Abonneer Log in

Arabische Lente onder druk

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 2 (februari), pagina 57 tot 65

Met de val van de Tunesische en Egyptische dictators twee jaar geleden ontwaakte de Arabische wereld uit zijn winterslaap. In dit essay staan we stil bij de Arabische Lente en de factoren die er aan ten grondslag lagen. Nadien zoomen we in op een aantal belangrijke bedreigingen en vraagtekens op korte en middellange, maar ook lange termijn.

HET EINDE VAN DE ARABISCHE UITZONDERING

Ruim twee jaar geleden, op 17 december 2010, stak de Tunesische fruitverkoper Mohamed Bouazizi zichzelf in brand. Hiermee protesteerde hij tegen de inbeslagname van zijn handelswaren door de politie, de zoveelste vernedering op rij. Na de publieke zelfmoord van deze jongeman die geen toekomstperspectief meer zag, zou Tunesië nooit meer hetzelfde zijn. Bouazizi’s wanhoopsdaad zette een reeks van protesten in gang die ook de hoofdstad Tunis bereikten. Nog geen maand later nam de Tunesische dictator Ben Ali de wijk naar Saoudi-Arabië. De Jasmijnrevolutie was een feit.

Ondertussen hadden de manifestaties zich als een lopend vuurtje over de regio verspreid. In de eerste maanden van het jaar 2011 vonden massamanifestaties plaats in Algerije, Bahrain, Egypte, Irak, Jordanië, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Oman, Saoedi-Arabië, Syrië, Sudan, de Verenigde Arabische Emiraten, Yemen, ... Wat de betogingen gemeen hadden, was het onderwerp van ongenoegen. Stijgende voedselprijzen, werkloosheid, corruptie en een gebrek aan inspraak brachten steeds meer mensen op straat. De manifestanten riepen leuzen voor sociale rechtvaardigheid en vrijheid. In landen waar de betogingen met harde hand de kop werden ingedrukt, werd al gauw de val van het regime geëist, met wisselend resultaat.

Nochtans was het inzicht van een vorm van ‘Arabisch exceptionalisme’ lange tijd levendig.1 Dit discours werd gecultiveerd door een aantal oriëntalisten - waarvan Bernard Lewis (Princeton University) de bekendste is - en neoconservatieve ideologen. Hun vertoog, dat ook in onze contreien floreerde, hield in dat Arabieren passief en apolitiek zouden zijn. Door ‘hun cultuur’ zouden ze overgeleverd zijn aan de grillen van hun dictators, heette het. Quod non. Jonge Arabische betogers, van Tunis tot Manama, hebben in ware Intifada-stijl vakkundig afgerekend met dit slag van, ja, quasi-racistische prietpraat.

Het klopt natuurlijk wel dat de afgelopen decennia opeenvolgende democratiseringsgolven aan de Arabische wereld zijn voorbijgegaan. Het pad van de meeste Arabische landen is dat van dekolonisatie naar autocratie geweest. En het volk leek zich erbij neergelegd te hebben. Naar aanleiding van de ‘Groene Revolutie’ in Iran midden 2009 schreef de Palestijns-Libanese academicus en journalist, Rami Khoury, een stuk waarin hij het uitblijven van opstanden in de Arabische landen aan de tanende legitimiteit van de Arabische staat as such toescheef. De reactie van Arabische bevolkingen op overheidsfalen was eerder het uitbouwen en onderhouden van parallele structuren die functies ervan overnemen - zij het sociaal (bijvoorbeeld de Moslimbroederschap), zij het militair (bijvoorbeeld Hezbollah) - aldus Khoury.2 Anderhalf jaar later ontwaakten de Arabieren in ieder geval uit hun winterslaap. De Lente was aangebroken. Er werd gerevolteerd en dit niet dankzij maar ondanks de parallelle, vaak islamistische structuren.

