Log in

Groen! als linkse kracht in het rechtse Vlaanderen

Groen! zal in Vlaanderen links zijn of niet. Dat was onze voorlopige eindconclusie van een eerste analyse van de verkiezingsuitslag van Groen! in 2009.1 Deze bleef niet ongemerkt in de pers in de aanloop naar het beraad van Groen! op 3 oktober 2009 en de voorzittersverkiezing op 25 oktober 2009. In dezelfde periode verschenen een aantal commentaarstukken die Groen! manifest afschreven. Overbodig en/of in existentiële crisis. Ook het feit dat bijna de helft van de Groen! kiezers om milieuredenen voor de partij stemt en dat het aandeel mensen dat milieu belangrijk vindt daalt, zijn voor sommigen een reden om Groen! maar een beperkte toekomst meer voor te spiegelen. Een reden om, in onderstaande bijdrage, die eindconclusie verder te onderbouwen en uit te diepen.

INLEIDING

Wat stelt Groen! in Vlaanderen voor en waar staat de partij binnen het brede politieke landschap in het algemeen, links in het bijzonder? We doen dat in drie opeenvolgende stappen. Eerst plaatsen we de huidige verkiezingsuitslag van Groen! in een breder tijdsperspectief en in de Europese context van groene partijen in West-, Midden- en Noord-Europa. Daarna overlopen we het politieke landschap in Vlaanderen. Over rechts naar links. Om te eindigen met de vraag hoe links staat tegenover het huidige maatschappijmodel. Die elementen samen geven aan dat er wel degelijk ruimte én nood is aan een groen-alternatieve partij aan de linkerkant van het politieke spectrum.

PERSOONLIJKE KANTTEKENING

Het blijft verbazingwekkend hoe vele verkiezingsanalyses zich laten leiden door het debat van de dag, door de meest recente peiling en enquête. Zelden wordt nog over de grenzen heen gekeken wat de algemene tendensen zijn en/of naar de algemene context. Zelden worden de interne verschuivingen binnen de verkiezingsuitslagen van eenzelfde partij bestudeerd, ook al kan daar veel worden uit afgeleid.

We maakten onze eerste cijfermatige verkiezingsanalyse in 1995. Agalev leed in dat jaar voor het eerst in haar geschiedenis een beperkte nederlaag. De schok was groot want in de jaren 1980 groeide het groene kiezerskorps verkiezing na verkiezing zonder dat daar veel slag om geleverd moest worden. De interne analyse die we toen voor Agalev verrichtten, spitste zich toe op de interne verschuivingen en patronen in kiesresultaten. We keken ook over de grenzen naar landen met een sterk proportioneel kiessysteem want daar komen nieuwe politieke tendensen het eerst naar boven.
Uit deze analyse bleek dat het niet tijdig onderkennen van de veranderde tijdsgeest het verlies in 1995 had veroorzaakt. Die zat achteraf bekeken al in de uitslag van 1991, zij het op een verdoken manier. Want toen verloor Agalev al in Antwerpen terwijl de rest van de partij nog vrolijk vooruit ging. Bovendien was 24 november 1991 de eerste zwarte zondag in de nationale politiek.2 Het Vlaams Blok brak door en de sfeer in de politiek werd daarmee grimmiger en vooral rechtser. Maar ook Jean-Pierre Van Rossem haalde probleemloos proteststemmen aan de linkerkant. En daarmee kwam vooral ook de volatiele kiezer voor het eerst duidelijk op het toneel. Agalev was niet langer het kleine sympathieke buitenbeentje maar zou vanaf dan moeten knokken voor elke stem. Pas na de nederlaag van 1995 werd dat voor iedereen duidelijk.

Het patroon van de verkiezingsuitslag van Agalev in 1995 over de verschillende kantons bleek grofmatig aan te sluiten bij de sociologische aanwezigheid en spreiding van het ‘alternatieve’ Vlaanderen van die tijd. Daarmee werd duidelijk dat de eerste kring van kiezers wel degelijk gevormd werd uit groen-alternatieve kiezers. Het buitenland toonde aan dat groei mogelijk was bij een tweede cirkel van links-libertaire kiezers. Het ging daarbij vooral om goed opgeleide links denkende burgers die kwaliteit van leven hoger inschatten dan een grote materiële welstand. Die kring was dubbel zo groot dan de eerste.3 Mede op basis van die analyse werd kwaliteit van leven het hoofdthema van de verkiezingscampagne van Agalev in 1999. Agalev was wellicht op weg naar een resultaat tussen de 9 en 10% toen de dioxine-crisis voor een extra bonus zorgde. Met 11,75% haalde Agalev ongeveer een kwart van deze tweede kring binnen.4

