Abonneer Log in

Enkele vragen bij 'de beweging van bewegingen'

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 35 tot 38

De anders- of anti- mondialiserings- of globaliseringsbeweging is heel verscheiden. Zeer zeker. Maar wat betekent deze boutade? Wat gaat er schuil achter die grote heterogeneïteit? Waarover spreken we precies? Hebben de vele diverse bewegingen iets gemeenschappelijks en zo ja wat? Heeft de ‘beweging van bewegingen’ ook een politieke identiteit?

Het is geen makkelijke opdracht om door het bos de bomen nog te zien. Het is niet eens zeker dat we een taal hebben om deze nieuwe beweging onder woorden te brengen. Ik wil een poging wagen met drie reeksen van vragen die de complexiteit van het onderwerp moeten aangeven.

  1. Een eerste reeks vragen is bedoeld om de semantische mist te laten optrekken. Ik begin met een taalkundig probleem. Reageren we tegen de mondialisering of tegen de globalisering? Engelstaligen hebben dit probleem niet, maar Nederlandstaligen wel. Sommige auteurs hebben ook geprobeerd om een subtiel onderscheid tussen beide concepten te maken, met zeer wisselend succes. Als taalkundige wil ik hier zelf een duidelijk antwoord op geven. We reageren op de mondialisering, want globalisering is een anglicisme of krom Nederlands. De verengelsing van onze sociale relaties is overigens een verschijnsel waartegen de beweging ook strijdt.
    Is de beweging voor andersmondialisering of tegen mondialisering? Hier beginnen de echte problemen. Aanhangers van de progressieve linkerzijde zullen meestal antwoorden dat ze andersmondialistisch zijn, om de heel eenvoudige reden dat de linkerzijde altijd internationalistisch is geweest en er dus geen sprake van kan zijn om tegen de mondialisering op te treden. Die mondialisering wordt dan gezien als niets anders dan een concrete vorm van het al te abstract gebleven universalisme.
    Een tweede reden om zich andersmondialist te noemen is het verlangen om zich voor te stellen als een positieve beweging, en niet als een beweging die gewoonweg tegen iets is. Ze wil een constructieve beweging zijn die voor een andere vorm van mondialisering is. Die mondialisering zou niet enkel mogen slaan op de markt, maar ook op de democratie, participatie en solidariteit. Dat is trouwens de andere naam die de beweging vaak krijgt: Global Justice Movement, een beweging voor mondiale rechtvaardigheid. Het is vanuit die benadering dat men de armoede wil bestrijden, de mensenrechten wil laten respecteren, mondiale belastingen wil invoeren, rechtvaardige handel wil bekomen en de internationale instellingen wil democratiseren.
    Dit alles lijkt zeer relevant, maar toch is er geen consensus over te bereiken. Wat de afgelopen twintig jaar is veranderd, dat is het offensief van het neoliberale kapitalisme, ook ‘mondialisering’ genoemd. Het kan toch niet, zo zeggen de antikapitalisten, dat wij anderskapitalisten zouden worden: ‘wij zijn even antimondialistisch als we antikapitalistisch zijn.’ In deze benadering wordt de antikapitalistische strijd dus op de voorgrond geplaatst en impliciet wordt aangegeven dat de andersmondialiseringsbeweging wellicht niet antikapitalistisch is. Het is een vraag die verder onderzoek verdient. Kan de andersmondialiseringsbeweging een alternatief bieden voor het kapitalisme?

