Abonneer Log in

Sociaaldemocratie, pas op uw zaak

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 4 tot 10

In heel wat Europese landen worstelen sociaaldemocratische partijen met rechtspopulistische concurrenten. Die variëren in radicalisme, maar hebben allemaal gemeen dat ze van het immigratie- en integratievraagstuk hun electorale kapitaal hebben gemaakt. En laat dat nu precies de achilleshiel van de sociaaldemocratie zijn.

Wat pakweg twintig jaar geleden vooral begon als een protest van bange en boze kiezers is uitgegroeid tot een gevarieerde beweging met een inmiddels stevige ideologische kern. Hoezeer ze soms ook verschillen, rechtspopulistische partijen in West-Europa verkondigen een etnocentrisch wereldbeeld waarin ongelijkheid en culturele eigenheid centraal staan. In hun visie gaat van de islam en de globalisering een dodelijke dreiging uit voor de Europese cultuur en de Westerse waarden. Op dezelfde manier zien ze in de voortschrijdende Europese eenwording een groot gevaar voor de nationale identiteiten van de Europese natiestaten. De rechtspopulisten zetten zich scherp af tegen het politieke establishment dat volgens hen op alle fronten schromelijk tekortschiet en het volk verraadt. Ze richten hun pijlen in eerste instantie op de klassieke volkspartijen, de sociaaldemocraten en de christendemocraten, maar ook de liberalen worden niet gespaard.
Inhoudelijk staan de sociaaldemocraten meestal het verst af van de rechtspopulisten. Veel van wat de rechtspopulisten beweren staat haaks op de sociaaldemocratische traditie, waarin solidariteit, gelijkheidsstreven en internationalisme de belangrijkste leerstukken zijn. Tegelijk blijkt de natuurlijke achterban van de sociaaldemocraten (maar ook van andere volkspartijen) gevoelig te zijn voor de verleidelijke eenvoud van de recepten die de rechtspopulisten hebben om complexe vraagstukken het hoofd te bieden.
De opkomst van het rechtspopulisme stelt de traditionele politieke partijen voor grote problemen. Eigenlijk weten ze gewoon geen raad met deze tegenstander. Het is bijna ondoenlijk om met genuanceerde uiteenzettingen in te gaan tegen simplistische oneliners. De rechtspopulisten drijven grotendeels op angst: angst voor vreemdelingen, angst voor criminaliteit, angst voor terrorisme, angst voor verdere Europese integratie, angst voor de globalisering, angst voor het verlies van de eigen identiteit, kortom angst voor de grote, boze buitenwereld. En angstgevoelens zijn niet of nauwelijks weg te nemen met een beroep op de rede.
Van de weeromstuit zijn angstgevoelens ook een belangrijke rol gaan spelen bij de sociaaldemocratische volkspartijen: angst voor de rechtspopulistische concurrenten, maar ook angst voor de eigen kiezers. Want in heel Europa was er één constante in de manier waarop de sociaaldemocraten zich lange tijd hebben verdedigd tegen deze nieuwe politieke vijand. De sociaaldemocraten negeerden min of meer de problemen met de multiculturele samenleving die door de rechtspopulisten werden opgepookt. Uit angst de geest van de vreemdelingenhaat uit de fles te laten, spraken ze niet over de keerzijden van de multiculturele samenleving. Het ontstaan van gettoachtige buurten in oude stadswijken, de segregatie op scholen, het wangedrag van bepaalde groepen allochtone jongeren, het werd allemaal lang met de mantel der liefde bedekt. Uit angst voor een toename van discriminatie en racisme lieten de sociaaldemocraten veel van hun trouwe kiezers die dagelijks te maken hebben met de negatieve kanten van de multiculturele samenleving, eigenlijk in de kou staan. Zoals bekend, angst is een slechte raadgever.
Maar er is nog een tweede reden waarom de problemen met immigratie en integratie lang niet aan bod zijn gekomen. Er bestaat een kloof tussen het sociaaldemocratische partijkader en een deel van de potentiële achterban. Het sociaaldemocratische kader bestaat vooral uit mensen die, om het met Frank Vandenbroucke te zeggen, kosmopolitisch en tolerant ingesteld zijn en die progressieve opvattingen hebben over allerlei maatschappelijke onderwerpen. Maar een deel van degenen die de natuurlijke kiezers van de sociaaldemocratie waren, is helemaal niet tolerant, kosmopolitisch en progressief, maar eerder onverdraagzaam, bekrompen en conservatief. Toch werden vaak juist die mensen gedwongen om samen te leven met migranten die zich in hun wijken vestigden. En dat moesten ze dan ook nog als een verrijking zien, terwijl ze het als een bedreiging ervoeren.