Het leerde ons dat de verkiezingen gewonnen of verloren worden op basis van een combinatie van meerdere factoren: tijdsgeest, politiek talent, geloofwaardigheid, omgevingsfactoren. Elke factor speelt een rol en pas als alles goed in elkaar klikt, leidt het tot een ontegensprekelijk succes. Maar vooral is het gemakkelijker om met de wind mee te zeilen dan tegen de wind in, hoe groot je politieke talent ook is.
We waren dan ook niet zo erg verrast door de uitslagen in 2009 aan de linkerkant in Vlaanderen. Wie de laatste twee jaar de verkiezingen in West- en Midden-Europa volgde, kon een volgende tendens optekenen voor links: links verloor, soms zelfs fors en dat verlies kwam bijna altijd op de kap van de sociaaldemocraten terecht. De groenen konden daar maar weinig van profiteren. Meer dan lichte winst zat er meestal niet in. Het kwam er in praktijk op neer dat ze hun posities konden consolideren in de krimpende linkse markt. Maar blijkbaar ging dat in Vlaanderen aan velen (politieke wetenschappers, marketeers, Groen! zelf, enzovoort) voorbij. De meesten verkeken zich daarbij aan de opgang van Ecolo in Wallonië en Brussel, die zich vanaf 2007 voltrok.

GROEN!: BETER DAN IN 2007 ONDANKS DE SLECHTE MARKT VOOR LINKS

Wie een gedetailleerd beeld wil van de verkiezingsanalyse die we voor Groen! maakten, verwijzen we door naar het hoger geciteerde artikel in Oikos.5 Hier zullen we ons beperken tot twee cijferreeksen die over de tijd heen de positie van Groen! algemeen en in verhouding tot de sp.a duiden.

De eerste cijferreeks in Tabel 1 geeft de verkiezingsresultaten van Agalev/Groen! sinds 1991. Het gaat om een herwerking van de verkiezingsuitslagen.6 Dat laat toe om over de verschillende verkiezingen een zo groot mogelijke vergelijkingsbasis te verkrijgen.
Het resultaat van Groen! in 2009 zit op een logische plek in het schema van opeenvolgende verkiezingen. De uitslag was op de koop toe merkelijk beter dan in 2007 (+1,2%) en lag ook enkele tienden van een procentpunt hoger dan de uitslag van 1995 (+0,6%). Per vijf kiezers in 2007 won Groen! er één bij in 2009! Het is bovendien op 2004 na de tweede beste uitslag sinds 1991. Ten opzichte van 2004 werd een daling van half percent opgetekend.
Groen! had wel de pech dat er op de verkiezingsavond tot 22 uur een embargo was op de uitslagen voor het Europees Parlement. Daardoor gebeurden de analyses op de verkiezingsavond bijna uitsluitend op basis van de uitslagen voor het Vlaamse Parlement, die een verlies inhielden. Het quasi status-quo voor de Europese verkiezingen kwam nooit in beeld.
Toch is Groen! zelf voor een groot deel verantwoordelijk voor de minder goede perceptie, die aan de uitslag kleeft. Groen! had zelf de illusie gelanceerd dat 10% haalbaar was en herhaalde dat tot in de laatste week, zelfs toen tegenvallende indicaties opdoken. Zelf hadden we bij de evaluatie van de verkiezingsuitslag van 2007 al gewaarschuwd dat 10% in 2009 onhaalbaar was in het rechtse Vlaanderen.7 Dat hield immers in dat Groen! ofwel een vijfde van de socialistische kiezers moest weghalen of dat anders het aantal progressieve kiezers met een derde moest toenemen. Allemaal op korte termijn weinig aannemelijk. Groen! hield ook geen rekening met het feit dat een aantal mensen in 2004 éénmalig voor Groen! stemden omwille van de ‘Groen! is nodig’ campagne. Het was voorspelbaar dat een deel van die kiezers zou terugkeren naar hun oude keuze.
Tot slot straalde ook het eclatante succes van Ecolo aan de andere kant van de taalgrens negatief af op het veel bescheidener resultaat van Groen!. En dat geldt uiteraard ook voor de successen van andere Europese groene partijen, maar daar komen we verder op terug.

