Abonneer Log in

Vrede aan de kleintjes en de groten der aarde (en ook aan de macho's)

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 1 (januari), pagina 23 tot 25

Aan Ariël Sharon zou ik toewensen dat hij zou mogen rusten in vrede. Vrede, dat zou voor hem wel bijzonder vreemd aanvoelen. Voor de genadeloze krijger die dacht dat hij groter was dan het leven zelf. Voor de man die bij de wet van het staal heeft geleefd. De medeplichtige aan de moord op duizenden Palestijnse vluchtelingen in Sabra en Chatila. De duivel in persoon die de Palestijnen bij de Al Aksa Moskee zo perfide provoceerde dat een tweede en veel fellere intifada onvermijdelijk bleek. De architect van de metershoge muur die hen als het ware opsloot in hun hok. De man die aan het eind van zijn leven de joodse kolonisten uit Gaza verdreef, maar ze elders weer meer ruimte gaf. De man die in leven wordt gehouden omdat het lijkt alsof Israël zijn weg niet kan vinden zonder hem, de bulldozer, de wegbereider van een arrogante staat.

Aan Georges W. Bush wil ik schrijven. Om hem te zeggen, dat als die puriteinse god van hem al bestaat, hij zeker niet op hem moet rekenen daar in Irak. Als er al een god zou zijn, he certainly doesn’t bless America. Ik zou Bush willen schrijven dat het hovaardig is te denken dat een Texaanse cowboy zich in de hele wereld als een plaatsvervangende god kan gedragen.
Dat er in zijn Amerika, ondanks de massa yellow ribbons en stickers met ‘we support our troops’ die je op de autowegen ziet voorbijflitsen, toch ook nog veel verstandige mensen zijn die inzien hoe hopeloos en uitzichtloos die oorlog van hem is. Dat die met lede ogen aanzien hoe kapitalen in de woestijn worden kapot geschoten, die in hun land zo broodnodig zijn voor armoedebestrijding, onderwijs en gezondheidszorg. En dat het pijn doet te zien dat de Irakees er niet beter van wordt. Dat de angst voor terrorisme niet kan worden bestreden door iedereen die moslim lijkt of is, of die een moslim te vriend heeft, te bespieden, af te luisteren, op te sluiten en zelfs te doden in oorlogsgebied. Ik zou hem ook schrijven dat ik het een nare gedachte vind dat misschien binnenkort een Amerikaans kleinkind van mij onder zijn presidentsschap zou worden geboren.

Aan Frank Vandenbroucke, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en vorming, wil ik schrijven, dat hij koppig moet volhouden als het gaat over diversiteit en gelijke kansen in het onderwijs.
Dat het bij gelijke kansen niet alleen over etniciteit gaat, maar in de eerste plaats en nog steeds over economische achterstelling, al behoren allochtone gezinnen zeer vaak tot die categorie. In het middelbaar onderwijs versterkt de etniciteit die achterstand nog, en tegen dat de drempel van het hoger onderwijs of de universiteit moet worden genomen, is er haast niemand van de allochtone groep meer over. Kinderen uit sociaal en economisch zwakke gezinnen, beginnen nog steeds gehandicapt aan hun schoolloopbaan, lopen sneller achterstand op, vallen sneller uit het systeem.
Het is niet moeilijk om je voor te stellen dat sommigen, een minderheid, gemakkelijk gefrustreerde outcasts worden. Verbitterde jonge mensen die een uitlaatklep zoeken voor hun rancune tegenover onze blitse maatschappij die hen niet wordt gegund.
Zoiets lees je nauwelijks in de ronkende rapporten van trendwatchers. Die gaan immers over de steeds meer geëngageerde jeugd die met een modieus drankje in de hand en met een politiek correct rubberen polsbandje om opkomt voor allerlei grootse nobele doelen.
Tegen dat overkokende probleem, zullen ook geen Boodschappen zonder Naam, geen Sam en geen Rode Knoop helpen. Om daaraan een begin van oplossing te geven, is visie nodig en geld. Veel geld. Voor kleinere klassen bijvoorbeeld en betere omkadering van wie voor de klas staat met veel idealisme maar verzuipt. Maar ook, volgens professor Ides Nicaise van het Hoger Instituut voor de Arbeid, geld bijvoorbeeld voor een rechtvaardig en effectief studietoelagesysteem vanaf de lagere school. Want ons onderwijs is nog lang niet kosteloos.
Natuurlijk zijn er altijd slimmeriken, hoogbegaafden, die op eigen kracht alle handicaps overstijgen en alle horden nemen. Die worden dan aangehaald als voorbeelden van hoe goed ons onderwijssysteem wel is. Het is bekend dat we wereldwijd scoren met onze scholen vol bollebozen, maar net zo goed dat we hier in Vlaanderen eigenlijk met rode kaken zouden moeten staan over de kloof van de ongelijkheid in het onderwijs en over al het talent dat onderweg verloren gaat, omdat het op een arme voedingsbodem ontsproot. Dat kunnen we ons niet langer blijven permitteren.
In de jaren tachtig bedroeg het onderwijsbudget 7% van het bruto binnenlands product, nu nog slechts 5,5%. De uitdagingen zijn veel groter geworden, omdat we er zo lang te weinig aan hebben gedaan. Een maatschappij die te weinig investeert in onderwijs, verwaarloost haar toekomst.
Frank Vandenbroucke, ik wens je toe dat je erin slaagt om hier een fundamentele koerswijziging aan te brengen, dat bezorgt je zeker een plaats in de geschiedenis.