Van links-rechts naar autochtoon-allochtoon

Het is de linkse partijen lang gelukt om de onvrede in hun achterban onder controle te houden. Of, zoals de Franse politicoloog Gérard Grunberg het formuleert, het is links lang gelukt - en in Zweden lukt het tot de dag van vandaag - om ervoor te zorgen dat de tegenstelling tussen rechts en links de belangrijkste politieke scheidslijn bleef. De bijbehorende maatschappelijke tegenstelling was die tussen kapitaal en arbeid, tussen bazen en loontrekkers. Vanaf eind jaren zeventig begonnen de linkse partijen langzaam hun koers te verleggen. Mede onder invloed van hun eigen succes veranderden ze steeds meer van arbeiderspartijen in partijen van de middenklasse. Die ontwikkeling luidde ook het eind in van het klassengebonden stemmen van grote groepen arbeiders die tot dan toe altijd vanzelfsprekend links hadden gestemd. Ze voelden zich steeds minder thuis bij de linkse volkspartijen. Ineens, zo leek het, liet een deel van het linkse electoraat zich bij het bepalen van zijn keus leiden door een heel andere maatschappelijke tegenstelling: die tussen autochtonen en allochtonen, met de bijbehorende politieke tegenstelling tussen de ‘partijen van het volk’ en de ‘kosmopolitische en corrupte elites’. Maar zo ineens was dat niet als we af mogen gaan op het onderzoek L’ouvrier français en 1970 van het vermaarde Centre d’étude de la vie politique française (Cevipof). Daaruit blijkt dat de Franse arbeiders in 1970 niet minder etnocentrisch en xenofoob waren dan nu. Alleen gaven ze daar toen politiek geen uiting aan, omdat de linkse partijen ervoor zorgden dat de klassieke tegenstelling tussen rechts en links dominant was. Met het loslaten van die benadering ondermijnden de linkse partijen hun eigen positie. Ze creëerden er voor een stuk de ruimte mee die de nieuwe maatschappelijke tegenstelling tussen autochtonen en allochtonen nodig had om tot wasdom te komen.
Die tegenstelling mag dan lang aan het oog onttrokken zijn door de traditionele links-rechtsscheidslijn, dat betekent allerminst dat ze aan de aandacht ontsnapte. Iedereen wist dat de integratie van buitenlanders een heel moeizaam proces is, zeker ook voor de autochtone bevolking. Maar er bestond een ongeschreven akkoord, zei de Oostenrijkse sociaaldemocraat Albrecht Konecny1 me, om het daar maar niet over te hebben. Niemand had immers een oplossing. Ongeveer zoals het in Oostenrijk ging, ging het in veel andere landen ook. En wie de euvele moed had de problemen met immigratie en integratie wel aan de orde te stellen, werd vaak weggezet in de hoek van racisme en vreemdelingenhaat. Niet altijd ten onrechte overigens, maar daarmee was het doorgaans wel einde discussie. En dat laatste was niet verstandig.
Je zou het de verdienste van de (radicale) rechtspopulisten kunnen noemen - maar wel een verdienste met veel onaangename kanten zoals de entree van nauwelijks verholen haat in het debat - dat er korte metten is gemaakt met het bijna spreekverbod over de negatieve aspecten van de multiculturele samenleving. Het levert hun in ieder geval veel steun op van de kiezers. Dat is misschien wel het best geïllustreerd in Nederland. De extreemrechtse politicus Hans Janmaat, eerst kamerlid voor de Centrumpartij en later voor de Centrumdemocraten, kreeg in de jaren tachtig en negentig maar weinig handen op elkaar met zijn filippica’s tegen immigranten. De Socialistische Partij (SP, destijds vergelijkbaar met de Vlaamse PvdA) kwam ook al van een koude kermis thuis toen ze een kleine twintig jaar te vroeg voorstelde om een spreidingsbeleid te gaan voeren voor immigranten. Maar toen de toenmalige VVD-leider Frits Bolkestein begin jaren negentig als eerste politicus van een van de traditionele partijen met enige verve de multiculturele samenleving op de korrel durfde te nemen, leverde hem dat behalve veel kritiek ook veel stemmen op. En dat was nog niets vergeleken bij de hoon én de steun die Pim Fortuyn kreeg voor zijn rabiate aanvallen op moslims en op de multiculturele samenleving. Iets dergelijks lijkt zich weer voor te doen bij de opkomst van Geert Wilders, al zal die nooit zo hoog reiken als Fortuyn.