Een tweede cijferreeks in Tabel 2 toont de verhoudingen in het roodgroene kamp. Het werpt een licht op de zogenaamde communicerende vaten tussen de sp.a en Groen!. In se is die verhouding vrij stabiel doorheen de tijd op uitzondering van de zeer drastische schokbewegingen in 1999 en 2003.
Vanaf 2004 kwamen de communicerende vaten terug in de normale plooi en marges van voor 1999. Ook hieruit kan worden afgeleid dat Groen! het in 2009 niet zo slecht deed (hoogste cijfer buiten 1999) en het verlies deze keer meer aan sp.a-kant lag.
Het probleem van links ligt dus recentelijk niet in ‘communicerende vaten’ maar eerder in ‘lekkende vaten’. Tussen 2004 en 2009 verloor het roodgroene kamp niet minder dan 5,3 procentpunten (van 27,3% naar 22,0%) of een op de vijf kiezers. Links zit voorlopig in een krimpende markt. Binnen die gegevenheid maakte Groen! in 2009 een behoorlijke uitslag. Een onderscheiding zat er niet in en dat had iedereen op voorhand kunnen weten.

GROENEN IN EUROPA: WINST IN EEN SLINKENDE MARKT

De groene partijen zijn traditioneel het sterkst ingebed in West-, Midden- en Noord-Europa. Daar halen ze het gros van hun zetels voor het Europese Parlement. In de meeste landen gaf dat een schitterend resultaat. Alleen gebeurde dat telkens in een uitgesproken krimpende markt voor links. De nieuwe groene kiezers kwamen dus vooral van andere linkse partijen. Enkel in Oostenrijk ging de groenen mee de boot in met de sociaaldemocraten en verloren iets minder dan een kwart van hun kiezers. Wel steeg ook daar hun aandeel in het roodgroene kamp. In Duitsland en Luxemburg was er een quasi status-quo met lichte winst voor de groenen.

Tabel 3 geeft een overzicht van de zes landen in West- en Noord-Europa waar groene partijen duidelijk vooruit gingen.
De groenen halen dus hun succes in een context waar links klappen krijgt en de socialisten in verschillende landen op een historisch dieptepunt belanden. In Nederland (-10,1%), Groot-Brittannië (-5,2%) en Finland (-4,9%) krijgt links in zijn globaliteit een zware klap, in Frankrijk (-3,4%), Denemarken (-2,4%) en Zweden (-2,3%) een lichtere klap.

Het is moeilijk om uit die uitslagen ‘duurzame’ conclusies te trekken. Traditioneel zijn Europese verkiezingen die losstaan van andere verkiezingen een moeilijke graadmeter voor electorale verschuivingen op lange termijn. Kiezers durven dan wel eens met hun hart te stemmen in plaats van met het verstand of de portemonnee. Of ze durven hun partij straffen omdat ze het in eigen land niet goed doen en het er voor Europa toch minder op aan komt.
Bij landelijke verkiezingen ligt het later opnieuw anders. Het gaat er dan harder aan toe en in die context haalt de loyaliteit het opnieuw bij veel kiezers ondanks de frustratie over het beleid dat de eigen partij voert.
De recente verkiezingen in Duitsland vormen een indicatie dat het momenteel ergens tussen in zit. Links blijft verliezen waarbij de sociaaldemocraten de grote verliezers zijn en de andere linkse partijen maar een deel van dat verlies kunnen recupereren.
Persoonlijk hebben we twijfels of de huidige tijdsgeest een dergelijk kantelmoment tussen rood en groen in zich houdt. Daarvoor is de vooruitgang van Groen! in de andere verkiezingen te beperkt of soms onbestaande. Dat maakt dat links gebaat blijft bij een herstel van de sociaaldemocratie op een nieuwe leest. We komen daar later op terug.
Maar los daarvan blijft de groen-alternatieve groep een gegevenheid die vooral zijn wortels heeft in West-, Midden- en Noord-Europa. Het lijkt ons al even voorbarig om dit nu maar eventjes af te schrijven. De wortel is in dat deel van Europa vrij stevig geschoten, de groenen doorstaan de moeilijke periode voor links vrij behoorlijk en waar zich accidents de parcours voordoen (Westelijk deel van Duitsland in 1990, Vlaanderen in 2003) overwinnen ze die vrij snel. Het is een taaie plant geworden die telkens opnieuw tegen de stroom in kiezers naar zich toe trekt.

GROEN! IS NIET LANGER AGALEV

Naar aanleiding van de huidige verkiezingsanalyse gingen we voor het eerst na wat de electorale herschikking van Groen! na de schokken van 1999 en 2003 had opgeleverd.
Want al zit Groen! min of meer terug op hetzelfde stemmenpercentage, de stemmen komen niet meer uit dezelfde gebieden. Het spreidingspatroon is veranderd.

