Log in

'De sociale controle van achterstandswijken. Een beleidsgenetisch perspectief'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 50 tot 51

De sociale controle van achterstandswijken. Een beleidsgenetisch perspectief

Justus Uitermark
Nederlandse Geografische Studies 322\nKoninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, Utrecht/Amsterdam, 2003

Justus Uitermark is een Nederlands sociaal geograaf die in maart 2003 afstudeerde aan de Universiteit van Amsterdam. De publicatie die we hier bespreken is zijn eindwerk.
De sociale controle van achterstandswijken heeft een eenvoudige opbouw. In het eerste hoofdstuk schetst de auteur een theoretisch kader, ‘een analysekader voor onderzoek naar stedelijk beleid’, waarna hij in de twee volgende hoofdstukken dat kader tracht toe te passen. Het tweede hoofdstuk analyseert het Vlaams stedelijk beleid, het derde hoofdstuk het Nederlandse. In het vierde hoofdstuk tenslotte verruimt de auteur het gezichtsveld en vergelijkt hij de Verenigde Staten met Europa.

De auteur hanteert inderdaad, zoals de titel van het boek het stelt, een beleidsgenetisch perspectief. De wording van het beleid en het hoe en waarom van die wording staan centraal. Daarmee reageert hij tegen de vele onderzoekers die stellen ‘dat politici niet goed op de hoogte zijn van de ontwikkelingen die binnen de maatschappij en binnen wijken spelen en dat zij daarom, zeer ten onrechte, menen dat sociale menging leidt tot integratie van kansarme groepen.’ Volgens Uitermark is de aandacht voor achterstandswijken helemaal niet afhankelijk van de problemen die daar spelen. Zolang de gevolgen van wijkproblemen niet uitdeinen naar het nationale niveau is er vanuit dat niveau weinig interesse voor. Het is pas onder bepaalde voorwaarden, zoals de opkomst van het Vlaams Blok in Vlaanderen, dat de aandacht voor achterstandwijken toeneemt. De doelstelling van het uitgewerkte beleid is dan niet de situatie van de achtergestelde bewoners te verbeteren, dat is maar een afgeleide, de echte doelstelling is de score van het Vlaams Blok naar beneden te halen.

Dat veel onderzoekers fout zitten in hun analyse, wijt de auteur aan een gebrek aan instrumenten en theoretische concepten om de oorspong van beleid te verklaren.
Justus Uitermark is een aanhanger van Foucault en de neo-Foucauldianen. In navolging van die richting stelt hij dat de oorspong van beleid niet de overheid is, maar de lokale settings waar problemen worden geïdentificeerd en geconceptualiseerd. Maar waarom wordt onder die veelheid van conceptualisaties er één leidraad voor beleid uit gehaald? Daartoe vult Uitermark zijn Foucauldiaanse basis aan met elementen uit de staatstheoretische regulatiebenadering. Die benadering stelt dat de aard van de staatsstructuur uiteindelijk bepaalt wat wel en wat niet tot beleid zal promoveren.

De analyse van Uitermark is op bepaalde momenten best interessant, maar biedt toch weinig nieuwe inzichten. Dat stedelijk beleid in België niet hoefde omdat de dominerende katholieke partij er in België geen baat bij had, is niet verrassend. Dat de opkomst van het Vlaams Blok in stedelijke gebieden aanleiding was voor een beleid voor die stedelijke gebieden, is dat evenmin.

Bovendien, en dat is fundamenteler, is het nog de vraag of de analyse van Uitermark wel steunt op het theoretisch concept dat hij heeft uitgewerkt. Essentieel in zijn analyse lijken me vooral machtsverhoudingen en hun gevolgen te zijn, veeleer dan de vorm van de staatsstructuur waarover hij het trouwens veel minder heeft.

Bovendien maakt hij in zijn vierde hoofdstuk wel een heel grote sprong. Zijn conclusies over België - Uitermark heeft het bijna altijd over België, maar zijn analyse slaat bijna helemaal op Vlaanderen - en Nederland gebruikt hij om stellingen te formuleren die ook voor het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk zouden gelden. Zoals hij zelf erkent, is dat een gewaagde onderneming. Is de vorm van de staatsstructuur in de betreffende landen wel voldoende gelijklopend om - refererend aan het theoretisch model dat de auteur in zijn eerste hoofdstuk construeerde - uit de twee bestudeerde casussen tot dergelijke algemene stellingen over te gaan?

En is er dan niemand die de drukproef van het boek heeft nagelezen? Het boek bevat (te) veel storende spelfouten. Om een voorbeeld te geven: premier Dehaene wordt op pagina 76 geciteerd als ‘Premier Jean-Luc de Haene’ en op dezelfde bladzijde is het drie lijnen verder al ‘De Haene’ geworden. En zou het op pagina 77 om Pascal de Decker of om Pascal De Decker gaan? Beide schrijfwijzen komen elk twee maal voor op één en dezelfde bladzijde. Een slordige indruk die toch makkelijk te vermijden valt. Kortom, een boek met interessante aanzetten, maar dat in menig opzicht de indruk geeft onaf te zijn.

Je kan deze studie ook downloaden via onderstaande links

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 50 tot 51