De ontegensprekelijke invloed van het rechtspopulisme

Veel Europese sociaaldemocratische partijen worstelen met het radicale rechtspopulisme. Sommige hebben nog niet een begin van een antwoord op de vraag hoe ze deze nieuwe electorale concurrent de wind uit de zeilen moeten nemen. De historische achtergronden van het rechtspopulisme lopen van land tot land zeer uiteen, maar in de hedendaagse verschijningsvorm zijn er grote overeenkomsten.
De sp.a moet leven met het onaangename feit dat het Vlaams Belang, de opvolger van het Vlaams Blok, een kwart van de kiezers aan zich weet te binden en sinds de Vlaamse verkiezingen van 2004 ook groter is dan de sociaaldemocraten. Vijftien jaar cordon sanitaire heeft daar geen zier tegen geholpen. En, om het met Mark Elchardus te zeggen, sociaaldemocraten hebben ook helemaal geen cordon sanitaire nodig om niet samen te werken met het Vlaams Blok en zijn rechtsopvolger het Vlaams Belang. De inhoudelijke basis voor zo’n samenwerking ontbreekt. De Vlaamse sociaaldemocraten zijn intussen zover dat ze de problemen van de multiculturele samenleving durven te benoemen. Maar veel oplossingen ervoor hebben ze nog niet. De sp.a had haar hoop gevestigd op de talenten van Steve Stevaert. De koning van de oneliners moest het doen. Linkspopulisme als wapen tegen het Vlaams Belang. Maar Stevaert stapte in mei 2005 uit de nationale politiek om gouverneur van de provincie Limburg te worden. De nieuwe partijleider Johan Vande Lanotte is geen Stevaert. Het anti-intellectuele van de laatste, dat het misschien goed deed in de wat meer volkse middens, past niet bij de ex-vice-premier en minister van Begroting die zijn leven lang gedoceerd heeft aan de universiteit. Vande Lanotte zal het, afgaand op zijn intentieverklaring2 voor de voorzittersverkiezingen, bij alle vernieuwing en modernisering nadrukkelijk ook over de klassieke sociaaldemocratische boeg blijven gooien. Want zo moeten we zinnen toch begrijpen als ‘het socialisme blijft in essentie een beweging van verontwaardiging, gericht op een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt om zichzelf waar te maken. Het blijft een beweging geboren uit de rechtvaardige, broodnodige en nog steeds actuele strijd tegen ongelijkheid en onrecht.’ Of Vande Lanotte erin zal slagen het Vlaams Belang de voet dwars te zetten zal moeten blijken.

De Deense Socialdemokraterne hebben te maken met de Dansk Folkeparti die half zo groot is als het Vlaams Belang, maar die haar invloed dubbel en dwars heeft weten te verzilveren. Sinds eind november 2001 is de centrumrechtse minderheidsregering van premier Anders Fogh Rasmussen afhankelijk van de steun van de rechtspopulisten. Bij de parlementsverkiezingen van 8 februari 2005 heeft de DF gewonnen en Fogh Rasmussen leunt ook met zijn nieuwe regering nog steeds op de partij. De sociaaldemocraten hebben vóór november 2001 tevergeefs geprobeerd om de DF de wind uit de zeilen te nemen door zelf een - zacht gezegd - zeer strikt immigratie-, asiel- en integratiebeleid te voeren. Dat ging bovendien gepaard met nog veel verdergaande uitlatingen van een reeks vooraanstaande bestuurders. Enkele sociaaldemocratische burgemeesters van steden met een relatief grote allochtone bevolking, maar ook opeenvolgende sociaaldemocratische ministers van binnenlandse zaken lieten zich in Dewinter- of Fortuyn-achtige bewoordingen uit over immigratie en integratie. Wat hen op scherpe kritiek kwam te staan van onder andere het meer humanistisch geïnspireerde deel van de Socialdemokraterne. In het voorjaar van 2003 kwam op papier een eind aan de hopeloze verdeeldheid van de partij over immigratie en integratie. Toen drukten de hardliners er een sociaaldemocratisch immigratie- en integratiebeleid door dat voor de traditionele rechtse partijen en de rechtspopulistische DF niet veel meer te wensen overliet. Het regeringsbeleid en de eigen, sociaaldemocratische voorstellen kwamen goeddeels overeen. Het veroordeelt de sociaaldemocraten sindsdien tot machteloze oppositie tegen deze kernpunten van het Deense regeringsbeleid. Overigens heeft het vaststellen van dat beleidsstuk over immigratie en integratie allerminst een eind gemaakt aan de interne gespletenheid van de partij op dit punt.