Agalev had in de jaren 1980 een dubbele voedingsbodem: de christelijke tegenbeweging (cfr. de rol van Versteylen) en de meer gepolitiseerde (stedelijke) alternatieve bewegingen. Nu blijkt duidelijk dat Groen! zich na 2003 veel minder heeft kunnen herstellen in die gebieden waar ooit de christelijke tegenbeweging de motor van Agalev vormde. Het gaat dan onder meer om de Kempen, Limburg en om gemeenten met vroeger sterke CVP-meerderheden. Agalev was daar toen de uitdager.
Hoe komt dat? De linkse christelijke tegenbeweging is vergrijsd. De ontzuiling heeft bij jongeren geleid tot een volatiel kiezerskorps dat zich in zijn kiesgedrag niet meer of veel minder laat leiden door het middenveld. En ook het christelijke speelt bij jongeren nauwelijks nog een rol bij de stemkeuze. Zeker als blijkt dat de ‘doe de stemtest’ bij een pak jongeren het hulpmiddel is geworden om na te gaan welke partij het dichtst aanleunt bij hun persoonlijke opinies over een aantal actuele problemen.
Voor Groen! betekent dat dat de partij in een aantal landelijke gebieden en de twee buitenprovincies (West-Vlaanderen en Limburg) aan kracht heeft ingeboet. Het verlies wordt goedgemaakt door het herstel en de soms scherpe groei in de steden en verstedelijkte gebieden van de centrale provincies. Dat geldt zeker voor Gent, Brussel en Leuven. Ook in Antwerpen en Mechelen is de partij opnieuw sterker aan het worden. Groen! is nu meer dan vroeger de politieke vertaling van een kritische middenklasse die zich in meer of mindere mate de ideeën van de alternatieve bewegingen eigen heeft gemaakt.

HET STERKE PALET VAN RECHTS IN VLAANDEREN

Het is een opmerkelijk gegeven dat een deel van de linkerzijde de illusie wil koesteren dat Vlaanderen niet rechts is. Allerlei mogelijke verklaringen en achterliggende intenties bij het stemgedrag op rechtse partijen moeten dit illustreren. Het maakt weinig indruk. We merken immers keer op keer dat meer stemmen naar (centrum)rechtse partijen gaan, dat het rechtse discours de maatschappelijke overhand heeft zelfs tot in de eertijds voor progressieven vertrouwde huizen en kranten. En op zich is dat geen rariteit want in de meeste Europese landen is rechts op dit moment in de meerderheid en/of aan de macht. Bovendien hebben we helaas met het Vlaams Blok8 nog altijd een van de sterkste uiterst rechtse partijen van Europa.

In die zin hebben de strategen achter de betoging tegen Agalev de week voor de verkiezingen van 2003 op termijn hun slag thuis-gehaald. Ze hebben met medeweten van een deel van de VLD de rechterkant van die partij terug in beweging gekregen.9 Ze hebben vanuit de rechtse onderbuik van Vlaanderen ingespeeld op de spanning die er toen heerste tussen de progressieve mainstreaming in het beleid en een deel van de samenleving en de sluipende verrechtsing van het kiezerskorps. Met het gevolg dat paars al in 2004 de rekening kreeg gepresenteerd via de uitslag van het kartel CD&V en N-VA en de zege van het Vlaams Blok. Ook de hele heisa rond het stemrecht voor allochtonen was een illustratie van die scherpe spanning in de samenleving.
Vanaf 2004 bleek dat rechts in stemmenaantal de overhand had genomen maar nog klem zat doordat een groot deel van de rechtse stemmen vast zat bij het Vlaams Blok. Het werd dus een tripartite. Het was dan alleen nog wachten op een switch in de macht waarbij de (centrum)rechtse meerderheid groter wordt, min of meer fatsoenlijk rechtse kiezers van het Vlaams Blok terugplukt en links steeds kleiner wordt.
In 2007 gebeurde een eerste stap met de opkomst van de Lijst Dedecker en een eerste afkalving van het Vlaams Blok. Bovendien was er een sluipende verrechtsing binnen de basis van de CD&V (impact van kartel met N-VA) en van de VLD (impact van discours van Dedecker). In 2009 ging het proces een stap verder met de sterke score van de N-VA. Centrumrechts kon in principe eindelijk een fatsoenlijke meerderheid bouwen. Het is tegennatuurlijk dat dit in 2009 in de Vlaamse regering niet is gebeurd en dat maakt dat het proces nog niet helemaal rond is.