In het jaar 2011 kwam er een abrupt einde aan het decennialange bewind van Ben Ali van Tunesië, Mubarak van Egypte, Saleh van Jemen en Khadafi van Libië. De kans dat Al-Assad van Syrië dit jaar de volgende in lijn zal zijn, wordt met de dag groter. Maar ‘revoluties’ eindigen niet bij de val van de dictator. Ze eindigen pas wanneer een overgangsproces uitmondt in een nieuw politiek en maatschappelijk weefsel. En dat vergt nu eenmaal tijd.

Er zijn ook landen die geen revolutie maar wel een evolutie gekend hebben. Marokko is hier een goed voorbeeld van. Het zag er even naar uit dat de 20 Februari Beweging het de Marokkaanse koning Mohamed VI knap lastig zou maken. Het koningshuis toonde echter blijk van tactisch vernuft, wat het volk vooralsnog op andere gedachten bracht. De grondwet werd herzien - de macht van de monarch werd enigszins ingeperkt - en verkiezingen brachten in 2011 de (koningsgezinde) islamisten van de Parti de la Justice et du Développement (PJD) aan de macht. Saoedi-Arabië daarentegen wilde van hervormingen die naam waardig niet horen. Het antwoord van het Huis van Saoed op de protesten (die in eerste instantie uit de hoek van de sjiietische minderheid kwamen) was een combinatie van repressie en zoethouderpolitiek. Om het volk te paaien werd een slordige honderd miljard dollar over het land uitgestrooid ter investering in tewerkstelling en huisvesting.

IT’S THE DEMOGRAPHY…

Stellen dat de zelfmoord van Bouazizi heeft geleid tot de omverwerping van het Tunesische regime begin 2011 zou simplistisch zijn. Gebeurtenissen als deze vallen wel vaak samen met een verschuiving van maatschappelijke tektonische platen. Ze hebben een signaalfunctie.

Bouazizi was trouwens niet de eerste die zichzelf in brand stak en zich van het leven beroofde als protest tegen de harde levensomstandigheden. Wat suïcide betreft heeft er de laatste tien jaar een onrustwekkende evolutie plaatsgevonden in de Maghreb. Een aanzienlijk aantal ‘diplomés chomeurs’ hebben het leven gelaten door zichzelf in brand te steken, of door hongerstakingen. Zelfmoord als protestvorm is nochtans vreemd aan de lokale tradities en culturen. Bovendien is het een praktijk die verboden is door de islam. Deze dramatische maatschappelijke evolutie is duidelijk een graadmeter voor de sociale malaise in heel wat Arabische samenlevingen.3

Demografie is een van de belangrijkste factoren die aan de grondslag liggen van de Arabische Lente. Hoewel het geboortecijfer in de meeste Arabische landen gedaald is ten opzichte van de jaren 1970 en 1980 zal de bevolking het komende decennium blijven toenemen. Belangrijker nog dan de bevolkingstoename in absolute cijfers is de samenstelling ervan. Cijfers van de Verenigde Naties tonen aan dat meer dan de helft van de bevolking in de Arabische wereld jonger is dan 25 jaar en dat maar liefst één op vijf personen tussen 15 en 25 jaar oud is.

In de nasleep van 9/11 wees de Amerikaanse journalist en auteur, Fareed Zakaria, op de band tussen de fenomenale jongerenaanwas in de Arabische wereld en toenemend protest in de vorm van islamisering.4 Zijn vroegere leermeester, de politicoloog Samuel Huntington, had jaren voordien al gewezen op de band tussen demografie en politiek geweld in de islamitische wereld. In The Clash of Civilizations and the remaking of the World Order (1997) schreef Huntington niet enkel discutabele zaken. Aan de hand van projecties toonde hij aan hoe in de islamitische landen het aantal personen in de leeftijdscategorie 15-24 jaar vanaf de jaren 1980 zo’n 20 procent van de bevolking begon uit te maken - wat vaak een kritische grens is gebleken. Huntington voorspelde protest, instabiliteit, hervormingen en revolutie als gevolg van de combinatie van een sterke jongerenaanwas en urbanisering.

