Log in

'Europa 2050. Visies voor een betere toekomst'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 76 tot 78

Europa 2050. Visies voor een betere toekomst

Saïd El Khadraoui (red.)
Houtekiet, Antwerpen, 2013

Het was een verstandige aanpak van Europarlementslid Saïd El Khadraoui. Gokken over de onmiddellijke toekomst van de Europese Unie, wie zou het durven? De crisis heeft diepe wonden geslagen, niet enkel in de economie. We hebben vandaag te maken met een ernstige sociale, politieke en ecologische crisis. Zoals hij zelf stelt in zijn inleiding, heerst er een vertrouwenscrisis in alle politieke instellingen, nationaal zowel als Europees. De welvaartsstaat brokkelt af, de sociale zekerheid wordt gestaag afgebouwd, de publieke investeringen krimpen. Wie zou hem durven tegenspreken? Met Europese verkiezingen over zes maanden zou het niet verstandig zijn om te voorspellen wat er dan moet gaan gebeuren.
El Khadraoui wil daarom verder kijken en opent de horizon 2050. De termijn is lang genoeg om te vermoeden dat, mocht er een ernstige crisis ontstaan - zoals Jan de Zutter die kort omschrijft -, die tegen dan ook voorbij zal zijn. Kortom, voor de lange termijn mogen we weer dromen, mogen we weer nadenken over wat we echt zouden willen en over wat wijzelf en de rest van de wereld nodig hebben.

Het opzet is zeker geslaagd. El Khadraoui liet een bonte groep van mannen, enkele vrouwen en een jongere hun visie uitschrijven. Het is bijzonder interessant om die bloemlezing grondig door te nemen en te zien wat mensen beweegt. Zelf ziet hij in de verscheidenheid van antwoorden één rode draad: de bezorgdheid over het democratisch deficit in de EU, de remmende invloed van de lidstaten op het Europese beleid, de tegenstelling tussen nationale belangen en een algemeen Europees belang, de wankele architectuur van de EU en het gebrek aan echt burgerschap en demos. Het belangrijkste lijkt me de vaststelling dat zonder de EU de Europeanen in een gevaarlijk avontuur kunnen worden gestort dat enkel slecht kan aflopen. Kortom, in dit boek wordt gepleit voor meer en betere Europese samenwerking. Gelukkig maar.

