Abonneer Log in

Wat nu, Bush junior?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 44 en pagina 46 tot 47

Je kan door je taalgebruik van ‘coalitiepartners’ of ‘geallieerden’ (versus de ‘asmogendheden van het kwaad’?) de media - indien ze daar zelf niet ook al aan meedoen - of de publieke opinie proberen zand in de ogen te strooien voor je eenzijdige optreden met alleen Engeland en Australië als actieve bondgenoten. Je kan hopen dat God aan je zijde staat en weten dat vooral de wapenindustrie in de wolken is van een oorlog die 1 miljard dollar per dag kost en 130.000 manschappen op de been brengt. Je kan een bezettingsaanval een bevrijdingsoorlog noemen, je kan een beroep doen op het wereldvreemde patriottisme van de Amerikanen en de rest van de vreemde wereld van ondankbaarheid betichten. Je kan democratie en vrede zeggen, maar aan olie en macht denken, je kan opkomen voor respect voor de vrijheid van meningsuiting in Irak maar ondertussen diezelfde vrijheid in eigen land muilkorven. Je kan de beoogde ‘snelle’ Blitzkrieg die toch wat langer duurt verkopen als een voorziene wat tragere troepenopmars, je kan je aanval op Irak goedpraten door de stellige zekerheid dat daar chemische of biologische wapens zijn opgestapeld maar schroomteloos zélf wapens met verarmd uranium - what’s in a name - in de strijd werpen. Je kan beweren wat je wil omdat je nu eenmaal militair de sterkste bent en daarom ontzag mag eisen, maar je zal nooit meer een beroep kunnen doen op het zo moeizaam in de 20e eeuw uitgebouwde internationale recht(systeem) dat je zo flagrant en zo openlijk met voeten hebt getreden, door de Verenigde Naties naast je neer te leggen. De Verenigde Staten hebben zichzelf buiten de wet gesteld en hebben daarom ieder gezag verloren om anderen de les te spellen.

De 21ste eeuw is, inderdaad, op 11 september 2001 begonnen en heeft ondertussen reeds twee oorlogen gebaard, waarin de Verenigde Staten de enige initiatiefnemer waren. Eerst werd Afghanistan onder de voet gelopen omdat zich daar zogezegd ene Bin Laden - herinnert u het zich nog ? - zou schuilhouden. Het werd enige tijd later terug aan zijn lot overgelaten. Vervolgens werd de zaak nog eens overgedaan in Irak, het weze omdat het een cruciale schakel zou zijn in het terreurnetwerk van Al-Qaeda, het weze omdat er zich gevaarlijk wapentuig zou bevinden. De 21ste eeuw, daarover kan geen twijfel meer bestaan, wordt de eeuw waarin de verhouding van diezelfde Verenigde Staten tegenover de rest van de wereld voortdurend zal worden bevraagd, bestreden en hertekend. Dat dit land voor een groot deel van de wereld als vijand nummer één zal worden gepercipieerd, ligt in de lijn van de verwachtingen. Samuel Huntingtons Clash of Civilisations wordt aldus een ware selffullfilling prophecy: indien er vandaag één factor voedsel geeft aan ‘anti-westerse sentimenten’, dan is het wel de manier waarop de Verenigde Staten als een dolgedraaide studiemeester de wereld als zijn speelplaats ziet. De Pax Americana zal echter in deze geglobaliseerde wereld niet zonder slag of stoot door de hele wereldbevolking worden aanvaard en dus laat het zich raden dat een spiraal aan weerwraakacties tot de waarschijnlijkheden behoort, waarop dan weer met evenzovele gewapende interventies zal worden geriposteerd. Vietnam is kennelijk geheel uit het Amerikaanse bewustzijn verdwenen. Alleen de selectieve herinnering aan de heroïsche Amerikaanse inzet in de Tweede Wereldoorlog wordt levendig gehouden. Referenties daarnaar passen nu eenmaal veel beter in het kader van de huidige oorlogsvoering.

Amerika heeft zich militair de sterkste getoond, maar kan het wel nog andere troeven uitspelen? Het is alvast tekenend dat na de militaire troepen eerst de olie-experten volgen en dan pas de voedselkonvooien. Het heropstarten van de oliewinning is immers een grotere prioriteit dan het redden van mensenlevens. En dat er behoorlijk wat mensenlevens worden bedreigd wordt met de dag duidelijker. Niet zozeer soldaten en directe oorlogsslachtoffers, al zijn dat er al meer dan teveel, maar vooral ook burgers, die, nadat ze reeds tien jaren het eerste slachtoffer waren van het embargo tegen Irak, al erg verzwakt zijn en snel dreigen om te komen van honger en dorst, ontbering en epidemies. De Verenigde Staten hebben al laten verstaan dat ze voor de heropbouw van het land dat ze eerst militair aan flarden hebben geschoten, op de hulp van de Verenigde Naties rekenen. Wordt dat de nieuwe arbeidsdeling op wereldvlak: het militaire geschut voor de Amerikanen, humanitaire hulp voor de rest van de wereld? En wat wil men precies heropbouwen? Een vazalstaat of een onafhankelijke natie? Oliewingewesten of een gemeenschap van mensen?