Ondertussen weten we dat het aantal personen in de leeftijdscategorie 15-29 jaar sinds 1990 met 50% toegenomen is in Libië en Tunesië, met 65% in Egypte en met 125% in Jemen.5 Demografische groei lag trouwens ook aan de basis van de revolutionaire golfbewegingen van de 17de en 18de eeuw - van de protestantse Reformatie tot de Franse Revolutie - en van de Iraanse Revolutie van eind jaren 1970. Telkens bleek een zogenaamde ‘youth bulge’ een katalysator te zijn.6

... AND THE ECONOMY, STUPID!

Het grote probleem in de Arabische wereld zit nu net in de combinatie van een bevolking waarvan meer dan de helft jonger is dan 25 jaar met de hoogste jongerenwerkloosheidsgraad in de wereld. De Arabische wereld kent een ontploffende jonge bevolking, die in toenemende mate geschoold is, maar die na de studies enkel de werkloosheid heeft gekend. En laat nu net onderwijs en werk de variabelen zijn die het verband tussen demografie en geweld kunnen afzwakken.

De meeste Arabische landen worden gekenmerkt door een waslijst van structurele deficits. Het gaat dan over ronduit slecht fiscaal beleid, hardnekkige en wijdverbreide corruptie, een falende klassenjustitie, een zwak publiek onderwijsnet, een chronisch gebrek aan bestuurlijke vertegenwoordiging en transparantie, afnemende subsidies voor basisgoederen, slinkende budgetten voor sociaal beleid en de afbouw van publieke tewerkstellingsprogramma’s (mede door de implementatie van van buitenaf gepromote aanpassingsprogramma’s en actieplannen), ongelijkheid die hoge toppen scheert en ook niet afneemt in perioden van economische groei, een patrimoniaal systeem dat een kleine, kleptocratische minderheid in staat blijft stellen om een belangrijk deel van de welvaart af te romen, en ga zo maar door.

NIEUWE SOCIALE BEWEGINGEN SINDS HET VORIGE DECENNIUM

Uiteindelijk hebben hardnekkige onevenwichten van demografische, economische en politieke aard de fundamenten ondermijnd waarop de gevallen regimes waren gebouwd. Het protest is trouwens ook niet begonnen in Sidi Bouzid, de stad van Mohamed Bouazizi, maar met sociale bewegingen die vanaf midden jaren 2000 steeds actiever werden en hoe langer hoe meer de autocraten in vraag durfden te stellen.

Tijdens het vorige decennium namen lokale protesten tegen de stijging van de levensduurte, slechte arbeidsomstandigheden en toenemende werkloosheid toe in Marokko, Tunesië, Algerije en Egypte. In Egypte organiseerden vanaf 2004 heel wat jonge Egyptenaren zich in de protestbeweging Kefaya (Genoeg) die wantoestanden allerhande aan de kaak stelde. In 2008 zag een andere beweging het licht in Egypte. De 6 April Beweging formuleerde economische en politieke eisen. Een nieuwe generatie geschoolde jongeren ijverde voor een einde aan de corruptie en voor burgerlijke, politieke en economische rechten.

Mede dankzij handig gebruik van het internet - blogs, videokanalen (YouTube en DailyMotion) en sociale media (Twitter en Facebook) - en mobiele telefonie kregen ze hun boodschap, ondanks online censuur, maar ook vervolgingen, steeds meer verspreid. Mondiale tv-zenders zoals Al Jazeera en CNN pikten steeds meer van deze berichten en beelden op. Onderzoek heeft aangetoond dat sociale media zoals Facebook en Twitter belangrijke facilitatoren waren voor de opstanden. Op basis van dataonderzoek werden verbanden gevonden tussen de intensiteit van gebruik van sociale media en evenementen op het terrein.7

