is niet te onderschatten. Sommige gemeenten hebben daar begrip voor gehad, jammer genoeg niet allemaal.

Overheidsinstellingen. Wat geldt voor de gemeentelijke administratie, is ook waar voor andere overheidsdiensten. De bereidheid en het professionalisme verschillen heel erg van stad tot stad. Het OCMW van Charleroi bijvoorbeeld heeft doorgaans een slechte reputatie bij de hulpverleners. Dat was al zo vóór de regularisatiecampagne en is ook nu weer gebleken, terwijl de samenwerking er vlekkeloos was met alle andere overheidsdiensten. Ook over het OCMW van Brugge zijn de maatschappelijke organisaties niet te spreken, de samenwerking met de VDAB daarentegen was er prima. Ook in Mechelen zijn ze uiterst tevreden over de VDAB. Het OCMW van Gent speelt dan weer zelf een actieve rol (zie het project met de KBS), net als de gemeentediensten van Sint-Gillis (Brussel). Ook met het OCMW van Antwerpen was er een goede samenwerking. Evenals met de Cel Asiel van de stad Antwerpen, wat als verrassend is ervaren door de hulpverleners, die jarenlang het gevoel hebben gehad dat gewoon overleg haast onmogelijk was met de stedelijke vreemdelingendienst. Hoewel er over het algemeen klachten zijn over het gebrek aan coördinatie tussen de overheidsdiensten, zijn er toch ook positieve ervaringen. In Namen bijvoorbeeld was niet alleen de samenwerking met elk van de diverse diensten - met uitzondering van het OCMW - uitstekend. Ze hebben elkaar ook onderling gevonden, wat vroeger niet het geval was.

Het grootste probleem was het gebrek aan informatie. Gemeentebesturen, OCMW’s en vooral VDAB, FOREM, ORBEM...Overal krijg je hetzelfde verhaal te horen: mensen van goede wil, maar volslagen onvoorbereid, die radeloos bellen om informatie naar de ngo’s die aan hulpverlening doen. De vormingssessies die door enkele ngo’s zijn georganiseerd, zoals in Namen en Roeselare, waren dan ook broodnodig. Maar niet alleen door hun gebrek aan informatie zijn de tussenpersonen van de overheidsdiensten een zwakke schakel. Er schort ook nog heel wat aan hun communicatie met de betrokkenen. En dat is meer dan alleen een taalprobleem, er is nood aan opleiding tot interculturele communicatie. Bijvoorbeeld voor politiemensen en OCMW-ambtenaren. Er kan ook vanuit een andere hoek iets aan gedaan worden. Hier en daar, vooral in Verviers en ook in Sint-Niklaas bijvoorbeeld, is er gewerkt aan de opleiding van mensen uit de diverse gemeenschappen van de asielzoekers en regularisatieaanvragers. Zij treden op als tolken, maar vooral als begeleiders die de mensen wegwijs moeten maken in de wirwar van onze maatschappij. Een rol die meer dan ooit nuttig blijft na de afhandeling van de regularisatie.

