Abonneer Log in

Ideologische congressen, een noodzakelijk kwaad?

Over het socialisme van 1974

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 21 tot 30

Een politieke partij heeft geen ideologisch congres nodig om de eigen ideologie bij te schaven of te moderniseren. Indien ideologie enkel via ideologische congressen geactualiseerd zou kunnen worden, dan zou de sp.a vandaag nog steeds met de beginselverklaring van 1974 werken. Dat laatste is, zo zal de bespreking van die tekst hierna duidelijk maken, geenszins het geval.

De partij heeft sinds 1974 belangrijke en fundamentele ideologische stappen gezet, bijvoorbeeld - voor wat het afgelopen decennium betreft - met Het Sienjaal (1996), het Toekomstcongres (1998), Het Groot Onderhoud (2002) en recent met de ‘gratispolitiek’ of beter, de herverdeling via selectieve gratis gemeenschapsvoorzieningen. In geen van deze gevallen was daarvoor een ideologisch congres nodig, in sommige gevallen kwam er zelfs geen congres aan te pas. De gratispolitiek is een vanuit de politieke praktijk en strategie gegroeide benadering en visie. Met andere woorden, de ideologie van een partij evolueert ook zonder ideologische congressen. Waarom er dan een organiseren?
Voor cynici is het misschien vooral een overhaaste reactie op de aankondiging van VLD-voorzitter Bart Somers dat de VLD in 2005 een ideologisch congres zou organiseren, een voornemen dat de liberale partij ondertussen liet vallen. De blauwe ambities blijven beperkt tot een sociaaleconomisch congres. Volgens deze visie gaat het dus vooral om een politiek-strategische tegenzet met grote politieke voordelen. De congresdagen op 17 en 18 december te Brugge zijn meteen de start van de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, die minder dan een jaar later doorgaan. De partij komt in volle aandacht te staan en krijgt zo een platform om allerlei voorstellen en ideeën te lanceren die in het daaropvolgend jaar de socialistische rode draad in de kiesstrijd voor de 308 Vlaamse steden en gemeenten kunnen vormen. In een vlotte beweging kan de partij ideeën maar ook politici naar voor schuiven. Een ideologisch congres is m.a.w. prima politieke marketing en agendasetting. In het denk- en organisatieproces dat zich tijdens de daaraan voorafgaande maanden binnen de partijmuren afspeelt kan nieuw politiek talent gespot worden, kan personeel opgeleid en getraind worden. Een ideologisch congres is dus een uitgelezen en georganiseerd moment voor selectie, rekrutering en training van politiek personeel. Bovendien is een congres deugdzaam voor de eigen identiteit en het samenhorigheidsgevoel. Leden, militanten en mandatarissen vergaderen en discussiëren samen over teksten en amendementen. Dat is niet enkel een intellectuele oefening waarbij ze vertrouwd raken met de partijstandpunten en -voorstellen, maar vooral een training in groepsvorming. De achterban houdt er een warm gevoel van betrokkenheid en inspraak aan over. Nadien zijn de gelederen stevig gesloten rond de partij(leiding), wat nuttig kan zijn als de troepen straks weer de boer op moeten met folders, affiches en flyers. Voor cynici is een ideologisch congres vooral bezigheidstherapie met verschillende voordelen en effecten die niet noodzakelijk iets met ideologische vernieuwing te maken hebben. Achter de schermen doet de partijleiding toch haar goesting en niemand voelt zich nadien echt gebonden of gehinderd door de wijsheden die op vele bladzijden ideologie samengebald worden.
Voor een goed begrip van politiek is het verstandig om vaak cynisch te zijn. Maar het is dom om het altijd te zijn. Een ideologisch congres kan immers meer zijn dan deze pessimistische lezing aangeeft. Er is vandaag nood, veel nood aan een diepgaande ideologische herbronning en linkse mobilisatie. Rechts-conservatieve analyses krijgen balvoordeel en spelen met rugwind. Links dreigt in het defensief te raken, misschien politiek maar zeker intellectueel. Bovendien kan het ideologisch debat ter linkerzijde onmogelijk als rijk, inspirerend, creatief of offensief omschreven worden. Hier ligt m.a.w. een uitgelezen kans om opgelopen schade en achterstand goed te maken. Hopelijk kunnen sommigen zich in deze oefening bewijzen, daar waar ze door de coalitiedeelname minder uitlevings- of profilerings-mogelijkheden hebben. Het is hoog tijd dat de jonge generatie van beloftevolle politici die door de partij sterk ondersteund werden niet enkel electoraal maar ook inhoudelijk-ideologisch aantonen wat ze waard zijn. Misschien laat nieuw politiek talent zich zien. De inhoudelijke herbronning en discussie is binnen de sp.a door de jarenlange regeringsdeelname en de centraal aangestuurde partijorganisatie niet voluit gegaan. Vaak was ze te eenzijdig gericht op de dagdagelijkse praktijk, waren te weinig mensen erbij betrokken of moest ze in een verstikkende consensus gebeuren. Een ideologisch congres is dus niet zomaar een congres, maar een investering in de toekomst van ideeën en personeel. Een ideologisch congres is per definitie gericht op de langere termijn en moet zich dus wat losmaken van de politiek van hier en nu en van de positie als regeringspartij.