OVER REVOLUTIES EN DEMOCRATISERING

Waarom zijn de dictators van Tunesië, Egypte, Jemen en Libië wel hun einde tegemoet getreden maar is het verhoopte domino-effect niet gerealiseerd? Dat heeft te maken met een aantal voorwaarden die gelijktijdig vervuld moeten worden vooraleer een opstand kan uitmonden in een revolutie. Jack Goldstone, een toonaangevende expert ter zake, heeft vier criteria afgebakend.Ten eerste moet de bevolking de regering als een echt gevaar voor de toekomst van het land ervaren. Verder moeten de belangen van de (militaire) elite afwijken van die van het regime. Ten derde moet een meerderheid van de bevolking - over sociale klassen, volkeren en religies heen - gemobiliseerd kunnen worden. Tot slot is er de ‘ondersteunende rol’ die internationale grootmachten al dan niet spelen.8

De niet-invulling van deze criteria maakte dat de protesten en opstanden in landen zoals Bahrein of Jordanië gestrand zijn. Zelfs in Syrië, waar de manifestaties en protesten uitgemond zijn in een nietsontziende burgeroorlog - in een ronduit heilige oorlog voor heel wat salafistische rebellen - is er geen zicht op een revolutie die naam waardig. Hoewel de waarschijnlijkheid van een post-Assadtijdperk in 2013 groter dan ooit is, is het net omwille van het sektarische karakter van deze opstand, en de tegenstrijdige belangen van internationale en regionale grootmachten, dat elke uitkomst alles zal zijn behalve een revolutie.

Bovendien betekent een verschuiving wég van de dictatuur niet per se dat men in de richting van de democratie opschuift. Meer, de laatste jaren lijken mengvormen eerder regel dan uitzondering te worden. Niet in het minst door het relatieve succes van het ‘Chinese model’.

Een aantal politicologen van de Universiteit van Amsterdam heeft in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een uitstekend rapport geschreven waarin onder meer de tegenstelling democratie/dictatuur wordt doorprikt. Binnen het kader van dit stuk geven we enkel mee dat er wordt vastgesteld dat nogal wat autoritaire regimes wel degelijk liberale en sociale recepten invoeren maar hierdoor niet per definitie democratisch worden. Het kan louter een overlevingsstrategie zijn en dus de alleenheerschappij in vrijere vorm verderzetten. Soms kan het de greep van een regime zelfs versterken. Door bijvoorbeeld oppositiepartijen of het maatschappelijk middenveld in het beleid te betrekken, kunnen deze in de agenda van het regime ingeschakeld worden of het regime (meer) legitimiteit verschaffen. Kortom, niemand is in staat te garanderen dat (liberale) democratie de uitkomst zal zijn van de Arabische Lente.9

Libië en Jemen, tribale landen par excellence, staan voor een lang proces van staats- én natievorming. Het zal zelfs allesbehalve makkelijk zijn om de openbare orde te handhaven. Milities, jihadisten, afscheidingsbewegingen maar ook criminele organisaties zullen de centrale overheid steeds meer uitdagen. Egypte zal mede dankzij de nieuwe grondwet verder geleid worden door een tweekoppig monster bestaande uit het leger en de Moslimbroederschap. Hoewel het land een aantal democratische procedures verankert, wil dat nog niet zeggen dat er sprake zal zijn van democratische uitkomsten - de islamisten hebben een absolute meerderheid in het parlement. Ook hangt het er maar vanaf waar je de lat legt. Het verhoopte ‘Turkse model’ in Egypte lijkt nog ver weg. Misschien mogen we al blij zijn als Egypte er op middellange termijn in slaagt om een liberale autocratie à la marocaine te worden.

Ondanks de enorme sociale en economische uitdagingen lijkt Tunesië de grootste slaagkansen te hebben om daadwerkelijk de omslag te maken naar een liberale democratie. Het is een relatief klein land, met een geschoolde bevolking en een seculier geheugen. Om het met een boutade te zeggen: als het in Tunesië niet lukt, dan lukt het nergens.

Er zijn echter twee factoren die het proces dat de Arabische Lente is een zware slag kunnen toebrengen. Het gaat over de dreiging die uitgaat van het gewelddadige salafisme en het gevaar van burgeroorlogen, of een regionale oorlog.