Werkgelegenheid. Wie een aanvraag tot regularisatie had gedaan mocht werken, maar de vraag moest worden ingediend door de werkgever. Die aanvraag moest door zo’n bureaucratische mallemolen dat heel wat werkgevers er niet aan wilden beginnen. Zelfs plaatselijke interimkantoren weigerden aanvankelijk mensen in te schrijven op basis van hun ontvangstbewijs. Eén van de moeilijkheden was ook de lange termijn die verliep tussen de aanvraag en de zekerheid om aan de slag te kunnen. ‘Als je ziet hoe enorm de bureaucratie is’, zegt de interculturele bemiddelaarster van de MIREC, in Charleroi,’dan ga je je afvragen of de wetten er niet gekomen zijn om de immigratie tegen te houden. Wij slagen er uiterst zelden in een regularisatieaanvrager te doen inburgeren. Als men een regularisatiecampagne aanvat, dan moet men ook inburgeringsmogelijkheden creëren. In de praktijk laat men een hele reeks hinderpalen bestaan. De betrokken persoon mag het land in, maar ze is met handen en voeten gebonden. Er zijn allerlei aanmoedigingspremies voor de indienstneming van zwakke werknemers, maar regularisatieaanvragers mogen daar geen beroep op doen.’
Een belangrijke rem is het gebrek aan enthousiasme bij de werkgevers om hun werknemers aan te geven. De voorkeur van de meesten gaat nog altijd uit naar zwartwerkers. Het zijn blijkbaar hoofdzakelijk werkgevers die al geruime tijd een goede relatie hadden met hun werknemer, oude bekenden, die erin hebben toegestemd om uit het illegale circuit te stappen. En dan nog...Men mag veronderstellen dat ze vaak een half time baan aangeven voor een full time werknemer. Over het algemeen is iedereen positief over de vormingscursussen van VDAB, FOREM en ORBEM, met alle begrip voor het feit dat hun taalcursussen bijvoorbeeld overbelast zijn. Een voorbeeld: de bouwopleiding in West-Vlaanderen biedt 100 procent kansen op werk voor wie de opleiding afmaakt. Enige kritiek: ze zoeken vaak de gemakkelijkheidsoplossing, ze mikken te laag. Een voorbeeld: in Sint-Truiden werken regularisatieaanvragers (en illegalen) in de fruitpluk. Wanneer die geregulariseerd zijn, willen die wel eens iets anders. Daar heeft de VDAB geen oren naar. Werk is werk... Een ander voorbeeld: er komen steeds vaker hooggeschoolde mensen uit Oost-Europa naar ons land. VDAB en opvangorganisaties zijn daar niet op voorbereid. Zij zijn vaak nog bezig met alfabetiseringscursussen. Er is geen equivalentie van diploma’s. De VDAB heeft weinig oog voor dat probleem. Soms zijn die hogere opleidingen wel achterhaald, vergeleken met de onze. Maar enige creativiteit of bijscholing zou kunnen volstaan om een oplossing te vinden. Zoals die hooggeschoolde wiskundige uit Bulgarije die werk kreeg in een slachthuis, omdat hij geen Nederlands spreekt, wel vlot Engels...Het Provinciaal Integratiecentrum Oost-Vlaanderen heeft ervoor gezorgd dat hij in de informaticabranche terecht kon.
De nieuwe werknemers kennen hun rechten niet, kennen de taal niet. Af en toe zijn er vormingsmomenten bij de vakbonden. Dat is vrij beperkt. De stap naar de vakbonden ligt overigens niet altijd voor de hand. Voorbeeld: een echtpaar dat bij de baas inwoonde. Hij dreigde hen te ontslaan omdat ze contact hadden gehad met de vakbond.
Heel opvallend tijdens mijn ‘ronde van België’ van de ‘regularisatie-ngo’s’ was het contrast tussen de werkgelegenheidscontext in Vlaanderen en die in Wallonië, bijvoorbeeld tussen Charleroi aan de ene kant, Sint-Niklaas, Roeselare en Heusden-Zolder aan de andere. Niet dat er in die Vlaamse gebieden geen werkloosheid bestaat. Maar daar leeft - terecht of ten onrechte - de overtuiging dat je met een aangepaste opleiding iemand wel aan een baan kunt helpen, als hij of zij maar bereid is daar ook een mentale inspanning voor te doen, en vooral als je in het juiste segment van de arbeidsmarkt zoekt. In Wallonië klinken de interculturele arbeidsbemiddelaars alsof ze dweilen met de kraan open.

Banken. De moeilijke relatie tussen de regularisatieaanvragers en de banken heeft veel te maken met het al aangehaalde ontbreken van een algemeen aanvaard identificatiedocument. Maar het moet gezegd dat de banken niet de minste inspanning hebben gedaan om daar een alternatieve oplossing voor te zoeken. Het probleem is dat regularisatieaanvragers geen geldig identificatiedocument hadden. Als ze een paspoort hadden - maar dat is heel vaak niet het geval - werd dat soms wel aanvaard. Later is op het ontvangstbewijs in sommige gemeenten een fotootje met stempel van de gemeente gezet. De meeste banken, in alle steden, deden bijzonder moeilijk met regularisatieaanvragers. Er valt geen lijn in te trekken voor het hele land, dit was duidelijk een beslissing van de plaatselijke filiaalhouder.Vele banken stuurden de mensen door naar de Bank van de Post, hoewel het ook daar op sommige plaatsen vrij stroef verliep. In Namen is het geval bekend van een man - met een baan - aan wie een bank een lening van 40.000 frank heeft geweigerd.
Het probleem was vooral acuut voor mensen die werk vonden. De werkgevers wilden hen de som overschrijven op een bankrekening, maar dat kon dan niet. Sommige mensen liepen voortdurend met al hun geld op zak, omdat ze vaak in vrij onveilige huizen wonen. In Oostende heeft het Adviescentrum Allochtonen een rekening geopend, waarop de werkgever het loon kon betalen. Het centrum betaalde dan door aan de werknemer. Dat bestaat ook op andere plaatsen, maar sommige organisaties weigeren dat, omdat zij daardoor zelf in geldproblemen verwikkeld kunnen raken.