In het edito van het maartnummer werd reeds aangekondigd dat Sampol veel aandacht wil besteden aan het ideologisch congres. Een dergelijk congres is dan wel niet nodig voor ideologische vernieuwing en dient vele doelstellingen, anderzijds is het wel een expliciete aanleiding en mogelijkheid om na te denken over de vraag waar socialisme anno 2005 voor staat. Welke zijn de krachtlijnen en beginselen waarmee het socialisme de komende decennia Vlaamse en mondiale uitdagingen en problemen zal benaderen?
Om deze vraag te beantwoorden is het nuttig om eens achterom te kijken. Welke waren de krachtlijnen van het vorig ideologisch congres uit 1974? Het gaat daarbij inderdaad om een ander tijdperk. De samenleving was in zekere zin eenvoudiger dan de huidige. Niet zozeer omdat de Koude Oorlog nog werd gevoerd, maar vooral omdat maatschappelijke breuklijnen nog duidelijker en sterker aanwezig waren. De teksten van het vorig ideologisch congres moeten dus in hun context gezien worden, maar anderzijds mag verwacht worden dat centrale principes relatief tijdloos zijn. De kern van het socialisme is immers niet gebonden aan specifieke tijdelijke en ruimtelijke omstandigheden. Hoe werden de centrale socialistische principes in 1974 geformuleerd en in bestuursrichtlijnen vertaald? Is daarvan vandaag nog iets bruikbaars? Of waren de tijden te anders? En wat valt te leren uit het congres van 1974?

Het klimaat in 1974

Het jaar 1974, dat wil zeggen sociaaleconomische crisis en een onrustig sociaal klimaat. Op 19 januari van dat jaar kwam een einde aan de BSP/PSB-CVP/PSC-PVV/PLP-regering van E.Leburton - L.Tindemans - W.De Clercq. Deze regering van nationale unie volgde op het tweede rooms-rode kabinet CVP/PSC-BSP van G. Eyskens en A. Cools. De drieledige regering, de grootste tot dan toe, was opgericht om een tweederde meerderheid te vinden voor de uitvoering van artikel ‘107quater’ of de gewestvorming. De regering slaagde niet in dit opzet, maar kon o.a. wel het Schoolpact van 1958 herzien en een Cultuurpact sluiten. De regering viel over de IBRAMCO-affaire.1
Na de verkiezingen van 10 maart 1974 ging op 25 april 1974 de nieuwe ‘burgerlijke’ rooms-blauwe CVP/PSC-PVV/PLP-regering van L.Tindemans aan de slag. Die werd op 11 juni uitgebreid met de RW die zo een voorlopige gewestvorming wou mogelijk maken. De politiek werd in die periode opgeslorpt door de communautaire en sociaaleconomische crisis. Ook het politiek klimaat was m.a.w. zeer onstabiel. Het is vanuit de oppositie en na een frustrerende en pijnlijke ervaring met een regering van nationale unie - volgens sommigen een collaboratie met de liberalen - dat de BSP een ideologisch congres organiseerde. Het staatsmanschap en de geloofwaardigheid van de socialisten werden volgens sommigen door de IBRAMCO-zaak ernstig aangetast. Regeren was voor interne critici niet altijd verdedigbaar.
In Knack van 13 november 1974 staat dan ook te lezen dat de BSP op haar ideologisch congres af te rekenen zal krijgen met stevige oppositie uit eigen huis: de Jong Socialisten hadden net daarvoor in Oostende hun eigen en stevig congres georganiseerd. De nieuwe en 27-jaar oude voorzitter van de JS - Luc Van den Bossche - maakte er in een gesprek met Knack-redacteur Frank De Moor geen geheim van dat de 35.000 leden van de JS weinig begrip hadden voor het ‘stofferig, halfslachtig socialisme’ van de BSP. Toen hadden de jonge socialisten nog ballen.
