Abonneer Log in

'De kloof en de uitweg. Een dwarse kijk op ontwikkelingssamenwerking'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 4 (april), pagina 56

De kloof en de uitweg. Een dwarse kijk op ontwikkelingssamenwerking

Marc Vandepitte
epo, Berchem, 2004

De traditionele ontwikkelingssamenwerking moet grondig herbekeken worden. Dat is de basisstelling van de auteur, die een rechtstreeks verband ziet tussen het stijgend aantal ngo’s in de wereld en de groeiende kloof tussen arm en rijk. Men hoeft het met deze visie niet eens te zijn om toch met veel belangstelling dit boekje over ngo’s, ontwikkelingshulp, armoede en de andersmondialiseringsbeweging door te nemen. Er werd in het verleden inderdaad te veel aan symptoombestrijding gedaan, terwijl moet worden gewerkt aan rechtvaardiger machtsverhoudingen in de wereld.
De auteur geeft achtereenvolgens een overzicht van de economische en sociale problemen die twintig jaar ‘structurele aanpassingen’ veroorzaakt hebben, een beeld van de massale geldstromen van Zuid naar Noord en van de gebrekkige ontwikkelingshulp. Hij wijst daarbij op de nefaste rol van veel ngo’s die worden ‘gerecruteerd en ingezet om de pijn van de neoliberale schoktherapieën te verlichten’ (p. 41). Door hun werk zullen veel ngo’s de volksbewegingen verzwakken die ‘doorgaans democratisch’ werken (p. 45). De auteur laat geen onduidelijkheid bestaan over zijn persoonlijk standpunt. Binnen het kapitalisme is er voor de derdewereld geen oplossing mogelijk. Dat kapitalisme heeft de voorwaarden voor ontwikkeling gecreëerd, maar is er nu een hinderpaal voor geworden. De kloof valt immers niet te dichten met ontwikkelingssamenwerking, maar enkel met de opbouw van tegenmacht.
In het tweede deel van het boekje probeert Marc Vandepitte zijn alternatief te beschrijven, en dat lijkt heel wat moeilijker te zijn. Hij valt hierbij in exact dezelfde retorische valkuilen als ook zijn tegenstanders bij de Wereldbank: er is een sterke centrale staat nodig, maar ook de lokale macht mag niet vergeten worden; er is eenheid rond een politiek programma nodig, met een unificerend politiek orgaan, maar er moet respect zijn voor verscheidenheid; men moet opletten voor ‘ultrademocratisme’, maar ook voor ‘overtrokken centralisme’. Net zoals in de recepten van de Wereldbank komt het telkens aan op een ‘goed evenwicht’, en dan zal ‘de grote meerderheid van de bevolking’ zich wel herkennen in het project.
De auteur gaat ook voorbij aan enkele concrete vragen die rijzen bij het lezen van zijn werk: hoe vangt hij de ecologische crisis op? Hoe ‘neutraliseer’ je het ‘voormalige repressieapparaat’, zoals hij voorschrijft? En vooral: wie zijn nu die ngo’s die het allemaal zo fout doen? Het voorwoord in dit boekje werd geschreven door Mieke Molemans, voorzitster van 11.11.11. Mogen we hieruit besluiten dat er in België geen slecht werkende ngo’s bestaan?
Voor wie kritisch wil nadenken over ontwikkelingssamenwerking is dit boekje erg nuttig. Het toont de structurele tekortkomingen van de sector aan en het geeft een beeld van het kapitalistische falen. Ook met de oplossing - het opbouwen van tegenmacht - zullen velen in de andersmondialiseringsbeweging het wel eens kunnen zijn, hoewel er heel wat fundamentele vragen kunnen gesteld worden bij Vandepittes visie op landbouwbeleid, volksbewegingen en zeker ook op socialisme. De concrete uitwerking van het alternatief laat te wensen over. Te halfslachtig en te algemeen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 4 (april), pagina 56