De Franse Parti Socialiste heeft in 2002 een trauma opgelopen waar de partij niet licht van zal genezen. Jean-Marie Le Pen, leider van het extreemrechtse Front National, overtroefde bij de presidentsverkiezingen de socialistische kandidaat Lionel Jospin en hield hem uit de tweede verkiezingsronde. Het sociaaleconomische beleid van de socialistische regeringen in de jaren tachtig en negentig heeft de kiezers onvoldoende kunnen bekoren. En ze hadden geen vertrouwen in de socialistische plannen voor het bestrijden van de onveiligheid, het allesoverheersende thema van de verkiezingscampagne. Vooral niet toen Jospin een paar weken voor de verkiezingen in een televisieinterview3 zei dat zijn regering het niet goed gedaan had op het punt van de onveiligheid, omdat hij het naïeve geloof had gehad dat hij met het terugdringen van de werkeloosheid ook de onveiligheid zou verminderen. Misschien dat de kloof tussen politici en hun natuurlijke achterban de afgelopen jaren wel nergens zo groot was als juist in Frankrijk. De anti-fascistische strategie van de PS tegenover Le Pen en zijn partij, waarbij het trekken van historische parallellen niet geschuwd is, heeft de kiezers niet afgeschrikt om op Le Pen te stemmen of weg te blijven van de stembus.

De Nederlandse sociaaldemocraten zijn jarenlang goed weggekomen met betrekking tot extreemrechts en het rechtspopulisme. Extreemrechts heeft in Nederland nooit veel potten kunnen breken. Maar het was wel veelbetekenend dat het uitgerekend in het PvdA-bolwerk Rotterdam was dat extreemrechts in 1994 zijn hoogtepunt bereikte.4 De PvdA verloor bijna een derde van haar aanhang. Ook toen al bleek de gapende kloof tussen de lokale sociaaldemocraten en hun achterban. Voor de PvdA echter nog niet duidelijk genoeg. De partij bleef de grootste, bleef besturen en won in 1998 zelfs weer wat terrein terug. Pas in 2002 viel het dubbeltje. Pim Fortuyn maakte zijn verpletterende entree in de Rotterdamse gemeentepolitiek door meer dan een derde van alle stemmen te halen. De PvdA verloor een kwart van zijn aanhang, was niet langer de grootste partij en belandde voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog in de oppositie. Twee maanden later was het debacle bij de Kamerverkiezingen nog groter: ruim een week na de moord op Fortuyn werd de PvdA gehalveerd. De erven-Fortuyn werden meteen de tweede grootste partij van het land en gingen meeregeren. Dankzij hun gestuntel viel het rechtse kabinet van CDA, LPF en VVD binnen drie maanden. In januari 2003 kreeg de PvdA een herkansing. De nieuwe, rechtstreeks door de leden gekozen partijleider Wouter Bos wist zo ongeveer in zijn eentje de verkiezingen te winnen. Het scheelde maar weinig of de partij was meteen weer de grootste geworden. Bos was zeer gecharmeerd van zijn Vlaamse collega Steve Stevaert. Ook Bos is niet bang voor een vleugje linkspopulisme. In de peilingen is de PvdA het sinds de verkiezingen van 2003 alleen maar beter gaan doen. De sociaaldemocraten zijn in de polls al tijden ruimschoots de grootste partij. Het eerste beetje tegenwind kwam op 22 maart 2005. Toen blokkeerde de sociaaldemocratische fractie in de Eerste Kamer tegen de zin van Bos een grondwetswijziging die de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester mogelijk moest maken.
In de nasleep van de verkiezingsnederlaag van 2002 publiceerde de PvdA een reeks rapporten. Het belangrijkste daarvan schetst een sociaaldemocratisch immigratie- en integratiebeleid. Integratie en immigratie: aan het werk! is in de eerste plaats een inhaaloperatie. De tijd van het verzwijgen van de problemen, van het doodknuffelen van allochtonen en van het per saldo in de steek laten van veel traditionele kiezers is voorbij. Niet eerder sprak de PvdA zo duidelijke taal over alles wat er niet deugt aan de multiculturele samenleving. Onder het motto strikt en streng voor iedereen doet de partij tientallen voorstellen om de zaak uit het slop te trekken. Of de kiezers de PvdA-plannen geloofwaardig vinden, juist te ver vinden gaan of bijvoorbeeld liever hun oor lenen aan de rechtspopulistische houwdegen Geert Wilders zal blijken.