DE DREIGING VAN HET GEWELDDADIGE SALAFISME

De Arabische Lente staat nog maar net voor de deur en daar is de ‘islamitische zomer’ al: het zal niemand ontgaan zijn hoe islamistische bewegingen annex partijen na de val van de regimes het politieke vacuüm, via democratische weg, hebben opgevuld. Kijken we maar naar Ennahda in Tunesië en de Moslimbroederschap in Egypte. Men zou kunnen zeggen dat de cirkel stilaan rond is. De klassieke islamiseringspolitiek van onderuit kan voortaan aangevuld worden met die van bovenaf. Het wordt uitkijken hoe de Moslimbroeders hun gekende slogan ‘de islam is de oplossing’ in de praktijk zullen realiseren.

De jongeren die de Lente hebben doen ontluiken, zijn er vooralsnog de grote verliezers van. Dit hebben ze deels aan zichzelf te danken. De uit het paleis verbannen neef van de Marokkaanse koning, Hicham Ben Abdallah Al-Alaoui, een zakenman maar ook onderzoeker aan Stanford University, maakte in Le Monde Diplomatique een pertinente opmerking ter zake: ‘Aujourd’hui, pourtant, cette jeunesse se retrouve marginalisée en Tunisie, en Libye et en Egypte, et avec elle sa vision de l’avenir plus séculière et démocratique, parce qu’elle a échoué à construire un front politique cohérent lorsque les régimes autoritaires qu’elle combattait se sont effondrés. (...) En privilégiant la rue comme espace d’expression politique, en se focalisant sur la protestation directe et spontanée au détriment des voies plus tièdes et structurées de la politique électorale, les jeunes révolutionnaires se sont privés de tout pouvoir et de toute représentation dans les nouvelles institutions démocratiques comme les parlements et les conseils populaires’.10

De progressieve jeugd die aan de basis lag van de Arabische Lente raakte politiek gemarginaliseerd. Ze dreigt nu geplet te worden tussen de hamer van de islamisten in maatpak in de regeringen en parlementen en het aambeeld van islamisten in volkswijken die intimidatie en geweld niet schuwen. De ontwikkelingen op het terrein zijn allesbehalve hoopgevend. Enerzijds tastten de Moslimbroeders en de hunnen de grenzen van de politieke macht af. Anderzijds voelen verschillende orthodoxe en sektarische islamitische stromingen zich sinds de val van de dictators, en de machtsovername door islamitische partijen, als een vis in het water. Vooral de salafisten laten van zich horen. Ze zien een kans om de droom van een islamitische samenleving te vervullen met een bestuur dat Gods wetten op aarde implementeert.

De term salafisme verwijst naar de salaf, de rechtschapen voorouders, waarmee de eerste generaties moslims worden bedoeld: de profeet Mohammed en zijn metgezellen, en de twee generaties moslims die daarop volgden. De ideeën en levenswijze van de eerste eeuw van de islam zijn dus het na te streven ideaal. Bij het salafisme staat de Tawhid (de Eenheid van God) centraal. Dit staat voor het monotheïsme en voor de onderwerping aan God - en God alleen. Het salafisme bestaat uit grofweg drie oriëntaties: naast de vrome, eerder teruggetrokken salafisten zijn er militante maar ook jihadistische salafisten.

Heel wat voordien discrete salafisten zijn nu ronduit militante salafisten geworden. Ze proberen hun moraal op te leggen aan anderen in het publieke domein. Niet-gesluierde vrouwen, studenten, artiesten, holebi’s, seculieren en christenen worden vaker geïntimideerd en aangerand. Betogingen aan en zelfs aanvallen op cultuurcentra, universiteiten, bioscopen, televisiestudio’s... zijn toegenomen. In Egypte riep de woordvoerder van de salafistische beweging, Abdel Moneim Al-Shahat, zelfs op om de piramides van Gizeh te vernietigen wegens ‘afgoderij’. Alsof dat niet genoeg is, knijpen de nieuwe autoriteiten een oogje dicht om de eigen ‘rechterflank’ ter wille te zijn. Meer, salafisten worden bij momenten ingezet om politieke of maatschappelijke tegenstanders te intimideren.