Aan Hakima El Meziane, laatstejaars studente Politieke en Sociale Wetenschappen, specialisatie Buitenlandse Politiek aan de Universiteit Antwerpen wil ik erg graag een nieuwjaarsbrief schrijven. Aan Hakima, moslima mét hoofddoek, die al lang besloten heeft haar eigen weg te gaan en zich niets meer aan te trekken van de negatieve reacties en racistische opmerkingen van haar mede-Antwerpenaren. Hakima is van hier zoals ze is, met haar intelligentie, haar trots, haar toekomstplannen en haar religieuze overtuiging. Aan de universiteit is zij een van degenen die zich inzet om allochtone studenten op te vangen en mee door de moeilijke overgang van middelbaar naar het hoger onderwijs te loodsen. Haar vader zit in het oudercomité en in het schoolbestuur van het Antwerpse Atheneum, waar diversiteit werkelijkheid is, dwingende werkelijkheid.
Hakima volgt ook een onderwijsopleiding, omdat ze een rolmodel wil zijn. Ik wens Hakima dat ze inderdaad de stageplaats vindt waar ze kan lesgeven zoals ze is, mét haar hoofddoek. Dat ze, als ze straks afstudeert, haar dromen kan waarmaken. Voor de klas staan voor allochtone en autochtone kinderen samen. Voor de enen een voorbeeld worden, iemand aan wie ze zich kunnen optrekken en voor de anderen het levende bewijs dat moslima’s méér zijn dan de slachtoffers waarvoor wij ze gemakkelijkheidhalve vaak nemen en die wij menen te moeten verdedigen of ertoe te bewegen te worden zoals wij.
Ik wens Hakima, Mohammed, Naywa, Jamal en al die andere nieuwe Belgen dat hun stem bij de komende gemeenteraadsverkiezingen weegt. Die stem nuttig gebruiken is de beste manier om je niet te laten reduceren tot een lastig randverschijnsel.
Wie als allochtoon luidop spreekt en iets anders zegt dan wat van de brave allochtoon wordt verwacht, wordt met dreigementen opnieuw in de hoek gezet. Kijk maar naar de politieke opwinding rond het jeugdhuis Rzoezie in Mechelen.
Ik wens hen ook dat op de lijsten voor de gemeenteraadsverkiezing allochtone kandidaten op andere criteria worden geselecteerd dan in het verleden vaak is gebeurd. Vrouwelijk, jong, mooi en meegaand. Intelligentie en karakter zijn lastiger te hanteren, riskeren tot confrontaties te leiden. Maar is het niet hoog tijd dat we de confrontatie met de harde werkelijkheid van blijvende achterstelling en uitsluiting durven aangaan?
Het is de enige manier om de tijdbom te ontmijnen die tikt onder het mooi gladgeschoren tapijt van onze duale ‘welvaartsmaatschappij’.

Aan alle macho’s in de politiek wens ik wat minder testosteron toe. Testosteron blijkt immers een benevelende werking te hebben op de hersenen. Testosteron veroorzaakt opwinding over zaken die eigenlijk niet belangrijk zijn. Door te veel testosteron gaan in de cenakels van de macht al te veel energie en tijd verloren die zo veel nuttiger zouden kunnen worden geïnvesteerd in het oplossen van reële problemen. Ik wens alle partijen wat meer professoren en boekhouders in plaats van flamboyante rokkenjagers.

Tessa Vermeiren
*Directeur Weekend Knack *

nieuwjaarsbrief - onderwijs - oorlog

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 1 (januari), pagina 23 tot 25