De JS wilden vermijden dat de partij ‘in politiek opportunisme’ zou vervallen en trokken, fors tegen de zin van het partijestablishment, o.a. fel van leer tegen de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Zaïrese MPR, de partij van wijlen Mobutu. Tijdens het protest in de speech van Van den Bosche tegen de aanwezigheid van Ngunza, Pinga en Harmegnies stapten deze op, wat meteen het enige incident van het congres werd. Maar de JS wilden het congres vooral meer in de richting van het Roodboek doen opschuiven en eiste ‘zelfbeheer, wij eisen geen medebeheer maar echte arbeiderscontrole. (…) Wie voor medebeheer opteert, stelt zich mede-verantwoordelijk voor een bedrijf dat in een kapitalistisch systeem aardt. En daar hebben de arbeiders alleen maar nadeel aan’ aldus Van den Bossche in Knack. En de latere minister-manager had ook een uitgesproken visie op regeringsdeelname: ‘Wij wensen een discussie over machtsdeelname omdat de BSP-tekst weer vol gaten en ruime interpretatiemogelijkheden zit. De Jong Socialisten stellen echter duidelijk dat beleidsverantwoordelijkheid slechts wenselijk is wanneer daadwerkelijk structuurveranderingen op socialistisch patroon mogelijk zijn. We zouden trouwens in ons verkiezingsprogramma enkele essentiële punten moeten vooropstellen waarover dan later in geen geval nog met andere partijen gepraat kan worden. Geen compromis meer.’ Volgens de JS-voorzitter wist de BSP niet goed wat ze wilde en heerste er verwarring in de partij. De partij moest zich volgens hem zelfstandiger opstellen, los van de parlements- en regeringsleden van wie ze te afhankelijk is. Militanten moesten meer invloed krijgen. Met andere woorden, forse interne inhoudelijke discussie en polemiek zijn een natuurlijk bijverschijnsel en misschien zelfs noodzakelijk ingrediënt van ideologische congressen.
Een belangrijk geschrift in deze interne discussie was het befaamde Roodboek dat, aldus Marcel Deneckere - hoofdredacteur van Links - in diezelfde Knack, door 1.000 personen ondertekend en op 15.000 exemplaren verspreid was en te verkrijgen was voor 20 fr. Het verwoordde het standpunt van de socialistische linkerzijde die zich daarmee afzette tegen het ‘moderne socialisme’ van de BSP. Centraal uitgangspunt was dat het neokapitalisme in wezen onveranderd is gebleven en dat er dus niets anders mogelijk is dan het socialiseren van de productiemiddelen. Een herhaling van een sleutelstelling van de Verklaring van Quaregnon uit 1894. Verschil was wel dat het Roodboek rekening hield met de negatieve ervaringen met socialisatie in de USSR en analoge regimes waar geen echte democratie en vooruitgang te zien was. Socialisatie was voor het Roodboek dan ook een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde: ze moest aangevuld worden met gelijkheid en zelfbeheer, d.w.z. maximale decentralisatie en autonomie en maximale directe democratie op de werkvloer, de klas of de wijk. Meteen ook de manier waarop de partij zelf georganiseerd moest worden. Samen regeren met ‘burgerlijke partijen’ kon niet omdat daardoor het partijprogramma zodanig afgevlakt wordt dat er niets meer van overblijft. Het Roodboek was daarmee onderdeel van een rijke intellectuele discussie binnen de socialistische familie, met o.a. het Plan De Man in de jaren 1930 en het programma van de structuurhervormingen uit de jaren 1950.
Enkele dagen na het congres schreef Knack op 20 november 1974 onder de titel ‘BSP blijft socialistisch maar met mate’ dat de BSP het manifest van Quaregnon had aangevuld met ‘vijftien bladzijden net niet revolutionaire doctrine.’ Toch was het congres volgens het blad uitgedraaid op een ‘warme versteviging’ van het op pragmatisme gebouwd gezag en aanzien van Willy Claes: ‘de jongens van Links en de andere marginalen die erop wezen dat de BSP al sinds 1919 aan het achteruitgaan is omdat ze zich niet meer aanstelt als een revolutionaire partij, hebben moeten bijdraaien.’ Co-voorzitter André Cools had de kameraden aangestipt dat het socialisme pas sociaal wordt als het aan de macht is en wat concreets voor de mensen kan doen. De partij klonk misschien linkser dan onder Edmond Leburton, maar volgens Knack was dat slechts schijn. In werkelijkheid was de partij veel braver en verantwoordelijker dan dit manifest liet uitschijnen. Het papier is geduldig, de werkelijke machtshebbers wilden helemaal niet als revolutionairen de staat ondersteboven keren maar via beleidsparticipatie geleidelijke verbeteringen invoeren. Kortom, de toon en inhoud van ideologische congresteksten waren ook in 1974 niet echt een waarheidsgetrouw draaiboek van de politieke werkelijkheid.
Toen de Belgische Socialistische Partij met 3.000 aanwezigen op 16 en 17 november 1974 te Brussel congresseerde in aanwezigheid van o.a. Mitterands rechterhand Pierre Mauroy en de Nederlandse premier Joop den Uyl, was dat niet voor het eerst dat jaar. Op 5 oktober was de BSP op een congres, onder het voorzitterschap van Guy Cudell en Jeanne Adriaensens, hard uitgevaren tegen de laksheid van de regering Tindemans-De Clercq-Perrin. Na de harde kritiek volgde er ook een lijst met eisen die, gezien de economische crisis, vooral op sociaaleconomische dossiers betrekking hadden. Zo eiste de BSP o.a. een verscherpte controle op de bankinstellingen, de uitbreiding van het industrieel overheidsinitiatief in alle belangrijke sectoren van het economisch leven, de versterking van de strijd tegen belastingsontduiking, de vereenvoudiging van onze institutionele structuren, acties tegen het speculeren in het buitenland en tegen een politiek van kapitaalvlucht, enz. Met andere woorden, de wereld is sinds 1974 dan wel heel sterk veranderd, maar sommige problemen zijn gebleven.