  2. De tegenstelling tussen anti- en andersmondialisering lijkt nog relatief eenvoudig als we ze vergelijken met de politieke keuzen van de diverse onderdelen van de beweging. Hier zal de zon minder snel doorbreken. Uit een analyse van de scheidingslijnen en de punten van gelijkenis van de vele bewegingen die deelnamen aan het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre (II en III), blijkt duidelijk dat er slechts twee convergerende punten zijn: een aanklacht tegen het neoliberalisme en een vraag naar meer democratie. Er zijn weinig radicale eisen die een structurele verandering beogen. De antikapitalisten zijn blijkbaar sterker aanwezig op de alternatieve topbijeenkomsten - zoals de G8 Alternatives - dan in Porto Alegre.
    Naast deze twee convergerende punten is het verscheidenheid troef, in zoverre dat men zich moet afvragen of dit een bewijs is van de levenskracht van de beweging dan wel een ernstig risico op versplintering in zich draagt. Reformisten en radicalen, anti- of postkapitalisten, modernen, postmodernen en antimodernen, religieuze, anticlericale of spirituele bewegingen, localisten, glocalisten en mondialisten. De verschillen staan naast en boven elkaar, vaak meer dan dat het echt tegenstellingen zijn. Het is zeker mogelijk om hier en daar een rode draad op te pikken, maar dan altijd met het risico van luid protest van al diegenen die zich tegen elke vorm van synthese verzetten. Respect voor culturele verscheidenheid en de angst voor een te grote verdeeldheid kunnen de beweging inderdaad ook verlammen en beletten dat er een homogener geheel uit te voorschijn komt. De vraag of de beweging kan of moet proberen een begin van programma te maken is volgens mij een van de allerbelangrijkste. Als we toelaten dat de mondialisering de beweging verlamt, waarom proberen we dan een beweging te vormen?

  3. Dit brengt me bij de derde reeks van vragen, met name over de strategie. Dit kan uiteraard niet worden losgekoppeld van de inhoudelijk politieke vragen. Ik wil in dit derde punt minder verwijzen naar de uiteenlopende actievormen - onderzoek, lobbying, straatacties, enz. - dan naar de actoren op wie een beroep wordt gedaan om de gewenste veranderingen door te voeren. Ik denk hier aan de nationale staten, aan de internationale instellingen, zoals de VN, of aan de civiele maatschappij. Het valt op dat er erg veel aandacht gaat naar de civiele maatschappij, en erg weinig naar de nationale staten. Desalniettemin geeft recent onderzoek aan dat de diverse onderdelen van de andersmondialiseringsbeweging sterk nationaal verankerd blijven. Bovendien zijn deze nationale staten ook de enigen die reële macht hebben op de internationale scène, hoe relatief dit voor arme landen ook is.
    Een andere vraag betreft de allianties die de beweging aangaat en de betrekkingen met de politiek en met traditionale sociale bewegingen, zoals vakbonden. Op het Wereld Sociaal Forum is er een samenwerking tussen ngo’s en vakbonden tot stand gekomen, maar er kan getwijfeld worden aan de richting die hiermee wordt uitgegaan. Het is niet uitgesloten dat het de ngo’s zijn die de vakbondsagenda gaan uithollen. Wat de politieke wereld betreft, denk ik dat de beweging zich moet afvragen hoe ze omgaat met de verkozenen die toch nog altijd de enige legitieme volksvertegenwoordigers zijn. Zeker, er is een grote en terechte terughoudendheid t.a.v. de representatieve democratie. Een niet te verwaarlozen deel van de beweging wil dan ook geen enkele vorm van samenwerking, maar aan de andere kant is er ook een mondiale federalistische beweging die nadenkt over wereldwijde politieke partijen. Tot nog toe houden de internationale instellingen ook weinig rekening met de verkozenen, ook al pleiten ze voor participatie en eigenaarschap (ownership).
    Al deze vragen moeten bekeken worden in het kader van een beginnend onderzoek. Ze lijken misschien erg eenvoudig, maar ze houden vaak moeilijke en pijnlijke keuzen in.