Hoe dan ook is het plaatje aan de (centrum)-rechtse kant in Vlaanderen divers en interessant. En dat maakt het ook krachtig in de huidige tijdsgeest. Er is voor elk wat wils nadat de kiezer zijn stemmen naar verhouding goed gespreid en in overeenstemming met de realiteit over de vijf partijen herverdeelde. Elk blijven ze ver genoeg van de kiesdrempel. We geven het palet weer in Tabel 4. Met dit palet kan het verkiezingsdebat op zijn scherpst aan de rechterkant worden gevoerd. Dat bewezen de verkiezingen in 2009. En voor wie het niet wil geweten hebben: dit palet vertegenwoordigt bijna drie kwart van de Vlaamse kiezers.

DE STROMINGEN AAN DE LINKERKANT

Als we in West-, Midden- en Noord-Europa kijken naar het palet van linkse partijen in de parlementen dan kunnen we vijf stromingen onderkennen: sociaaldemocratie, groenen, oud-links, klein links en soms ook aparte links-liberalen.10
Wat ik als oud-links omschrijf is het recente fenomeen van de SP in Nederland en Die Linke in Duitsland. Zij mikken op het segment uit de oude sociaaldemocratische partijen die zich niet thuis voelen in de nieuwe koers sinds de jaren 1990. Opvallend is dat ze wellicht een deel van de kiezers kunnen binden die in andere landen vanuit de sociaaldemocratie naar (uiterst) rechts overstapten. Ze hechten belang aan de verworvenheden op het vlak van arbeidsomstandigheden, aan de degelijkheid van de sociale zekerheid en een sterk overheidsoptreden. Ze lopen niet hoog op met het libertaire denken en de nieuwe marktregels.
Qua kiezersgroepen is er daardoor geen grote interferentie met groene partijen, die de samenleving sterk willen veranderen. Zoals de Duitse verkiezingen aantoonden staan oud-links en groenen elkaars groei niet in de weg.
Het maakt ook dat de oude sociaaldemocratische partijen van langsom meer dat deel van de middenklasse zijn gaan vertegenwoordigen die zonder veel nadenken meegaat in het nieuwe hippe consumentisme maar wel meent dat iedereen daarin moet kunnen meegaan (van biefstuksocialisme naar sociaalconsumentisme).

Kijken we naar Vlaanderen dan behoren we tot de landen waar voorlopig maar twee stromingen aanwezig zijn: de sociaaldemocraten en de groenen.
De linksliberalen kiezers bleken te volatiel om Spirit en opvolgers een kans te blijven geven. Klein links en meer bepaald de PVDA+ zoekt weliswaar een uitweg in de richting van oud-links, maar komt voorlopig niet genoeg vooruit. Sp.a-rood is in Vlaanderen de lokale oud-linkse tak maar die blijft voorlopig bij de sp.a onder dak.
De sp.a heeft onder Stevaert geprobeeerd om via kartelvorming een hegemonie aan de linkerkant uit te bouwen. Het lijkt eraan te komen dat straks de burgemeesters van de grote steden dit nog eens proberen over te doen.
De vraag is of dit echt een oplossing is voor de rijke diversiteit die ook links zou kunnen etaleren. Internationaal blijken minstens drie stromingen (sociaaldemocratie, oud-links, groenen) levensvatbaar voor zover het kiessysteem het toelaat. Waar het kiessysteem de verschillende stromingen tot samenwerking dwingt (Frankrijk, Italië) blijkt dit op veel moeilijkheden te stuiten en niet echt meer te werken in de huidige tijd.
Spirit is aan het hegemoniestreven van de sp.a ten onder gegaan.11 De groenen hebben het weerstaan en hebben bewezen dat ze in Vlaanderen keer op keer ruim meer dan een kwart van de linkse kiezers kunnen binnenhalen. Het percentage is te groot om dit hegemonieverhaal te blijven rechtvaardigen. In een zeer geïndividualiseerde samenleving zal één linkse partij automatisch leiden tot een verschraling van het programma-aanbod of tot afscheuringen en nieuwe lijsten of partijen.
Dat veronderstelt dat de aanwezigheid van verschillende partijen aan de linkerkant niet langer als een soort verdeeldheid wordt gepresenteerd maar eerder als rijkdom. We mogen niet uit het oog verliezen dat de huidige terugval van de sociaaldemocratie nog een graad erger was geweest mochten ze de hegemonie van links hebben gehad. Tot de eerste afhakers behoren in zo’n geval allicht ook de kiezers uit de randgroepen die tegen wil en dank onder de hegemonie terechtkwamen en geen loyaliteit hebben opgebouwd.