In 1986 verbraken de Oostenrijkse sociaaldemocraten de samenwerking met hun toenmalige coalitiepartner de FPÖ, nadat de extreemrechtse Jörg Haider de leiding van die partij had overgenomen. Van 1986 tot 1999 regeerde de sociaaldemocratische SPÖ met de conservatieve ÖVP. Als enige oppositiepartij tegen de grote coalitie profiteerde de FPÖ maximaal. Op inhoudelijk vlak heeft de SPÖ zowel geprobeerd om de groei van de FPÖ te remmen door een humanistisch geïnspireerd immigratie-, integratie- en veiligheidsbeleid te voeren, als door hardliners te posteren op het ministerie van Binnenlandse Zaken van wie het beleid de FPÖ ver tegemoet kwam. Onder leiding van Haider bleef de FPÖ groeien van nog geen 5% naar 27% van de stemmen in 1999. In februari 2000 trad de FPÖ toe tot de regering. Bij nieuwe parlementsverkiezingen in 2003 kreeg de partij nog 10%. Alle regionale en plaatselijke verkiezingen en ook de Europese verkiezingen liepen uit op een zware nederlaag voor de FPÖ. Alleen in Haiders thuisland Karinthië bleef alles bij het oude. Daar haalde Haider in 2004 42,5% van de stemmen, een fractie meer dan in 2000. Hij bleef er regionaal premier met steun van de SPÖ. De strategie van de SPÖ tegenover Haider en de FPÖ was tot 2003 volstrekt eenduidig: geen samenwerking met de FPÖ. In 2003 vonden enkele voorzichtige toenaderingspogingen plaats. SPÖ-leider Gusenbauer lijkt alle coalitiemogelijkheden open te willen houden. In eigen kring kwam hij zwaar onder vuur te liggen na zijn aftastende gesprekken met Haider. Het linkse, intellectuele deel van de SPÖ-aanhang gruwt van elke toenadering tot de FPÖ. En het is maar zeer de vraag of Gusenbauer met dit soort initiatieven naar Haider overgestapte kiezers kan terughalen. In 2003 is daar bij de parlementsverkiezingen in ieder geval niet veel van gebleken. Het verlies van Haider kwam vrijwel volledig ten goede aan de ÖVP. Het spagaat dat SPÖ-leider Gusenbauer maakt, draagt het risico in zich dat hij naar de FPÖ overgestapte kiezers niet terughaalt, maar intussen wel het linkse deel van zijn aanhang kwijtraakt. In april 2005 scheidde Haider zich af van de FPÖ en richtte een nieuwe partij op, de BZÖ, die een soort FPÖ-light moet worden zonder extremisten. Een groot deel van de verkozenen van de FPÖ volgden hem. Maar bij de belangrijke verkiezingen voor de Weense Landdag op 23 oktober 2005 haalde de FPÖ na een knalharde op vreemdelingenhaat geënte campagne 15% en Haiders BZÖ maar 1% van de stemmen.