Ruim een maand later komt de toenmalige oppositiepartij BSP opnieuw samen in Brussel, voor een ideologisch congres. Opvallende interventies waren er o.a. van André Cools, Willy Claes, Ernest Glinne, Henri Simonet, Willy Calewaert, Piet van Eeckhout. De oude garde met o.a. Vermeylen en Jos van Eynde zorgde voor de discipline. Zo riep Jos van Eynde op het einde van de dag iedereen tot de orde voor de stemming: iedereen moest opletten op wat er gezegd werd, zijn mond houden en unaniem de resoluties goedkeuren. Voor het eerste die dag vouwde kameraad Fayat De Financieel-Ekonomische Tijd dicht waarin hij de hele tijd had zitten lezen.
Welke geschiedenis - het was pas de derde keer dat de partij zich over haar doctrine ging bezinnen - werd ondertussen geschreven? De verwachtingen waren bij de aanvang van het congres hoog gespannen en zeer uiteenlopend. Sommigen verwachtten een radicale herbronning, anderen wilden zich verlossen van zoveel mogelijk achterhaalde marxistische attributen. Maar iedereen hoopte dat de nieuwe tekst een periode van nederlagen en besluiteloosheid zou afsluiten en de partij een nieuw elan zou bezorgen. Ook in 1974 rekende men op een imago-effect. In elk geval waren de congresteksten pas na eindeloze besprekingen in de afdelingen en federaties tot stand gekomen. De resolutiecommissie had dan ook met de honderden amendementen nachtenlang eindredactiewerk. Het congres was tot stand gekomen na een slopende interne discussie en toonde aan hoe belangrijk centrale inhoudelijke coördinatie was.

De BSP-ideologie van 1974

De congresresoluties, o.a. te vinden in de zeer informatieve reeks Congresresoluties van de Vlaamse politieke partijen2, stellen in het voorwoord dat de partij het in het raam van de huidige samenleving noodzakelijk acht om de richtlijnen van haar actie nader te bepalen. Als eerste inhoudelijke stelling, in resolutie 2, volgt de zeer hedendaags aandoende tekst dat het democratisch socialisme aan iedereen gelijke kansen wil bieden. Het gaat daarbij niet enkel om de welvaart van het individu en de gemeenschap, maar ook om sociale en culturele ontvoogding. De BSP strijdt voor een gemeenschap ‘bevrijd van materiële noden en sociale onrechtvaardigheden’ en ‘bevestigt andermaal’ haar fundamenteel principe: ‘de soevereiniteit van de arbeid in een klassenloze maatschappij.’
Kortom, ook in 1974 is vrijheid een cruciaal onderdeel van het socialisme. Dat is immers altijd zo geweest. Indien sommigen vandaag met de verkeerde veronderstelling leven dat het socialisme ‘vrijheid’ moet terugwinnen van het liberalisme of eindelijk eens als expliciet doel moet vooropstellen, dan hebben ze te weinig oog voor de finaliteit van het streven naar gelijkheid dat altijd als het meest typische kenmerk van het socialisme werd beschouwd. Socialisme is altijd een bevrijdingsideologie geweest gericht op het ultieme doel, de bevrijding van - vroeger vooral - de arbeidende mens van bijv. het kapitalistisch productivisme. Vrijheid is voor het socialisme een doel dat bijv. via herverdeling bereikt kan worden, voor het liberalisme is vrijheid ook het middel. Maar beiden zijn gericht op het realiseren van vrijheid voor het individu. Het is overbodig om in dat verband vandaag een socialistische inhaalbeweging te organiseren.
De tekst van het vorig ideologisch congres is na het voorwoord opgebouwd uit zeven hoofdstukken: het socialisme tegenover de huidige maatschappij, economische democratie, sociale democratie, culturele democratie, politieke democratie, het internationale socialisme en de socialistische strijd.
In het eerste hoofdstuk verwerpt de BSP het privé- en staatskapitalisme, want het kapitalisme ‘blijft gebaseerd op de uitbuiting en leidt nog steeds tot flagrante ongelijkheden en discriminaties.’ De partij verwijst expliciet naar de exploitatie en zinloze verspilling van natuurlijke rijkdommen en naar de ontmenselijking van de arbeid die een nadelig effect heeft op de levenskwaliteit. Met andere woorden, socialisme is groen, althans in gedachten.