Daarnaast zijn een aanzienlijk aantal militante salafisten nu jihadistische salafisten geworden. Ze hebben bijvoorbeeld de aanvallen op de Amerikaanse ambassades in Bengazi alsook de recente gijzelingsactie op het Algerijnse gascomplex in Amenas op hun conto. (Ook werd in Tunesië op 6 februari jl. de linkse oppositieleider Shokri Belaid vermoord. Ofschoon de moordenaars bij het ter perse gaan van dit stuk niet gekend zijn, zou het gezien de oplopende spanningen in dat land niet onlogisch zijn als ideologische tegenstanders in islamitische kringen achter de aanslag zaten.)
Heel wat jihadistische salafisten vechten op dit eigenste moment een heilige oorlog in Syrië en Mali. Het spreekt haast voor zich dat de overlevenden bij hun terugkeer zich niet zomaar terug in de samenleving zullen integreren. Ook roeren hier en daar zogenaamde ‘takfiristen’ zich. Deze extremisten behouden zich het recht voor om moslims die niet naar hun smaak de islamitische voorschriften volgen als een legitiem doelwit te zien.

Hierbij dient wel vermeld te worden dat nogal wat vrome, ‘mainstream’ salafisten ideologisch vijandig staan ten opzichte van de jihadisten en takfiristen. Ze beschouwen hen als ‘ghawaridj’, een sekte, die zich buiten de geloofsgemeenschap zet omdat ze voor ‘fitna’ of onrust zorgt.

DE KANS OP (BURGER)OORLOGEN IS NIET ONBESTAANDE

De kans dat jihadistische salafisten in een gewapend conflict verzeild zouden raken met hun respectievelijke regering in pakweg Tunesië of Egypte is klein, maar niet onbestaande. Het zou een worst case scenario zijn: islamisten aan de macht en salafistische rebellen die terreur zaaien omdat de samenleving en de staat volgens hen niet naar de letter van de Koran handelen.

In de regio zijn verder twee belangrijke breuklijnen: de sjiietisch-soennitische en de Arabisch-Israëlische breuklijn. De kans op een interstatelijke, regionale oorlog is ook niet uit te sluiten. Zowel een verschuiving van de sjiietische-soennitische als van de Arabisch-Israëlische breuklijn zouden de regio in een oorlog kunnen storten.

De Syrische burgeroorlog, en de betrokkenheid van regionale en internationale grootmachten, is (naast het Iraanse kerndossier, natuurlijk) de actuele incarnatie van het sjiietisch-soennitisch treffen. Het ‘sjiietische kamp’ bestaat uit het regime van Bachar Al Assad, Hezbollah (Libanon), Iran en Rusland. Het ‘soennitische kamp’ bestaat uit de Syrische oppositie en de rebellen (waaronder de jihadisten), Turkije, de Golfstaten en de VS (maar ook de NAVO, en in zekere zin ook Israël). Een plotse en ingrijpende wijziging van de machtbalans tussen de rebellen en het regime in Syrië - vooral indien buitenlandse steun, van welk kamp dan ook, de doorslag zou geven in de verschuiving - zou het conflict kunnen doen overlopen en opflakkeren in de bredere regio.

Daarnaast blijft ook het Israëlisch-Palestijns conflict de gemoederen beroeren. Hoewel Palestina eind vorig jaar erkend is als waarnemerstaat in de VN maakt deze opwaardering tot ‘staat’ van Palestina allesbehalve een soeverein land. Palestina is vandaag een verzameling van enclaves die politiek en economisch afhankelijk zijn van Israël. En Israël lijkt ondanks wereldwijd protest allesbehalve van plan haar greep op Palestijns territorium te lossen. Integendeel.

Ingrijpende unilaterale stappen door Israël in de vorm van de annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever of van Oost-Jeruzalem, de deportatie van een aanzienlijk aantal Palestijnen uit Israël of de bezette gebieden, of een langdurige oorlog tegen Hamas in Gaza zouden naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een derde Intifada. En een derde Intifada zou de eerste Arabisch-Israëlische oorlog sinds 1967 ook niet helemaal meer ondenkbaar maken.