LINKS EN HET HUIDIGE MAATSCHAPPIJMODEL

Het zijn geen gemakkelijke tijden voor links, al is dat blijkbaar niet voor iedereen duidelijk. Via de progressieve mainstreaming tijdens de paars(-groene) periode zijn een aantal progressieve overwinningen met ethische inslag geboekt. Het lijkt er dus op dat we in een progressieve tijd leven. Maar ondertussen is rechts in de meeste landen aan de macht en krijgt links (in casu de sociaaldemocratie) klappen als ze dit probeert tegen te houden of toch nog meeregeren. Veel hindernissen en valkuilen staan voorlopig een herstel van links in de weg.
Als we kijken naar wat er in Vlaanderen is gebeurd, dan zien we dat het oude Vlaanderen op andere manieren en vooral onder andere vormen terug van weg geweest is. Een vriend omschreef dat al in 2004 verrassend als ‘de contrareformatie is gelukt’. We kunnen nu niet anders dan hem gelijk geven. Een beperkte opsomming om het te verduidelijken:
- de CD&V is opnieuw op alle niveaus aan zet met als partner op de Vlaamse flank de N-VA (samen goed voor 36%);
- de projectontwikkelaars en betonboeren zijn opnieuw aan zet in de stad en in het land met een reeks van uiteenlopende grootschalige projecten die sinds de jaren 1980 niet meer voor mogelijk werden geacht (Lange Wapper, Schipdonkkanaal, Ring rond Brussel, enzovoort). Het verschil met vroeger is dat ze nu dikwijls de steun van architecten en stedenbouwkundigen hebben en de verpakking kwalitatiever oogt;
- de vermarkting van de samenleving gaat in alle hevigheid door met een verdere schaalvergroting als gevolg;
- marketing heeft een grote greep op de hele samenleving gekregen;
- we leven in een tijdperk van ongebreideld consumentisme;
- een individualisering, die maatschappelijk sterk is ingebed door de gestegen welvaart en de nieuwe technologische mogelijkheden;
- het grote geloof in wetenschap en technologie voor het oplossen van de meest urgente problemen (bijvoorbeeld klimaat);
- de terugkeer van de kernenergie.

De linkse samenleving is daarmee plots veraf. We geven toe dat dit eerder een groen-alternatieve analyse is. Alleen zit het linkse establishment hier duidelijk in de tang. Op de vraag of sociale zekerheid en gelijke kansen volstaan om van een oververhitte samenleving (ratrace in een doorholeconomie) een na te streven model te maken, kan volgens mij moeilijk een bevestigend antwoord komen. Als links zich daar niet over bezint, zit een herstart er niet in.
Bovendien kan niemand ontkennen dat rechts erin geslaagd is om belangrijke bakens in het maatschappelijke debat te zetten waardoor links in het defensief is. Waar eerst de groenen werden aangevallen op hun vingertje, het ‘politiek correct denken’ (onder meer over het sociaal meevoelen met de zwakken), het libertaire van mei ’68, is dit ondertussen een kritiek op heel links. Links kreeg daarmee het etiket van een ‘slecht’ merk. Erg pijnlijk in een tijd waarin marketing (ook politiek) een grote rol speelt en waar communicatie alles overheerst.
Dat verklaart ook de blijvende maatschappelijke spanning tussen de progressieve mainstreaming die nog overeind is gebleven en het nieuwe rechtse discours dat steeds meer ingang vindt in brede lagen van de bevolking.