Het kapitalisme wekt aldus de tekst van 1974 vaak kunstmatig nutteloze of overbodige behoeften op die door publiciteit en massale kredietverlening aangemoedigd worden, het dringt de mens een leefpatroon op waarin hem zeggenschap over voorwerp of nut van zijn arbeid geweigerd wordt. Dat leidt dan weer tot een ‘ondraaglijke schaarste in de collectieve uitrusting’ (gezondheidsinfrastructuur, sociale huisvesting, etc.). Die uitbuiting van natuur en arbeider heeft ‘rampspoedige’ gevolgen voor de ontwikkelingslanden. De multinationale ondernemingen zijn een gevaar voor de staten, ze vermenigvuldigen de uitbuitingsmogelijkheden van arbeiders en verbruikers. Socialisme is daarom onmiskenbaar internationaal en globaal.
Deze ‘wanorde’ is geen toevallig verschijnsel maar het onvermijdelijk gevolg van het kapitalisme dat weigert economie ondergeschikt te maken aan de behoeften van allen. Vandaar, aldus congresresolutie 11 van hoofdstuk 1: ‘Alleen het socialisme is bij machte de mensheid tegen die gevaren te beschermen. De Socialistische Partij weigert zich te integreren in de huidige maatschappij. Zij wil aan elke mens een economisch, sociaal, politiek en cultureel kader geven dat zijn volledige ontplooiing waarborgt. Het Socialisme eist diepgaande structuurhervormingen waardoor de maatschappij op alle gebieden kan worden veranderd.’ Kortom, socialisme is een strijdideologie, een verzetsbeweging gericht tegen alles wat de ontplooiing van de mens in de weg staat. En de partij had daar in 1974 ook een uitgesproken oplossing voor, een alternatief voor de toenmalige (en huidige) maatschappijorganisatie.
De partij wil de huidige en toekomstige maatschappij ‘bestendig anders en beter’ opbouwen en schuift daartoe een ‘economische democratie’ naar voor die op drie beginselen steunt: socialisatie, planning en zelfbeheer. Zo kan de gemeenschap zelf beslissen over de productie en kan die in het algemeen belang gebeuren.
Het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen is geen doel op zich en zeker geen einddoel en moet worden aangevuld met andere vormen van economische democratie. De partij pleit voor socialisatie van sectoren of ondernemingen die de economische evolutie beheersen of die aan hun bezitters een macht geven waardoor zij een ongunstige invloed op de werking van de instellingen kunnen uitoefenen die instaan voor het functioneren van een planeconomie. Daarom moeten gemeenschaps- en coöperatieve structuren aangemoedigd worden en het openbaar initiatief op nijverheidsgebied ontwikkeld worden. Elke overheidssteun moet gericht zijn op het betrekken van de gemeenschap in het beheer van de ondernemingen en op controle door arbeiders.
Planning zal door de ‘openbare machten’ gebeuren maar werknemersorganisaties krijgen daarin een belangrijke rol te vervullen. De planning is imperatief, in haar grote opties soepel in toepassing en moet democratisch en gedecentraliseerd zijn, teneinde technocratie en bureaucratie te vermijden. Werknemers, verbruikers en lokale gemeenschappen worden betrokken bij de opmaak en toepassing van het plan, het zal op alle niveaus verwezenlijkt worden in de schoot van verkozen en vertegenwoordigende organen. Het is vanuit de basis en niet vanaf de top dat de richtlijnen zullen moeten uitgaan. Door deze economische democratie moet de mens meester worden over zijn eigen lot. Omdat sommige nationalisaties beneden de verwachtingen van het socialisme blijven moet arbeiderscontrole de weg naar zelfbeheer openen.
Zelfbeheer is een principe waarmee de socialistische democratie gerealiseerd kan worden: ‘aan iedereen een zo rechtstreeks en ruim mogelijke toegang verschaffen tot de besluitvorming over de problemen die hen aanbelangen’, dat betekent een maximum aan decentralisatie en aan autonomie. De partij pleit voor coöperatie als alternatief van gemeenschapsbezit en ziet de toekomst van de zelfstandigen en kleine ondernemers, die niet overgeleverd mogen worden aan kapitalistische misbruiken, in een omgevormde gemeenschap waarin niet langer ‘enkele bevoorrechten over hun economische leefbaarheid zullen beslissen.’ De partij is voorstander van een bijzondere bescherming voor de familiale landbouwbedrijven tegen kapitalistische exploitatie. Met andere woorden, zelfs het socialisme van 1974 - enkele jaren na de oproep van Collard tot progressieve frontvorming van 1968 - stond open voor zelfstandigen, kleine ondernemers en landbouwers.
Socialisatie betekent volgens de BSP immers niet dat socialisten vijandig staan tegenover de eigendom als dusdanig: ‘aan de basis van het socialisme ligt de vestiging van nieuwe productieverhoudingen die de bevrijding van de gedwongen arbeid nastreven.’ De BSP wil in 1974 ook het gebrek aan evenwicht tussen de gewesten beperken.