Voor alle duidelijkheid, geen enkel Arabisch land heeft belang bij een oorlog met Israël (tenzij het Syrië van Al-Assad in een ultieme wanhoops­poging). De Egyptische Moslimbroederschap speelde zelfs een constructieve rol in het zoeken naar een staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas (de Palestijnse afsplitsing van de Moslimbroeders) eind vorig jaar. Bovendien heeft Morsi laten weten dat hij het vredesverdrag met Israël uit 1979 wenst te respecteren (hoewel hij een bijlage ervan zou willen updaten). Een Arabisch-Israëlische oorlog zou er allicht enkel kunnen komen, en ja, bijna ‘onvermijdelijk’ worden indien Israël zich aan de Palestijnen zou vergrijpen zoals het in 1948 deed.

EEN ONZEKERE TOEKOMST

Het is uiteraard erg moeilijk om te voorspellen wat de toekomst voor de Arabische wereld in petto heeft. Het ziet er echter niet naar uit dat de druk op de Arabische Lente tijdens de huidige overgangsfase zal afnemen. De uitdagingen op sociaal, economisch en veiligheidsvlak zijn groot. Maar wat met de lange termijn?

Zullen islamisten gesocialiseerd geraken in het democratische spel? Zal de islam terugtrekken naar de hoofden van gelovigen en gebedsplaatsen of blijft deze oprukken in de wetgeving en het publieke leven? Zullen de Arabische landen erin slagen om hun economie, onderwijs en arbeidsmarkt te ontwikkelen om zo de jongeren een toekomstperspectief (in eigen land) te bieden? Zal men rekening houden met een sterke toekomstige vergrijzingsgolf? Zal de langverwachte economische integratie met de Europese Unie een feit worden? Zullen de steenrijke petromonarchieën in staat zijn om overeind te blijven in een wijzigende energiemarkt door de schalierevolutie? Zal de terreurgolf uitdoven? Zal het Midden-Oosten meegezogen worden in een nucleaire race? Zal Israël in staat blijken om te blijven bestaan bij het uitblijven van een staat voor de Palestijnen? De vragen zijn legio, de antwoorden jammer genoeg niet.

Bilal Benyaich
Als vrijwillig wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de VUB en auteur van Europa, Israël en de Palestijnen.

Noten
1/ Voor een uitgebreide analyse van het zogenaamde ‘Arab exceptionalism’, oftewel ‘Middle Eastern exceptionalism’, zie: Aarts P. e.a., From Resilience to Revolt. Making sense of the Arab spring, University of Amsterdam, 2012, 117 p.
2/ Khoury R., Why Do Arabs Not Revolt, 29 juni 2009. Te vinden op: http://www.agenceglobal.com/index.php?show=article&Tid=2046.
3/ Voor meer informatie over zelfmoord in Marokko, zie: Vermeren P., Le Maroc de Mohamed VI. La transition inachevée, Editions La Découverte, Parijs, 2009, pp. 249-253.
4/ Zakaria F., The Politics of Rage: Why Do They Hate Us?, 15 oktober 2001, Newsweek Magazine.
5/ Goldstone J., Understanding the Revolutions of 2011. Weakness and Resilience in Middle Eastern Autocracies, Foreign Affairs, mei-juni 2011, vol. 90, n°3, 8 p.
6/ Goldstone J., Revolution and Rebellion in the Early Modern World, University of California Press, 1991, 608 p.
7/ Howard P. e.a., Opening closed regimes. What was the role of social media during the Arab Spring?, Working Paper 2011.1, Project on Information Technology & Political Islam., 30 p. www.pITPI.org.
8/ Goldstone J., 2011.
9/ Zie voor een uitgebreide bespreking van de Arabische Lente in het kader van democratiseringstheorieën het uitstekende rapport van Aarts P. e.a., 2012.
10/ Ben Abdallah El-Alaouie H., Monarchies arabes, la prochaine cible?, Le Monde Diplomatique, januari 2013, pp. 8-9.

democratie - Palestina - Arabische Lente

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 2 (februari), pagina 57 tot 65