Probleem is nu dat grote delen van links, over de betrokken partijen heen, gevangen zitten in een poging om die progressieve mainstreaming in stand te houden. Want het lijkt ook niet de goede tijd om in oppositie of in een tegenbeweging te gaan. Vandaar dat heel wat linkse jongeren zich nog altijd in alle mogelijke bochten wringen om zeker afstand te houden tot al wat rechts aan links verweet. Het zich mateloos afzetten van velen jongeren in de groene bewegingen tegen de ‘geitenwollensokkers’ is daar een voorbeeld van.
Rechts wint natuurlijk helemaal als je merkt dat termen als ‘politieke correctheid’ en ‘weldenkend links’ nu ook gebruikt worden in debatten onder linkse mensen. Linksen die andere linksen daarmee in het verdomhoekje plaatsen. Meestal word je dan afgerekend over wat je tien of twintig jaar geleden in een ander tijdperk en tijdsgeest verkeerd zou hebben gedaan. Met de nadruk op ‘zou’. Rechts en de markt hebben gewonnen en dus mogen een aantal denkbeelden nu ook niet meer aan de linkerkant.
Dat uit zich wellicht het scherpst wanneer de maatschappelijke analyse over het feit dat we ondertussen een subproletariaat hebben laten ontstaan bijna niet meer mag worden gemaakt. Want het spoort voor een groot deel samen met de aanwezigheid van etnisch-culturele minderheden. En in die context wordt zelfs het traditionele linkse discours van de aanklacht tegen marginalisatie en armoede door sommige linkse kringen weggemoffeld.

Links ligt dus op vele vlakken met de samenleving en zichzelf in de knoop. De ene stroming al meer dan de andere. De sociaaldemocratie zit meer dan anderen gevangen in het systeem. Ze probeert de ratrace mee te organiseren. De huidige regeringsdeelname op Vlaams niveau is daar een voorbeeld van. Oud-links vertolkt het weinig veranderingsgerichte links dat maatschappelijk in het defensief zit. Hun troef is wel dat ze links durven zijn en op het hart spelen. De groenen weten nog altijd niet goed hoe ze hun rol als alternatieve tegenbeweging in een rechts landschap kunnen of zelfs willen opnemen. Hun troef blijft niettemin dat ze een positief tegenverhaal hebben dat toekomstgericht is vanuit de ecologische antwoorden en dat vertrekt vanuit de nadruk op kwaliteit van leven.

EEN LINKS TEGENFRONT UITBOUWEN

De uitdaging voor links is de groep linkse kiezers opnieuw te doen stijgen. In alle segmenten en met de nodige diversiteit. Daar zijn een aantal zaken voor nodig, die niet altijd eenvoudig zijn. Remmende factoren en hinderpalen moeten uit de weg worden geruimd. De opsomming is wellicht niet volledig.

  1. Vanuit een links bondgenootschap moet het huidige rechtse maatschappijmodel opnieuw duidelijk in vraag worden gesteld. Dat moet het hoofdpunt zijn van het linkse discours. Het blijft vooral voor de sociaaldemocratie een uitdaging om daar een eigen en eigentijds antwoord op te vinden.
  2. De verschillen tussen de linkse partijen moeten duidelijk zijn zodat vanuit die erkenning van de verschillen een goede samenwerking en bondgenootschap kan groeien, die steek houdt en niet wederzijds bedreigend is. We moeten af van het idee dat de verschillen tussen de linkse partijen klein zijn. Het is niet zo dat de ideologieën, programma’s en analyses voor 90% gelijklopen. Als het al zo lijkt dan getuigt het eerder van de bloedarmoede aan de linkerkant om de eigen ideeën te expliciteren.
  3. Het niet langer meewerken en meedenken aan de door rechts opgelegde formats (o.a. over het politiek correct denken, mei ’68, vingertje, enzovoort). Het wordt tijd dat daar ook politiek een passend en offensief links antwoord op komt en dat het rechtse discours op dat punt wordt ontmaskerd. Het heeft bijvoorbeeld niets met mei ’68 te maken dat in de jaren 1990 de allochtone gemeenschap niet de nodige sociaaleconomische kansen heeft gekregen en in de armoede is terechtgekomen. Het is een beetje kort door de bocht om de basiswerkers van toen de schuld te geven alsof de economische en politieke krachten geen verantwoordelijkheid dragen. Maar hoe dan ook moet links stoppen met het discours zelf nog eens mee te stofferen.
  4. Links moet terug rechtstreeks in discussie durven treden met de eigen kiezers en de eigen basis over de rechtse denkbeelden die ook daar sluimeren. Dat is de eerste horde die te nemen is om het kiezersveld terug meer naar links te laten opschuiven. En sociaalconsumentisme is daarin geen vertrekpunt maar eerder een belemmering. De linkse samenlevingsmodellen zullen moet ingrijpen op de klimaatdimensie, op het niet haalbare van de ratrace voor steeds grotere groepen mensen, op het stijgende dualisme tussen arm en rijk in onze samenleving, op de onhoudbaarheid van ons consumptiepatroon, op het belang van matiging om op mondiaal vlak tot een meer gerechtvaardigde verdeling van het potentieel aan welvaart te komen, enzovoort.
  5. De linkse weerbaarheid op het terrein in de samenleving moet omhoog. Linkse politiek moet de marketing in de politiek durven overstijgen door opnieuw in kaders en militanten te investeren. De nieuwe technologieën bieden daar mogelijkheden toe naast oude gedegen politieke vorming.