Gelijke kansen was ook in 1974 een belangrijk thema. In het hoofdstuk ‘sociale democratie’ stelt de BSP tegenover de uitbuiting van het individu ‘het recht op gelijke kansen op elk gebied’, het recht op bestaanszekerheid, op preventieve en curatieve gezondheidszorg zonder enig financieel beletsel, het recht op opruststelling en vrije tijd en op een menswaardig milieu.
Sociale democratie ‘streeft naar een gemeenschap van gelijkheid en solidariteit waarin de flagrante inkomensverschillen niet meer bestaan.’ Herverdeling moet gewaarborgd worden door een reorganisatie en de financieringswijze van de sociale zekerheid, door de uitbouw van collectieve voorzieningen en door fiscaliteit, ‘werktuig bij uitstek om een rechtvaardige deelneming van iedereen in de lasten van de gemeenschap te waarborgen.’ De BSP stelde o.a. de ‘omvorming van de farmaceutische nijverheid en aanverwante industrieën tot een openbare dienst’ voor. In resolutie 5 van dit hoofdstuk pleit de partij voor een aanpassing van de maatschappijstructuren om de gelijkheid tussen man en vrouw te realiseren, in resolutie 6 wordt de belangrijke rol van de jongeren onderlijnd, in resolutie 7 volgen kort de invaliden, ouderen van dagen en de gehandicapten en hun families.
In het hoofdstuk over ‘culturele democratie’ stelt de BPS dat de ‘huidige cultuur de trekken van de handelsgeest en agressiviteit vertoont die ook het kapitalisme kenmerken.’ Cultuur is de vrucht van ontplooiing en een middel tot verdere zelfontplooiing, de partij eist de verwezenlijking van de culturele democratie: de mens moet ten volle zichzelf kunnen zijn door het ontplooien van zijn persoonlijkheid, moet op gelijke wijze en in vrijheid deel kunnen hebben aan het genot van de cultuurwaarden en iedereen moet de kans hebben om zijn gaven in vrijheid te ontwikkelen. Daartoe zijn onderwijs en vorming essentieel. Culturele democratie houdt het recht in een permanente vorming te ontvangen, op kosten van de gemeenschap, waarin het onderwijs slechts een etappe is. Vandaag zouden we dat gratis levenslang leren noemen.
Het onderwijs is een hefboom voor ontvoogding, moet de kritische geest aanscherpen en de zin voor verdraagzaamheid en solidariteit aankweken. Het onderwijs moet gedecentraliseerd zijn, moet elke geloofsovertuiging respecteren, kosteloos zijn en aangepast aan de behoeften van burgers en gewesten. Onderwijs moet gericht zijn op gelijke kansen. De BSP is ‘resoluut voorstander van de school in dewelke het pluralisme dient te worden gewaarborgd’. Het openbaar onderwijs moet ‘de zekerste waarborg’ zijn voor ‘vorming tot democratie en verdraagzaamheid’.
Het cultuurbeleid moet een zinvolle vrijetijdsbesteding in de hand werken en de scheppingsdrang van de mens bevredigen. Het cultuurbeleid moet ook de zin voor cultuurbeleving bij iedereen bevorderen. De culturele infrastructuur moet planmatig uitgebouwd worden. Het socialisme, aldus de congrestekst, wil de vrijheid van meningsuiting waarborgen en daarom moet het overheidsbeleid middelen verschaffen om monopolies op het gebied van de opinievorming te voorkomen of te doorbreken. De openbare machten moeten het pluralisme waarborgen: ‘de radio, de televisie en de teledistributie moeten door de gemeenschap beheerd en bekostigd worden zonder onderworpen te zijn aan een kapitalistisch winstoogmerk.’
Politieke democratie kan niet ten volle verwezenlijkt worden tenzij ze gepaard gaat met een economische, sociale en culturele democratie: ‘die vier onverbrekelijk met elkaar verbonden elementen vormen de democratie.’ De BSP vraagt een vereenvoudiging van de politieke structuren om ze voor iedereen begrijpelijk te maken, de versteviging van de openbare macht t.a.v. de kapitalistische macht en van de lokale besturen, het afvloeien van macht naar niet democratisch samengestelde supranationale instellingen uit te schakelen en verantwoordelijke gewestelijke lichamen tot stand te brengen die ‘bij machte zijn handelend op te treden op elk gebied waarop hun actie doelmatiger is dan die van de centrale macht.’ Socialisten zijn wars van alle geweld en realiseren hun doelstellingen op vredelievende wijze, ‘op voorwaarde dat de democratische rechten van de arbeiders worden gewaarborgd en geëerbiedigd. Maar rechtstreekse actie kan en moet het geweld beantwoorden, als de rechten of de veroveringen van de arbeiders worden bedreigd.’ Het socialisme van 1974 liet m.a.w. zijn tanden zien.