De diverse auteurs blijven echter niet blind voor de vele problemen die er zijn. Op het niveau van de Europese Unie zelf geven Martin Schulz, voorzitter van het Europees Parlement, en Hannes Swoboda, voorzitter van de socialistische fractie in het EP, goed aan waar het schoentje wringt. ‘Europa ligt aan diggelen’, aldus Swoboda (p.40). Dat is ooit anders geweest en het besef dat de politiek ‘pathologisch zwak’ staat (p. 12), dat de democratische legitimiteit is verloren gegaan (p. 15) en dat er dringend nood is aan een ‘sociaal Europa’ is daarom zeer welkom. Martin Schulz pleit er m.i. terecht voor niet enkel te kijken naar wat de concrete voordelen van Europese integratie en sociaal beleid kunnen zijn, maar ook naar de belangrijke waarden die nog steeds in ons bewustzijn zijn opgeslagen om ze weer hardop te gaan verdedigen. De waarden van vrede en veiligheid zijn niet langer voldoende voor de Europese Unie, zo zegt hij, ‘in het vuur van echte confrontatie en debat’ moeten we werken aan meer gelijkheid, aan meer democratie, aan een nieuwe sociale bescherming, aan burgerrechten en aan een groene economie. Er is een nieuw sociaal pact op Europees niveau nodig, zo voegt El Khadraoui er aan toe (p. 21).
Frank Vandenbroucke gaat verder in op dat ‘sociale Europa’ en hamert er op dat we de twee mooiste politieke projecten van de 20ste eeuw met elkaar moeten zien te verzoenen: de nationale welvaartsstaten en de Europese Unie. Je kan geen muntunie overeind houden zonder consensus over de grondslagen van het sociale model, zo legt hij uit. We hebben ook geen gelijkschakeling van onze sociale stelsels nodig, maar wel een convergentie rond de essentiële kenmerken ervan. Daarover zal het debat moeten gaan. Voor Vandenbroucke moet wederkerigheid er een centrale plaats in nemen, als bindmiddel tussen mensen.
Paul Magnette wijst op de belangrijke rol die de EU in de wereld moet en kan spelen, waarvoor de spelregels wel moeten veranderen. Er is een unieke vertegenwoordiging nodig in de VN en de G20 bijvoorbeeld, maar de huidige ‘grootmachten’ (Frankrijk en het VK) staan er nog niet voor open. Het beleid moet worden gemondialiseerd (p. 51), zo stelt hij.
Rik Pinxten trekt het nog meer open. ‘We moeten nu maar eens beseffen dat we wereldwijd onderling van elkaar afhankelijk zijn’. Mondiaal denken, lokaal ageren, blijft zijn motto. De zelfredzaamheid van mensen moet verbeteren en dat kan met lokale initiatieven.
Aan een echt toekomstbeeld waagt enkel Jan de Zutter zich. Doordat we te laat met de transitie zijn begonnen, heeft vooral de klimaatcrisis erg veel leed veroorzaakt. In 2050 is dat wel achter de rug, maar de wereld ziet er geheel anders uit. De Europese Unie is gesplitst in Noord en Zuid. Het zuiden van Europa lijkt nu op Noord-Afrika. In Azië is een groot deel van het land onder het water verdwenen. Nieuwe technologische ontwikkelingen, en vooral de nanotechnologie, hebben echter veel weten op te lossen. Het leven is goed, maar heel anders. Mensen kweken hun groenten zelf, eten minder vlees en wonen met één generatie in één woning. De sociale zekerheid stortte in en er kwamen sociale munten in de plaats. Ook Neelie Kroes, Koenraad Debackere en Gilbert Declerck verwachten veel heil van digitalisering en innovatie.

Al bij al zijn de standpunten vrij positief, misschien iets té positief. Want alle ‘politieke’ auteurs wijzen op de enorme politieke zwakte van dit ogenblik. Er is progressief leiderschap nodig, zo stelt Massimo d’Alema. Jazeker, maar waar is het? De kans is ook klein dat de komende verkiezingen een grote overwinning voor links zal brengen. Wat zal er gebeuren als er een sterke anti-EU fractie in het Europees Parlement komt? Hoe groot zal de lokroep zijn om met die antistemming mee te lopen, zoals nu soms al het geval is met problemen van migratie en integratie?
Men kan alleen maar instemmen met de auteurs die pleiten voor een politisering van de EU en voor meer internationalisme in plaats van multinationalisme. Ondertussen moeten we wel ons hart vasthouden en hopen dat de nieuwe Duitse regering, het nieuwe Europees Parlement en de nieuwe Europese Commissie van 2014 een beleid zullen voeren dat meer kansen biedt om de toekomst waar te maken die in dit boek wordt vooropgesteld. ‘Elke Europese crisis eindigt in meer Europa, nooit in minder’, zegt baron Frans van Daele erg optimistisch. Afwachten toch maar.

El Khadraoui heeft m.i. wel één steek laten vallen. De vakbonden komen niet aan bod in zijn boek, met uitzondering van Mikael Sommer die vanuit de Duitse DGB een Europees Marshallplan verdedigt. Dat is goed. Maar El Khadraoui weet natuurlijk dat het arbeidsrecht al zwaar werd aangepakt in de huidige crisis en dat de werknemers momenteel een erg zware prijs betalen voor de redding van de banken. Zonder steun van de werkende klasse kan de Europese Unie nooit een democratisch participatief en politiek project worden, zoals toch wordt gevraagd. In het perspectief van Jan de Zutter dat een geheel nieuwe wereld in het vooruitzicht stelt, is de tegenstelling tussen arm en rijk nochtans niet verdwenen. Er is dus nog werk aan de winkel.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 76 tot 78