Ik wil ook even verwijzen naar de context waarin de beweging van bewegingen zich bevindt, die zo moeilijk te definiëren mondialisering. Het is evident dat onderzoek naar de beweging niet los kan staan van de mondialisering waar ze zich mee bezig houdt. Er zijn in dit verband enkele nieuwe vragen gerezen die ik hier kort wil samenvatten. Ten eerste, kunnen we echt spreken van een mondialisering van het kapitalisme of moeten we het hebben over een liberalisering? Wie deze vraag opwerpt, stelt vast dat het kapitalisme gericht was op uitbreiding en insluiting van steeds meer territoria, bevolkingen en sectoren. Die beweging zou nu zijn stopgezet en vervangen zijn door een liberalisme dat gericht is op de concentratie van rijkdom en het uitsluiten van steeds meer territoria en volken. Maar is er een echte tegenstelling tussen liberalisme en kapitalisme?
Ten tweede moeten we ons afvragen of de mondiale armoedebestrijding, momenteel in de vorm van de millenniumdoelstellingen, een eerste stap is op weg naar een world governance: een wereldbestuur waarbij de internationale instellingen het sociaal beleid onder hun hoede nemen. Dit sociaal beleid is altijd al het instrument bij uitstek geweest voor machtsvorming en machtslegitimatie.
Een derde vraag. Hoe moeten we de steeds nauwere band interpreteren die concreet tussen ontwikkeling en veiligheid wordt gelegd? Dit vertoog is minder duidelijk bij internationale instellingen als de VN of de Wereldbank, maar is zeer sterk aanwezig bij de Verenigde Staten en bij de Europese Unie. Volstaat het terrorisme om dit te verklaren?

Het is duidelijk dat al deze vragen niet op één dag een antwoord kunnen krijgen. Toch leverde het debat op het Amsab-colloquium over andersglobalisme enkele nuttige aanwijzingen op. Ten eerste werd duidelijk dat de beweging niet echt nieuw is. Verzet tegen het heersende systeem is er altijd al geweest. Vandaar, aldus François Houtart1, dat een aantal marxistische concepten nog zeer bruikbaar is. Veel verdeeldheid in de beweging heeft te maken met het feit dat sommigen er zich willen toe beperken het kapitalisme en de staat anders te reguleren, terwijl anderen tegen elke vorm van hiërarchie optreden. Men is op zoek naar nieuwe vormen van democratie. In feite, zo werd ook gesteld, zoekt men naar alternatieven voor de historische processen die de linkerzijde heeft doorlopen. Momenteel bevindt de beweging zich ergens tussen twee klippen die allebei vermeden moeten worden: die van de ‘vijfde Internationale’ en die van het ‘sociale Woodstock’.
Een tweede punt is zeker dat er meer dialoog tussen alle bewegingen nodig is, zeker met de vakbonden. Vakbonden hebben een enorme ervaring en nog steeds een grote slagkracht. Ook in representativiteit staan ze voor op de ngo’s en andere sociale bewegingen. Wellicht moeten vakbonden meer energie besteden aan hun internationale acties om zo volwaardig mee te werken aan de andersmondialiseringsbeweging. Nu behoren het binnenlandse en het buitenlandse werk nog te veel tot gescheiden sectoren.
Ten derde werd ook het punt van het geweld als strategie aangesneden. Hoewel de beweging zich in overgrote meerderheid tegen geweld uitspreekt, is de vraag niet zonder belang. Ontwikkelingswerk wordt immers zelf meer en meer met veiligheid en defensie in verband gebracht. Armoede werd geconcipieerd in termen van ‘gevaar’ en ‘bedreiging’. Het is zeker zo dat de machthebbers niet reageren en niets toegeven als ze niet echt bang worden.
Tenslotte werd ook onderstreept dat er nood is aan duidelijke definities. Teveel concepten worden gebruikt en misbruikt in betekenissen die voortdurend veranderen. Alle concepten van de beweging én van de internationale instellingen moeten geanalyseerd worden. Ook dat is een wezenlijk onderdeel van het werk om het ‘geheugen’ en de ‘geschiedenis’ van de beweging vast te leggen.
Het is een onderzoeksagenda die zéér goed gevuld is.

Francine Mestrum 2
Redactielid en Doctor in de sociale wetenschappen

Noten
1/ Centre Tricontinental, prof. em. Université Catholique de Louvain, lid Internationale Raad World Social Forum
2/ Deze bijdrage is de inleiding van Francine Mestrum op het Internationaal Colloquium Andersglobalisme dat Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis organiseerde in samenwerking met de Stichting Gerrit Kreveld op 9 september 2005. Meer informatie over dit colloquium is te vinden op www.amsab.be

andersglobalisme - antiglobalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 35 tot 38