De uitzondering op de regel

De enige geraadpleegde organisatie voor wie de balans ronduit negatief is, is de Ligue des Droits de l’Homme. De traagheid van de procedure is de voornaamste kritiek van alle hulpverleners en betrokken instellingen, zonder enige uitzondering. Maar die kritiek wordt gerelativeerd door de positieve eindbalans. Niet zo bij de Ligue des Droits de l’Homme. Die vergelijkt met andere Europese landen, Italië, Frankrijk, Spanje, waar soortgelijke operaties veel sneller zijn verlopen. De kamers van de Regularisatiecommissie treft geen enkele schuld voor die traagheid, die hebben correct gewerkt. De verantwoordelijkheid ligt volgens de Ligue volledig bij de Minister van Binnenlandse Zaken, en dat heeft zich nog toegespitst in de laatste fase van de campagne. Heel wat dossiers hebben oeverloos lang liggen wachten op de handtekening van de minister, hoewel ze een gunstig advies hadden meegekregen van de kamers van de Regularisatiecommissie. Sommige dossiers zijn zelfs teruggestuurd voor herziening. Op de achtergrond van die weigerachtigheid speelde het besef dat de procedure onvermijdelijk was, maar dat de voltallige regering er niet achter stond. Ook de stuntelige werking van het secretariaat van de Commissie heeft bijgedragen tot de traagheid van de procedure, zegt de Ligue. Uiteindelijk blijft de Ligue bij haar aanvangsoordeel: volgens haar was de regularisatiecampagne een valstrik, vooral voor mensen van wie de aanvraag is verworpen, omdat ze ‘boven water zijn gekomen’, zich bloot gegeven hebben, en bijgevolg nu makkelijker kunnen worden opgespoord en uitgewezen.
Opvallend is dat de Vlaamse Liga voor de Mensenrechten de campagne helemaal anders beoordeelt dan haar Franstalige tegenhanger. Zij heeft zich zelfs vrij ver geëngageerd door een vertegenwoordiger mee te laten zetelen in één van de kamers van de Commissie. Dit even ter zijde, want de Liga voor de Mensenrechten heeft niet deelgenomen aan het project van de Koning Boudewijnstichting en viel bijgevolg buiten het bestek van mijn onderzoek.