In dat laatste hebben de Amerikanen nooit van erg veel inzicht blijk gegeven, want veel van de regimes die ze zelf in het zadel hielpen - dat van Sadam Hoessein inbegrepen - bleken binnen de kortste keren niet alleen allerminst om de belangen van hun bevolking bekommerd, maar bovendien een anti-Amerikaanse koers te varen. Niets wijst er vandaag op dat er in Irak een verenigde democratische oppositie te popelen staat om, bij de gratie van de Amerikanen nog wel, het gezag over te nemen. Amerika bombardeert immers meestal staten terug de Middeleeuwen in, met inbegrip van hun politieke cultuur. De kans is dus bijzonder groot dat misschien wel het politiek-militair personeel maar niet het regime in Irak zal wijzigen.
Overigens hoop ik dat noch Europa, noch de Verenigde Naties zich bij deze nieuwe arbeidsdeling à l’américaine zullen neerleggen, maar een veel actievere politiek gaan voeren, die de vredesoptie overtuigend op de agenda zet. Europa moet, mét de Verenigde Naties, resoluut opteren voor een buitenlands beleid dat preventief vredesversterkend en vredebevorderend werkt en waarin knowhow wordt opgebouwd omtrent early-warningsystemen. Europa moet nu de kans grijpen om zich niet als militair zwakke, maar wel als politiek sterke gemeenschap op het internationaal toneel te profileren, een gemeenschap die niet alleen neen durft te zeggen tegen de Verenigde Staten, maar die bovendien heel wat meer affiniteiten heeft met het Nabije Oosten en met (Noord-)Afrika dan de Verenigde Staten. Europa moet zich, met andere woorden, wat minder ‘Atlantisch’ en wat meer ‘Mediterraan’ opstellen. Het heeft daar de geschiedenis als ruggesteun voor.

Momenteel mogen we immers misschien wel tevreden zijn met de afzijdigheid van Europa in het Amerikaans-Iraakse conflict, maar een sterke indruk maakt dat Europa - met inbegrip van de Europese sociaaldemocratie - nu ook niet bepaald. Het is niet een gezamenlijke visie op de te voeren buitenlandse politiek als wel een totaal gebrek aan dergelijke visie die tot de huidige opstelling heeft geleid. Met name Schröder en Chirac moeten - eventueel samen met Poetin - thans het voortouw nemen om de ingenomen standpunten tot een coherente doctrine te smeden die duidelijk maakt dat er nog andere opties zijn dan het ‘pro of contra de Verenigde Staten’ of het ‘pro of contra de fundamentalistische terreur’ dat nu de toon zet. Het Spaanse voorzitterschap van de EU heeft daartoe al te veel kansen laten liggen.

Wat zal Bush doen eens Irak gevallen is maar noch Bin Laden, noch Al-Qaeda verslagen zijn en er nauwelijks wapens te ontmantelen vallen? Een nieuwe schakel in de ‘as van het kwaad’ viseren? (kandidaten genoeg in de nieuwe Bush-doctrine!). Op zichzelf terugplooien en zijn wonden likken? Wraak nemen tegen al die landen die afzijdig bleven? Veel zal hier afhangen van de vraag of de Verenigde Naties hun elan kunnen herwinnen en daarin kan Europa wel degelijk een voortrekkersrol vervullen. De vredesbeweging waar ook ter wereld moet de druk op de ketel weten te houden door de optie voor een nieuwe internationale wereldorde terug op de wereldagenda te plaatsen. Want die wordt thans al te sterk beheerst door een Wereldhandelsorganisatie die zo duidelijk de kaart van de Verenigde Staten en zijn multinationale ondernemingen trekt in haar pleidooien voor een verregaande liberalisatie van de wereldhandel. Een dergelijke eenzijdige globalisering zal alleen maar de voorbereiding vormen voor vele toekomstige oorlogen. Het is een oud liedje, maar het blijft waar: zonder een minimale rechtvaardigheid op wereldvlak zal het westen stelselmatig geconfronteerd worden met kleinere of grotere opstanden tegen een hegemonie die al te veel ontwikkelingskansen fnuikt. Een optie voor vrede is dan ook noodzakelijkerwijs ook een optie voor duurzame ontwikkeling op wereldvlak. Wie dat niet begrijpt kan zich alleen maar op telkens weer nieuwe kleine of grotere oorlogen voorbereiden.

Koen Raes
Hoofdredacteur

internationale veiligheid - oorlog - Irak - Verenigde Naties - Verenigde Staten

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 44 en pagina 46 tot 47