De strijd voor vrede komt uitvoerig aan bod in hoofdstuk 6 over het internationale socialisme. In de heersende Koude-Oorlogsfeer gaat uiteraard veel aandacht naar de verhoudingen tussen Oost en West. Als Oost en West naar elkaar toegroeien zou dat ‘het totstandkomen van een echt socialistische gemeenschap naderbij brengen.’ De BSP wijst op het belang van de VN en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, veroordeelt imperialisme, elke onderdrukking en de uitbuiting van een volk door een ander. De partij pleit voor nieuwe veiligheidsovereenkomsten en veroordeelt de bewapeningswedloop. De BSP eist de omschakeling van de wapenindustrieën, de ontbinding van de tegenstelde blokken en de ontmanteling van nationale legers.
Nationale legers moeten vervangen worden door een internationale politiemacht. ‘In afwachting van de verwezenlijking van de socialistische maatschappij, bevestigt de BSP nogmaals haar wil een democratisch leger tot stand te brengen, dat uiting moet zijn van de natie en een waarborg tegen iedere aanslag op haar vrijheden, en haar verzet tegen een beroepsleger dat uiteraard de democratische vrijheden in gevaar kan brengen.’ Alleen een ‘sociale revolutie’ kan uitgebuite volkeren van elke uitbuiting bevrijden, ondertussen moet internationale solidariteit de pijn verzachten.
De BSP pleit voor een supranationaal Europa met een uitvoerende macht die verantwoordelijk is t.a.v. een verkozen parlement. Maar Europa is ‘voor de socialisten slechts een element in hun diepe betrachting om te komen tot een wereldorganisatie waarin grote gehelen zullen kunnen bijdragen tot het welzijn der volkeren.’ Europa moet onafhankelijk zijn en daarin zal het kapitalisme de plaats hebben geruimd voor democratische machten.
In het laatste hoofdstuk, de socialistische strijd, klinkt het dat het socialisme ‘daadwerkelijk revolutionair’ is: het socialisme strijdt voor ‘een totale omvorming van de gemeenschap’. Dat kan niet van de ene dag op de andere gebeuren, maar vergt een volgehouden inspanning, de BSP is ‘een instrument voor deze strijd.’
Ook in 1974 stond de Socialistische Partij ‘broederlijk open voor allen die deze socialistische doelstellingen willen verwezenlijken. Zij berust op de vereniging van alle arbeiders, vrouwen en mannen, zonder onderscheid van ras, taal, nationaliteit, godsdienstige of wijsgerige overtuiging.’ Deze vereniging van alle arbeiders wil zeggen dat de partij openstaat voor de sociale categorieën ‘wier rechtstoestand of tradities hen schijnen te verwijderen van de arbeidersklasse, maar die eveneens het slachtoffer zijn van het kapitalisme.’ Het gaat hier om ‘leidend personeel’, de zelfstandigen en de landbouwers. De partij blijft overtuigd dat de strijd die tegen de uitbuitende machten moet gevoerd worden ‘de verzameling vergt van alle vooruitstrevende mensen, met eerbied voor ieders overtuiging, om aldus te leiden tot de polarisatie van het politieke leven en het totstandkomen van een vooruitstrevend blok tegenover een behoudend blok.’ Met andere woorden, ook ruim drie decennia geleden diende het instrument van het socialisme - de partij - opengesteld te worden voor gelijkgezinden die broederlijk dezelfde strijd wilden voeren.
De geloofwaardigheid van de Socialistische Partij is afhankelijk van ‘de mate waarin ze reeds een voorafbeelding is van de maatschappij waaraan ze gestalte wil geven en dus ook van de individuele houding van haar mandatarissen en haar militanten.’ Hun dagelijkse actie moet onder alle omstandigheden ingegeven worden door de ‘wezenlijke beginselen van het Socialisme.’ Het aanmoedigen van het levensbeschouwelijk pluralisme behoort daartoe, want de partij oordeelt dat ‘elke levensbeschouwing die berust op menselijke waardigheid tot een socialistische maatschappijvisie kan leiden’. Dat is Ander Geloof avant la lettre.
De strategie van de partij berust op de actie van militanten en mandatarissen en op de samenwerking van alle takken van de SGA (Socialistisch Gemeenschappelijke Actie) en het bevorderen van ‘de socialistische pers’. Samen met de Europese vakbondsorganisaties zal de partij een Europees Arbeidersfront oprichten als tegengewicht van de kapitalistische multinationale maatschappijen. Op wereldvlak wordt de strijd in de Socialistische Internationale gevoerd.
Het beheer van het kapitalistisch stelsel is niet de roeping van de partij, deelneming aan de macht is ‘afhankelijk van de mogelijkheid om de belangen van de arbeiders te behartigen door het geleidelijk verwezenlijken van de structuurhervormingen die zij voorstaat.’ De congresresoluties eindigen met een krachtige verwijzing naar de traditie: ‘De Socialistische Partij blijft haar oorsprong trouw. Het socialisme van onze tijd is de voortzetting van het Socialisme van alle tijden.’