Suggesties voor de toekomst

Algemeen. ‘Een regularisatiecampagne is een lapmiddel, het is geen structurele oplossing.’ Daar waren al mijn gesprekspartners het over eens, zelfs al vonden ze dat deze operatie noodzakelijk is geweest. De regularisatiecampagne is samengegaan met een versnelling en verstrakking van de aanpak voor nieuwe asielzoekers. De slinger slaat over naar een grotere repressiviteit. Dat is de prijs die betaald wordt voor de regularisatiecampagne. De overheid verwijst trots naar de vermindering van het aantal asielzoekers, maar alle hulpverleners getuigen dat intussen het aantal clandestienen spectaculair is gestegen. De kous is dus zeker niet af, de regularisatiecampagne is geen eindpunt. Er is bij de overheid dringend nood aan visie op het opvangbeleid, zo luidt de kritiek van de hulpverleningssector.
Er moet dringend een permanente procedure komen, met duidelijke en objectieve criteria.3 Een mogelijke regeling zou kunnen uitgaan van een grondige aanpassing van het huidige artikel 9.3 van de Vreemdelingenwet. Maar dan in een veel tolerantere interpretatie dan de huidige tekst, die totnogtoe altijd erg restrictief is toegepast. Krachtens dat artikel is het mogelijk ‘een verzoek tot verblijfsmachtiging om humanitaire redenen’ in te dienen. Daarvoor moeten er ‘buitengewone omstandigheden’ zijn, waardoor die machtiging niet vanuit het buitenland kan worden aangevraagd. Momenteel worden mensen die een aanvraag doen op grond van artikel 9.3, te gemakkelijk versast naar artikel 9.2, waarvoor ze terug moeten naar hun land van oorsprong om een visum aan te vragen. Dat komt voor de meeste mensen in de praktijk neer op een weigering.
In elk geval zouden er afzonderlijke categorieën moeten worden uitgewerkt, met duidelijke criteria, voor zwaar zieken en voor onverwijderbaren. Er zou een soort van B-statuut moeten komen, gebaseerd op een aantal grondrechten, bijvoorbeeld kinderrechten, voor de mensen die vallen buiten de eigenlijke erkenning als politiek vluchteling.
Het grootste probleem momenteel is de ondoorzichtigheid van de Dienst Vreemdelingenzaken. Iedereen pleit dan ook voor een structureel alternatief: een permanent zetelende commissie naar het voorbeeld van de kamers van de Regularisatiecommissie, samengesteld uit een magistraat, een advocaat en een vertegenwoordiger van de ngo’s. Met andere woorden: een commissie die de kandidaten ALTIJD hoort en die een menselijke aanpak hanteert, die LUISTERT naar het verhaal van de mensen. Misschien, zo wordt er gesuggereerd, zou men gebruik kunnen maken van de reeds bestaande Commissie voor Advies aan Vreemdelingen (belast met de gezinshereniging), eveneens samengesteld uit een magistraat, een advocaat en een ngo-vertegenwoordiger. In elk geval - daar is iedereen het over eens - alles is beter dan de Dienst Vreemdelingenzaken. Als die blijft bestaan, is hij aan een grondige hervorming toe. In de eerste plaats moet hij veel transparanter gaan werken, want nu is absolute willekeur de enige norm, zo is de algemene indruk.
Deze permanente structuur sluit niet uit, zo vinden sommigen, dat er daarnaast nu en dan nog eens een regularisatiecampagne komt, om de onopgeloste gevallen op te vangen. Zo’n campagne zou een volgende keer veel sneller - en dus goedkoper - kunnen zijn, als er maar duidelijke en objectieve criteria worden gehanteerd. Er is tijdens de afgelopen campagne een schat aan jurisprudentie vergaard. Het zou bijzonder jammer zijn die te laten verloren gaan. De opgedane ervaring zou erg nuttig zijn voor een volgende campagne, die daardoor heel wat vlotter zou kunnen verlopen.
Daarnaast zou het verkeer van mensen van buitenlandse origine moeten worden versoepeld. Ze zouden makkelijker een visum moeten krijgen. Dat zou voorkomen dat ze allemaal proberen een definitieve verblijfsvergunning te krijgen, om zeker te zijn dat ze terug kunnen wanneer ze het land verlaten hebben. Zo zouden ze makkelijker op familiebezoek kunnen of eventueel naar werk gaan uitkijken in hun land van oorsprong. De gezinshereniging moet worden aangepast aan de feitelijke situatie. Een vaste relatie moet dezelfde rechten inhouden als het huwelijk.
Mocht er een nieuwe regularisatiecampagne komen, dan moet expliciet het recht op regularisering worden erkend voor niet-begeleide minderjarigen. Er moet ook uitdrukkelijk worden gesteld dat die alleenstaande minderjarigen het recht hebben om een asielvraag in te dienen.

