Abonneer Log in

De wens van een luxepaard op de academische markt

nieuwjaarsbrief

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 1 (januari), pagina 31 tot 33

Na 46 jaar in dit leven is dit de eerste maal dat ik nieuwjaarswensen overmaak via een publiek forum. Pleinvrees is mijn deel. Terwijl de laatste dagen van het jaar wegtikken, zit ik voor het witte blad en de nakende deadline. Pendelend tussen urbi et orbi, tussen de wereld en de eigen kleine biotoop van dagelijkse beslommeringen. Deze wereld laat zoveel te wensen over, dat het bijna onzindelijk lijkt de gedachten af te wenden naar de futiliteit van het eigen comfortabele bestaan van de weldoorvoede West-Europese academicus in zijn behaaglijke kantoor. Toch wil ik het over dit luxepaard hebben. Ik laat de ‘grote’ wensen over aan mensen die daadwerkelijk engagement opnemen in de vele domeinen waar de wereld vierkant draait. Dat ze hun geloof in de maakbaarheid van de wereld mogen bewaren.

Mijn brief richt zich tot de politieke en academische overheden die mijn comfortabele bestaan mogelijk maken. Ik schrijf hen omdat ik mij in groeiende mate vervreemd voel als gevolg van de actuele ontwikkelingen in academia.
Het hoger onderwijs in Vlaanderen ondergaat ingrijpende veranderingen als gevolg van de Bolognaverklaring (1999) en de Vlaamse decreten die dit Europese onderwijscredo vertaalden in concrete beleidsmaatregelen. Zelfs de minder betrokken buitenstaander ziet de gevolgen. De grote fusieoperatie (met de vorming van associaties van universiteiten en hogescholen) en de inrichting van bachelors en masters, hebben het beeld fundamenteel veranderd. Wie tien jaar geleden het hoger onderwijs verliet, herkent vandaag bijna niets meer. Toch is deze formele herstructurering niet eens het belangrijkste. Ze is maar het gevolg van een onderliggende ideologische heroriëntering van het hoger onderwijs. Die is op zijn beurt het gevolg van een schaalvergroting, nl. de vorming van een Europese ‘onderwijsmarkt’. Dit laatste woord, dat zo gemakkelijk en veelvuldig uit de pennen van de beleidsmakers vloeit, geeft al meteen aan waar het in feite over gaat. Het Vlaamse onderwijs ondergaat de wetten van de markt en moet zich aanpassen om te overleven. De vele concrete gevolgen van die aanpassing worden al te vaak voorgesteld als natuurwetten waaraan niets te doen valt, terwijl het in feite beleidsopties zijn die wel degelijk veranderbaar en dus betwistbaar zijn.
Het marktdenken over het hoger onderwijs is momenteel sacrosanct. We moeten geloven dat we in een permanente concurrentiestrijd leven. Onze collega’s uit de andere associaties zijn ‘concurrenten’ die ons ‘marktaandeel’ betwisten. We worden ‘gerankt’ ten opzichte van elkaar en ten opzichte van buitenlandse ‘marktleiders’. De Vlaamse ‘kenniseconomie’ moet rendabeler worden. De output moet omhoog. The sky is the limit. Alle Vlaamse universiteiten behoren tot de wereldtop, of toch bijna, als we hun propaganda mogen geloven. De inspanningen om dit soort van promotalk te verspreiden nemen hand over hand toe.

Via een sluipende besluitvorming worden maatregelen genomen die zogenaamd noodzakelijk zijn om de concurrentieslag te winnen. Om de onderwijs- en onderzoeksresultaten in de markt te zetten, moeten ze kunnen worden gemeten en vergeleken volgens internationale standaarden. Die standaarden staan echter veel meer in functie van het marktdenken, dan van wat ze beweren te doen, namelijk kwaliteit meten. Dit wordt scherp aangevoeld in wetenschapsdomeinen die zich moeilijk in een internationale gestandaardiseerde wetenschapsmarkt laten zetten, precies omdat ze hoofdzakelijk voor een ‘lokale markt’ werken. Het gaat dan meestal over cultuur- of plaatsgebonden wetenschapstakken. Daar maakt men het mee dat de traditionele kanalen waarlangs de resultaten van het onderzoek worden meegedeeld aan vakgenoten, plots niet meer voldoen omdat ze niet beantwoorden aan de nieuwe standaarden. Met name een beperkt aantal hoofdzakelijk Amerikaanse tijdschriften, de zogeheten ‘A1 journals’, die een kwaliteitslabel krijgen omdat ze opgenomen zijn in een door Thomson Scientific opgestelde lijst. Thomson is een privébedrijf en de Amerikaanse marktleider in wetenschappelijk informatiebeheer. Het meet de ‘impact’ van een tijdschrift, door na te gaan in welke mate het gewaardeerd wordt in een vakgebied. Het systeem werkt vrij behoorlijk in wetenschapsgebieden die universeel gewaardeerde kennis genereren. Dat geldt voor de meeste bèta- en gammawetenschappen. Een doorbraak in de kennis van een bepaald materiaal of de bestrijding van een bepaalde ziekte, is universeel inzetbaar. De informatie-uitwisseling gebeurt doorgaans in een beperkt aantal uiterst competitieve arena’s. De bevindingen hebben immers ook vaak een zeer grote economische impact en zijn ook in dié zin marktgevoelig.
Voor vele alfa-wetenschappers is dit een volkomen vreemd landschap.Ze voelen zich dan ook vervreemd door maatregelen die hen in dergelijke arena’s jagen. Doordat ze vaak cultuur- en plaatsgebonden kennis genereren, zijn er weinig universeel erkende top journals. Het landschap van wetenschappelijke tijdschriften is veel uitgebreider en gevarieerder. Er is ook geen algemeen erkende forumtaal. Daarbij komt nog dat in een aantal alfa-wetenschappen belangrijke inzichten niet in de eerste plaats via het format van tijdschriftartikels worden verspreid, maar wel via wetenschappelijk monografieën of via populairdere kanalen als algemene tijdschriften of boeken (die via de algemene fondsen van commerciële uitgevers worden verspreid). Wetenschappers hebben ook zelden ‘doorbraken’ te melden. Het gaat eerder om vernieuwende interpretaties en/of originele syntheses van kennis. Dit alles is oneindig veel moeilijker in een algemeen geldig meetsysteem te gieten.