Moraal van het verhaal

Enkele resoluties kunnen vandaag nog opgenomen worden, velen doen eindeloos gedateerd en achterhaald aan. Dertig jaar is een wereld van verschil. Zoals blijkt is een partij zelfs in de relatief tijdloze resoluties van een ideologisch congres een kind van haar tijd.
Niet zozeer in de precieze inhoud van de resoluties uit 1974 zit de les die we moeten onthouden. Belangrijker is dat de ambities in 1974 hoog gesteld waren, de retoriek herkenbaar, de eigen identiteit onmiskenbaar. Het socialisme had zijn eigenheid, stond voor duidelijke principes en doelstellingen. Socialisme gaat over gelijkheid, over de bevrijding van de mens van de dwingelandij van de markt, het geld, de productiedrang, over het verwerven van controle over het eigen leven en de daartoe noodzakelijke herverdeling. De radicaal aandoende toon van 1974 betekende niet dat de partij zich buiten het klassiek politiek bestel zette. Heel wat beginselen uit 1974 zijn verlaten of nooit in daden omgezet. Omwille van noodzakelijke coalities, omdat de realiteit ze achterhaald maakte, omdat ze in de werkelijkheid niet door socialistische bewindslui in die radicale termen gedragen werden. Maar de teksten gaven wel een ideale eindbestemming aan, gaven richting en zin aan, formuleerden centrale ijkpunten en principes. Ook in 1974 was het ideologisch congres minstens even belangrijk voor als na de stemming van de eindresoluties.
Een enthousiasmerende tekst met scherpe en hoge ambities sluit dagdagelijkse compromissen niet uit. De onverzoenlijkheid van de Verklaring van Quaregnon die Henri Vandervelde had opgesteld heeft hem nooit belet om de eerste socialistische minister van het land te worden in een burgerlijke regering en om daar een aantal primaire lotsverbeteringen uit te sleuren. Het eerste programma van de officieel op 15 en 16 augustus 1885 te Antwerpen opgerichte BWP3 was niet echt ‘socialistisch’ maar bestond eerder uit een reeks heel concrete eisen voor materiële lotsverbetering. Het ging niet zozeer om het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen maar om stemrecht, afschaffing van de kinderarbeid onder de 12 jaar, gratis onderwijs, enz. Met andere woorden, zelfs hoogdravende ideologische geschriften sluiten het pragmatisme van elke dag niet uit, zelfs in de allereerste eisen van de partij was ideologie niet de hoofdzaak. Realiteitszin en pragmatisme zijn verzoenbaar met ideologische resoluties. Zo wordt ideologie werkelijkheid.
Omgekeerd kan de pragmatiek en het compromissenwerk van alledag niet zonder een ideologische richtingaanwijzer. Zoals in 1974 moet ook in Brugge eind dit jaar duidelijk zijn waar het socialisme voor staat en waar het heen wil, welke de voorwaarden en criteria, de ijkpunten en beginselen zijn die bij het dagelijks politiek werk gelden. De geschiedenis leert dat ideologische congressen zeer relatief zijn, maar dat een partij ook niet zonder kan.

Carl Devos
Hoofdredacteur

*Noten *
1/ IBRAMCO was een Belgisch-Iraanse maatschappij, gesticht door de ontslagnemende regering Eyskens-Cools op 21 december 1972, die o.a. een petroleumraffinaderij in Ternaaien wou oprichten. België had zich daarin tot verregaande financiële en materiële verplichtingen verbonden om het Waals project te realiseren. De Raad van Beheer van deze staatsonderneming werd langs Belgische zijde gemonopoliseerd door drie socialistische topambtenaren. Hoewel minister van Economische Zaken H. Simonet de overeenkomst al had ondertekend met de National Iranian Oil Company was in het regeerakkoord van januari 1973 over de oprichting van een petroleumraffinaderij in het Luikse enkel een studiecommissie overeengekomen, die o.a. moest nagaan of die onderneming rendabel was. De nieuwe regering zag zich dus voor een in stilte voldongen feit geplaatst. De geheimzinnigheid ergerde de regeringspartners maar ook de privè-sector van wie de vakbonden eisten dat ze volledige financiële transparantie zouden realiseren.
2/ Menu, P. (1994) Congresresoluties van de Vlaamse politieke partijen. Deel III, De (Belgische) Socialistische Partij, 1945-1993. Gent, Steunpunt Sociopolitiek Systeem, 1994, 485p. Te verkrijgen op de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent (www.psw.ugent.be/polwet/).
3/ De echte oprichting gebeurde op 4 april in De Zwaan nabij het Brussels stadhuis waar 112 aanwezigen vele bestaande arbeidersorganisaties tot één partij samenvoegden.

ideologie - sociaaldemocratie - ideologisch congres sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 21 tot 30