Concrete Werking. De werking aan de basis zal natuurlijk in de eerste plaats afhangen van het al dan niet uitwerken van een nieuwe Verblijfswet door de politieke verantwoordelijken. Het is dus zeker zinnig op het vlak van de ngo’s de koppen bij elkaar te steken om alle opgedane ervaring (vóór, tijdens en na de regularisatiecampagne) te confronteren. De overheid kan suggesties uit het werkveld best gebruiken. Het echte juridische denkwerk moet blijkbaar nog beginnen. Totnogtoe hebben de politieke tegenstellingen het uitwerken van een echte visie in grote mate gehinderd. Daar ligt nog een braak gebied voor alle juridische begeleiders van het proces. Er is zeker ruimte voor concrete projecten.
Maar er is ook een hele sociale werking die nog moet beginnen. Duizenden mensen zijn nu geregulariseerd. De meesten hebben hier jaren illegaal geleefd: naast elke georganiseerde vorm van samenleving, buiten elk systeem. Ze hebben nu een officieel document op zak, maar voor het overige moet alles meestal nog beginnen: degelijk werk, de taal, huisvesting, OCMW, gezondheidszorg, ziekenkas, onderwijs voor de kinderen. Ze moeten nu hun weg proberen te vinden in een maatschappij die ze elke dag meemaakten zonder er echt deel van uit te maken. Een maatschappij die, op zijn zachtst gezegd, niet echt openstaat voor hen.
Ook voor de diverse organisaties uit de sector begint het werk nog maar pas. Vele zijn overigens al naadloos overgestapt van de begeleiding van kandidaat-geregulariseerden naar de begeleiding van pas geregulariseerden. Het aanslepen van de campagne heeft als gevolg gehad dat sommige projecten de twee problematieken ongeveer samen te verwerken hebben gekregen. Er is dus zeker nood aan nieuwe informatie- en begeleidingsprojecten, desnoods de voortzetting van bestaande initiatieven.
Daarnaast is de meest dringende nood die aan concrete opleidingen, waarmee de betrokkenen zich een toegang moeten verschaffen tot het arbeidscircuit. Op de eerste plaats komt uiteraard de taal. Iedereen hamert op het feit dat taal een belangrijk middel is tot inburgering. Maar intussen bulken de wachtlijsten van de aanvragen. De vraag naar lessen Nederlands en Frans overstijgt duidelijk het aanbod. Daar moeten dringend bijkomende mogelijkheden worden geschapen. Concrete vakopleidingen, zoals die onder meer door VDAB, ORBEM en FOREM worden georganiseerd, moeten ook verder worden uitgewerkt. Dat moet op een verantwoorde wijze gebeuren, met voortdurende aandacht voor de wisselende arbeidsmarkt. Een nieuw aspect daarbij is de bijscholing van vrij hooggeschoolde mensen (meestal uit Oost-Europa). De gelijkschakeling van diploma’s zou op dat vlak zeker een stap vooruit betekenen, maar een aantal van die opleidingen (informatica in een land als Algerije bijvoorbeeld) vertoont een achterstand tegenover gelijklopende vormingen in België. Het zou dus volstaan die - reeds geschoolde - mensen op het spoor te zetten van een aangepaste bijscholing.
Een opleiding alleen volstaat niet. Wil men dat die mensen ook effectief werk vinden, dan is er dwingende nood aan een actieve arbeidsbemiddeling, die zelf stappen zet naar de werkgevers en die vooroordelen en discriminatie helpt weg te werken. Projecten in die zin verdienen zeker te worden voortgezet en uitgebreid.
Tijdens de campagne is overduidelijk gebleken hoe groot het gebrek aan informatie was - en vaak nog is - bij de diverse tussenpersonen. Bijvoorbeeld het personeel van de gemeenten, het OCMW, van VDAB, ORBEM, FOREM, van interimkantoren, enz. Heel wat ondernemende en gemotiveerde mensen van die instellingen belden geregeld om inlichtingen naar de ngo’s in de sector. Hier en daar zijn vormingssessies georganiseerd voor die tussenpersonen. Dat zou intensief moeten worden voortgezet. Het is niet omdat de regularisatiecampagne achter de rug ligt dat alles voor iedereen nu weer klaar en duidelijk is. Maar het probleem ligt dieper. Bij die tussenpersonen, en ook bij andere mensen die haast dagelijks in contact komen met personen van vreemde afkomst, zoals politieagenten bijvoorbeeld, schort er nog heel wat aan interculturele communicatie. Ook dat kan - en zou moeten - worden aangeleerd.
Die communicatiekloof kan ook van onderuit worden aangepakt. Individu’s uit de diverse aanwezige nationaliteiten en gemeenschappen, die één of verschillende talen van de inwijkelingen machtig zijn, kunnen worden opgeleid om de mensen wegwijs te maken in de doolhof van de Belgische maatschappij.
Samengevat: opleiding, arbeidsbemiddeling en communicatie zijn ongetwijfeld domeinen waar nog intensief aan moet worden gewerkt, willen we dat de hele regularisatie meer zou zijn dan een lege doos. Anders gezegd: willen we deze mensen niet alleen formeel toelaten tot ons land, maar echt een plaats geven in onze maatschappij.