Er is dus veel werk aan de winkel. Hoe dan ook zal het terugdringen van de pendelbeweging naar rechts een werk van lange adem zijn over vele verkiezingen, successen en mislukkingen heen.

BESLUIT

Groen! heeft bij de verkiezingen van 2009 in een slechte markt voor links helemaal niet slecht gescoord. Veel meer was wellicht niet haalbaar. Wie de tijdsbalk plaatst vanaf de jaren 1990 tot nu en over de grenzen heen kijkt, merkt dat de groene-alternatieve stroming in West-, Midden- en Noord-Europa zich heeft doorgezet en ontegensprekelijk een blijvende factor is. De crisis van links gaat niet ten koste van de groene partijen maar verhindert voorlopig een verdere doorgroei.
In Vlaanderen heeft Groen! de turbulente periode van 1999-2003 doorstaan en is het opnieuw in normaal vaarwater terechtgekomen en dus een vaste factor. De gevolgen van het wegdeemsteren van de christelijke tegenbeweging veranderen weliswaar het patroon van de kiesresultaten maar niet het globale resultaat. Groen! is daarmee nog meer uitdrukkelijk de politieke vertaling van de kritische middenklasse en het bijhorende alternatieve gedachtegoed.

Binnen het Vlaamse politieke landschap viel ons de verrechtsing op en het sterke palet dat vanuit het centrum en rechts op de politieke markt wordt aangeboden. Vandaar ons pleidooi om meer oog te hebben voor die rechtse realiteit in Vlaanderen, die zich ook maatschappelijk vertaalt in een soort ‘contrareformatie’.

Langs de andere kant heeft links ook verschillende stromingen. De groen-alternatieve stroming is daar één van naast de sociaaldemocratische en oud-links. Tegenover een hegemoniemodel waarin alle linksen onder één noemer gaan schuilen, pleiten wij voor een divers palet van linkse krachten die samen vanuit een bondgenootschap, waarin iedereen gerespecteerd wordt, een tegenfront uitbouwen. Het spreekt vanzelf dat Groen! daarin een eigen onderscheiden en belangrijke rol kan en moet spelen.

Marc Heughebaert12
Redactielid Oikos en voormalig directeur van de Agalev-studiedienst

Noten
1/ Marc Heughebaert, Groen!, met de voeten op de grond. Achter de verkiezingscijfers gekeken, in Oikos, nr. 50, 3/2009; zie ook www.oikos.be.
2/ Lokaal was het Vlaams Blok al wel op een aantal plaatsen onder meer in Antwerpen doorgebroken bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988.
3/ De eerste kring was ongeveer 7% groot. Det tweede werd geraamd op 12 à 15%.
4/ Het waren gegeerde kiezers want naast Agalev aasden ook zowel de VU, de SP en de linkervleugel van de VLD op een deel van die groep.
5/ Zie voetnoot 1.
6/ Het gaat om het gemiddelde tussen de verkiezingsuitslagen voor de verschillende te verkiezen parlementen van het percentage dat Agalev/Groen! haalde ten opzichte van het totaal van het aantal stemmen uitgebracht op Nederlandstalige lijsten.
7/ 10% halen betekende dat Groen! ten opzichte van 2007 per vijf kiezers er drie moest bijwinnen.
8/ We blijven doorheen de hele tekst het Vlaams Belang als Vlaams Blok aanduiden. Dit omdat de naamsverandering na de veroordeling van de partij wegens racisme weinig wezenlijks heeft veranderd aan deze uiterst rechtse partij.
9/ Ook hier houden we het eenvoudig door steeds naar de VLD te verwijzen en niet de nieuwste naam ‘Open VLD’ te gebruiken.
10/ D66 in Nederland is het meest uitgesproken voorbeeld. Maar het links-liberalisme is blijkbaar altijd erg gevoelig geweest voor het volatiele van het links-liberale kiezerskorps met een opeenvolging van spectaculaire ups en downs als gevolg.
11/ Waarbij de laatste restant - de SLP - nu aansluiting heeft gevonden bij Groen!
12/ Dit artikel is geschreven in persoonlijke naam en werd ingeleverd op 3 januari 2010.

links - politieke breuklijnen - Groen / Groen!

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 1 (januari), pagina 48 tot 59