In Zweden is alles anders. Daar zijn nauwelijks rechtspopulisten te bekennen. De situatie is er vergelijkbaar met die in Nederland in het begin van de jaren negentig. Lokaal halen verschillende rechtspopulistische en extreemrechtse partijtjes hier en daar een paar zetels. De sociaaldemocratie is in Zweden veel hechter georganiseerd dan waar ook. De samenwerking tussen de Socialdemokratiska Arbetareparti (SAP) en de machtige vakcentrale Landsorganisationen - Zweden heeft een zeer hoge organisatiegraad - is nog intact. Een dergelijke samenwerking is in veel landen een relikwie van het verleden. In Oostenrijk bestaat ook nog een nauwe band tussen partij en vakbeweging, maar zelfs in Denemarken heeft de vakcentrale de organisatorische banden met de sociaaldemocratie intussen doorgesneden. De SAP heeft ook tamelijk bloeiende organisaties voor sociaaldemocratische jongeren en vrouwen. Is het toeval dat de hecht georganiseerde SAP met zijn uitgebreide netwerk vooralsnog niet erg te kampen heeft met rechtspopulisme? Het ligt in ieder geval niet aan het aantal immigranten in Zweden. Dat is hoog. En ze wonen net als elders in Europa geconcentreerd in bepaalde stadswijken. En Zweden zijn ook echt geen betere mensen dan Vlamingen, Oostenrijkers of Fransen. Uit een onderzoeksrapport van de Zweedse Raad voor Integratie dat eind oktober 2005 verscheen, blijkt dat aan de ene kant meer Zweden de grenzen willen sluiten voor immigranten, terwijl aan de andere kant de steun voor racistische partijen afneemt. Het meest opvallende verschil tussen Zweden en de overige hier behandelde landen is de traditionele organisatievorm van de Zweedse sociaaldemocratie. Het is ongetwijfeld een anachronisme in de ogen van velen, maar in Zweden lijkt het een open en moderne benadering van immigratie en integratie niet in de weg te staan.

De sociaaldemocratie mag haar

eigen

principes niet verloochenen

Of de rechtspopulistische partijen nu meeregeren, een minderheidskabinet aan een meerderheid helpen, normaal deelnemen aan het politieke bedrijf of daarvan op allerlei manieren zoveel mogelijk worden buitengesloten, ze hebben de afgelopen 15 jaar nadrukkelijk invloed gehad. Wie vergelijkt wat bijvoorbeeld de PvdA nu zegt over immigratie en integratie en wat die partij daar een jaar of tien geleden over zei, kan er niet omheen. Wie het huidige kabinetsbeleid afzet tegen dat van de kabinetten hiervoor komt tot dezelfde conclusie. De rechtspopulisten hebben een nieuwe toon gezet. En in de overige hier behandelde landen - met uitzondering van Zweden - is het niet anders. Het gevaar is reëel dat het gedachtegoed van de rechtspopulisten snel verder ingang vindt. Het principe van het Eigen volk eerst wint gestaag aan invloed. Dat is af te meten aan de electorale bloei van veel rechtspopulistische partijen, maar vooral - en dat is veel zorgwekkender - aan de manier waarop de kernthematiek van die partijen langzamerhand overal doordringt. Of het nu over werkeloosheid gaat, huisvesting of veiligheid. Van sociaaldemocratische partijen mag verwacht worden dat ze niet meegaan in de opmars van het Eigen volk eerst. Het gaat erom niet bang te zijn om de problemen met de multiculturele samenleving bij hun naam te noemen en ook aan te pakken, maar daarbij wel de eigen ideologische rug recht te houden. Of weer te rechten.

Rinke van den Brink 5 ** **
Journalist en schrijver

Noten
1/ Albrecht Konecny is buitenland secretaris van de SPÖ, voorzitter van de SPÖ-fractie in de Bundesrat (vergelijkbaar met de Senaat) en vice-voorzitter van de SPÖ-afdeling in Währing, het 18e district van Wenen.
2/ Johan Vande Lanotte en Caroline Gennez, Alleen wie de toekomst zelf vorm geeft, moet ze niet ondergaan. Intentieverklaring, http://home.scarlet.be/~jansensa/Intentieverklaring.pdf.
3/ Met TF1, op 3 maart 2002.
4/ De Centrumdemocraten en de CP’86 kregen samen bijna 15% van de stemmen.
5/ Rinke van den Brink is journalist en schrijver. Hij is werkzaam als redacteur bij het NOS Journaal. Daarvoor was hij jaren lang redacteur van het weekblad Vrij Nederland. Hij publiceerde een aantal boeken over extreemrechts. Eind september 2005 verscheen van zijn hand: In de greep van de angst. De Europese sociaaldemocratie en het rechtspopulisme, uitgeverij Houtekiet (Antwerpen)

sociaaldemocratie - populisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 4 tot 10