Liesbet Walckiers
VRT-journaliste

Noten
1/ Bron: www.ociv.org
2/ De deelnemers en hun project
- Dienst vluchtelingen van het OCMW Gent - Offerlaan 6 9000 Gent - Hulp aan regularisatieaanvragers
- MIREC (Mission régionale pour l’insertion et l’emploi à Charleroi) asbl - Rue de Trazegnies 41 6031 Charleroi - Mise à l’emploi d’un groupe de personnes candidates à la régularisation
- C.I.R.E asbl (Coordination et Initiatives pour Réfugiés et Etrangers) - Rue du Vivier 80-82 1050 Bruxelles - Site web groupant les coordonnées utiles pour tous les intervenants participant à la campagne de régularisation
- Haven vzw Antwerpen (Antwerps steunpunt vluchtelingen, Antwerps steunpunt mensen zonder papieren) - Van Daelstraat 32 2018 Antwerpen - Bijstand aan mensen in de regularisatieprocedure
- CAW De Viersprong Brugge - Spinolarei 10A 8000 Brugge - Ondersteuning van de regularisatieaanvraag
- Europees Centrum voor Restauratietechnieken vzw, Heusden-Zolder - Koolmijnlaan 355 3550 Heusden-Zolder - Trajectbegeleiding vluchtelingen
- Centre des immigrés Namur-Luxembourg asbl, Namur - Rue du Beffroi 15 5000 Namur - Accompagnement des candidats à la régularisation en provinces de Namur et du Luxembourg
- Werkgroep Integratie Vluchtelingen, Mechelen - Sint-Romboutskerkhof 1 2800 Mechelen - Ondersteuning van regulariseringsaanvragers
- vzw Gastvrij Sint-Truiden (onthaalhuis Masala) - Kazernestraat 2c 3800 Sint-Truiden - Opvang en informatie van mensen in de regularisatieprocedure
- Provinciaal integratiecentrum West-Vlaanderen, Roeselare-Rumbeke - Hoogstraat 98-Bus 7 8800 Roeselare-Rumbeke - Sensibilering en informatieverstrekking over tewerkstelling
- Centre d’action interculturelle de la province de Namur asbl, Saint-Servais - Rue Dr Haibe 2 5002 Saint-Servais - Séances d’information thématique sur la régularisation
- Service Droit des jeunes - Rue Marché-aux-Poulets 30 1000 Bruxelles - Assistance juridique et sociale des enfants et des familles candidats à la régularisation
- Centre Social Protestant (Service des Réfugiés) - Rue Cans 12 1050 Bruxelles - Insertion socio-professionnelle des candidats à la régularisation
- Centre d’Action Laïque de Charleroi - Rue de France 31 6000 Charleroi - Publication d’un mensuel (papier + net) de liaison pour les candidats à la régularisation
- Association pour le droit des étrangers asbl - Avenue de Stalingrad 24 1000 Bruxelles - Initiation à la diversité culturelle, institutionnelle, associative et approche juridique de la situation administrative à destination des candidats à la régularisation - Provinciaal integratiecentrum Oost-Vlaanderen, Sint-Niklaas - Mercatorstraat 75 9100 Sint-Niklaas - Informatiebrochure over tewerkstelling voor Mensen zonder Papieren in de provincie Oost-Vlaanderen
- Centre d’information et d’éducation populaire du Mouvement Ouvrier Chrétien, Bruxelles - Rue Plétinckx 19 1000 Bruxelles - Information aux candidats à la régularisation et à un groupe d’accompagnateurs
- Aide aux personnes déplacées asbl, Liège - Rue du Marché 35 4500 Huy - Suivi individuel des personnes en attente de régularisation, régularisées ou déboutées
- SIMA (Service Insertion Mission Action), Saint-Josse - Rue Brialmont 21 1210 Bruxelles - Brochure informative (français-turc) à l’intention des personnes en voie de régularisation ou régularisées
- Centre Régional de Verviers pour l’intégration des personnes étrangères et d’origine étrangère - Rue de Hodimont 44 4800 Verviers - Equipe d’accompagnateurs interculturels
- Ligue des droits de l’homme - Rue de l’Enseignement 91 1000 Bruxelles - Information aux sans-papiers
- CAW Middenkust vzw, Oostende Adviescentrum Allochtonen (ACA) - Sint-Catharinapolderstraat 33 8400 Oostende - Opvang en begeleiding van mensen in de regularisatieprocedure
- CAW Leuven - Lepelstraat 9 3000 Leuven - Individuele begeleiding van regularisatieaanvragers
- Administration communale de Saint-Gilles, via l’échevin de l’état civil et le médiateur social communal - Place Maurice Van Meenen 39 1060 Bruxelles - Information aux personnes en voie de régularisation
- APRAD asbl(Association pluridisciplinaire de recherche et d’action en matière de développement) - Rue Van Elewijck 35 1050 Bruxelles - Lettres-vidéos dans lesquelles les réfugiés du centre de Rendeux s’expriment librement
3/ Intussen heeft een aantal mensen uit de sector een ‘Studiegroep duurzame verblijfsstatuten’ gevormd en samen een voorstel uitgewerkt tot ‘wijziging van de wet inzake verblijfsstatuten’. De volledige tekst van het voorstel is terug te vinden op http://home.scarlet.be/~pj971263/index.htm

asiel - asielzoekers

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 4 tot 17