Academische regelgevers vinden dat vervelend en weigeren rekening te houden met deze omstandigheden. Ze gaan stug door op de ingeslagen weg. Intussen klinkt het protest steeds luider omdat meer en meer mensen binnen en buiten academia zich realiseren dat de nieuwe regelgeving een perverse ‘impact’ heeft. Doordat de academische overheid wetenschappelijke dossiers weegt op basis van het aantal A1-artikels gaan vele wetenschappers, en niet het minst de jonge en meest productieve onderzoekers, hun activiteiten afstemmen op wat ze het beste ‘verkocht’ krijgen aan de enkele A1-tijdschriften in hun vakgebied. Ze richten zich niet meer op wat ze zelf het onderzoeken waard vinden, maar op de heersende smaak en mode van een internationaal forum dat allerminst de beste kenners verzamelt. Is het verwonderlijk dat de beste kenners van de Belgische politiek verbonden zijn aan de departementen politieke wetenschappen van de Belgische universiteiten? Het perverse zit in het feit dat de evolutie er kan toe leiden dat er steeds minder topwetenschap zal worden bedreven over de Belgische politiek, omdat dat onderwerp nu eenmaal minder gemakkelijk toegang verschaft tot de kanalen die in het actuele landschap symbolisch kapitaal en dus carrièrekansen opleveren. Zo zal de Belgische politiek zelf steeds meer verstoken blijven van academische verdieping, waardoor - dat wil ik toch geloven - de Belgische polis er slechter van wordt. Zo zal finaal de Belgische belastingbetaler, die de salarissen van de wetenschappers betaalt, minder waar voor zijn geld krijgen.

Ik stel de zaken scherp, waardoor ze misschien te zwart-wit worden voorgesteld. De werkelijkheid is natuurlijk complexer en genuanceerder. Maar om te bewijzen dat de persverse mechanismen wel degelijk aan de gang zijn, wil ik een voorbeeld geven uit mijn eigen academische praktijk. Sedert drie jaar geeft mijn academische overheid een premie van 10.000 euro aan de promotors van proefschriften die gevaloriseerd worden middels een A1-publicatie. Zo hoopt de Gentse academische overheid het aantal A1-artikels op te drijven om de concurrentieslag met Leuven te winnen. De sleutel voor de financiering van de universiteiten wordt immers in steeds grotere mate bepaald door onderzoeksoutput, en die output wordt in belangrijke mate gemeten in A1-artikels. De Vlaamse overheid ligt dan ook mee aan de basis van het hele probleem.
Na lang soebatten kon de Gentse academische overheid overtuigd worden dat het onredelijk was om de premie uitsluitend op basis van het A1-criterium toe te kennen. Een eerste toegeving bestond in de vorming van een lijst van zogeheten A2-tijdschriften, samengesteld op basis van wat de diverse opleidingen zelf als belangrijke tijdschriften voorstelden. Onvermijdelijk werd dat een lange lijst omdat in een faculteit wijsbegeerte en letteren natuurlijk heel veel verschillende vakgebieden bestaan, die vaak ook cultuur- en plaatsgebonden zijn. De academische overheid kon niet leven met die realiteit en heeft de A2-lijst gereduceerd op basis van citaties in A1-tijdschriften. Alleen A2-tijdschriften die vermeld worden in de sacrosancte A1-tijdschriften komen in aanmerking. De promovendus die twee artikels publiceert in dergelijke A2-tijdschriften passeert langs de kassa. Dat de kwaliteitsmeters niet deugen, hindert niet. Een tweede ‘toegeving’ was de erkenning dat vele proefschriften als boek werden gepubliceerd. Hetzelfde scenario speelde zich af. Een lange lijst uitgeverijen werd gereduceerd waarbij quasi elke Amerikaanse uitgever een kwaliteitslabel kreeg, terwijl nauwelijks Vlaamse of Nederlandse uitgevers over de lat geraakten. Het argument dat vele belangrijke proefschriften in het verleden bij Vlaamse en Nederlandse uitgeverijen het licht zagen, kon de academische overheid uiteindelijk vermurwen. De onverlaat die zijn proefschrift bij pakweg Meulenhof/Manteau publiceert, kan in aanmerking komen voor de premie als het boek een peer-reviewing doorstaat. Bovendien moet de uitgever verklaren dat het boek een internationale verspreiding heeft. Een doctoraal proefschrift (goedgekeurd door 5 peers), gepubliceerd door een Belgische of Nederlandse uitgever in de vorm van een boek dat mikt op een lokaal lezerspubliek, kan dus onmogelijk in aanmerking komen voor de premie. Het is een belediging voor eenieder die betrokken is bij een dergelijk proefschrift, niet het minst voor de promovendus die bovendien wordt geschaad in zijn carrièremogelijkheden.
Begin deze maand trokken de drie wijzen door ons land. Ik hoop dat ze langsgegaan zijn bij de verantwoordelijke overheden en hen het licht hebben laten zien.

Bruno De Wever
*Doctor en hoofddocent in de Nieuwste Geschiedenis (UGent) *

universiteit - wetenschappelijk onderzoek

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 1 (januari), pagina 31 tot 33