Log in

Het manke concurrentiepact van Kris Peeters

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 37

De tsunami aan onheilspellende berichten over de stand van het land vanuit werkgevershoek neemt stilaan ongeziene proporties aan. Systematisch wordt de druk op de Vlaamse regering opgevoerd; het debat concentreert zich daarbij slechts op één thema: de overdreven hoge loonkosten. Omdat Vlaanderen daarover echter geen bevoegdheid heeft, zouden de verschillende regeringen van dit land op aansturen van Kris Peeters begin juni samen werk maken van een concurrentiepact, waarbij een structurele loonlastenverlaging de rode draad zou zijn. Bij zowel de uitgangspunten als de concrete voorstellen die vandaag op tafel liggen, kunnen een aantal fundamentele bedenkingen worden gemaakt. Neen, beste minister-president, we gaan ons niet uit de crisis exporteren door de loonkosten te verlagen.

CONCURRENTIEPROBLEMATIEK IS MEER DAN LOONKOSTENPROBLEEM

Op 17 juli kopte De Tijd ‘Loonkloofrapport wakkert ruzie nog aan’. Aanleiding was niet zozeer de publicatie, maar wel de verschillende interpretaties van het rapport van de expertencommissie die in opdracht van de federale regering de loonhandicap van ons land ten opzichte van de buurlanden in kaart moest brengen.

Zonder in een welles-nietes discussie te verzanden over de omvang van het cijfer (want dat is waar het vervolgens op uitdraaide), moet hierbij wél opgemerkt worden dat wie een vergelijking wil maken op het vlak van loonkosten, rekening moet houden met drie essentiële factoren: met wie vergelijken we?; op basis van wat vergelijken we?; en vooral, wat is het aandeel van de loonkost in het Belgische concurrentievermogen?

Met wie vergelijken we?

De vraag naar het ijkpunt van de vergelijking van de loonkosten is duidelijk: traditioneel vergelijken we de evolutie van onze lonen met Frankrijk, Nederland en Duitsland. We doen dit sinds de wet van 1996 toen de ‘loonnorm’ werd ingevoerd. Zo luidde dus ook de opdracht aan de expertencommissie. Door een gewogen gemiddelde te nemen van de loonevolutie van deze buurlanden wordt de loonontsporing in België gemeten. Wanneer we dit cijfer voor de verschillende landen echter uitgesplitst bekijken, blijkt dat de evolutie van de loonkosten vanaf 1996 tot 2009 gelijke tred houdt met de ontwikkelingen in Frankrijk en Nederland en dat de ontsporing zich in de eerste plaats ten opzichte van Duitsland situeert.1
De eerste vraag is dan ook of Duitsland, en het aldaar gevoerde loonmatigingsbeleid, per se het te volgen voorbeeld is. De desastreuze sociale gevolgen van het Duitse beleid zijn legio. Meer dan 7,5 miljoen Duitsers werken in het regime van de mini-jobs, waarbij ze minder dan 450 euro per maand verdienen én buiten het systeem van de sociale zekerheid vallen. Bovendien is over een periode van 15 jaar het arbeidsvolume in Duitsland maar met 1% gestegen, tegenover 15% in België, waarbij het hier over jobs gaat waar een degelijke sociale bescherming tegenover staat.
Ondertussen maakte ook de Europese Commissie Duitsland duidelijk om werk te maken van een transitie van mini-jobs naar meer stabiele vormen van contracten, waarbij werd opgemerkt dat de lonen niet mee waren gestegen met de productiviteit van de werknemers.2
En ten slotte is er nog de OESO die in een studie over de groeiverwachtingen van zijn lidstaten met het verrassende resultaat naar buiten kwam waarbij ons land de komende 45 jaar dubbel zo snel zou groeien dan Duitsland en het beter doet dan al onze buurlanden. Sterker nog, Duitsland zou volgens de studie het slechtste resultaat van alle 34 lidstaten optekenen, waarbij de vergrijzing, de afhankelijkheid van export, de lage productiviteit en het loonmatigingsbeleid als voornaamste oorzaken werden aangehaald.3 België heeft een vergrijzende bevolking en een van export afhankelijke economie gemeen met Duitsland; het bevestigt het belang van de twee andere factoren die de OESO als verklarend aanduidt voor toekomstige groei.

Op basis van wat vergelijken we?

De tweede vraag die we ons dan ook moeten stellen wanneer we het over de vergelijking van de loonkosten hebben, is welke elementen we al dan niet betrekken in de berekening ervan. Zo is er in de eerste plaats de factor productiviteit. Die is essentieel voor de berekening van de arbeidskosten, maar toch wordt er in de wet van 1996 geen melding gemaakt van de evolutie van de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur.4 Wanneer we de productiviteit wel mee in rekening willen nemen, moet een vergelijking gemaakt worden van de ‘Unit Labour Costs’ (ULC), de gemiddelde arbeidskost per eenheid product zeg maar. Uit het recente scorebord van de Europese Commissie blijkt dat over de afgelopen tien jaar de arbeidskosten in België met 20% zijn gestegen. Dat cijfer is vergelijkbaar met Nederland en Frankrijk; de gemiddelde stijging in de eurozone bedraagt 26,4%. Het is echter opnieuw de vergelijking met Duitsland die opvalt: daar zijn de arbeidskosten de afgelopen tien jaar slechts met 5,5% gestegen.5 Dit verklaart dan ook de hierboven beschreven aanbevelingen van de Europese Commissie aan Berlijn.
Vervolgens is het uiteraard ook van belang de verschillende loonsubsidies te betrekken in de berekening van de loonkosten, aangezien zij de loonkost voor de ondernemingen verlagen. Dit maakt de vergelijking er niet gemakkelijker op, gezien loonsubsidies zeer landenspecifiek zijn. In België maken zij bijvoorbeeld 5,3% van de loonmassa in de verwerkende nijverheid uit. Sinds de invoering van de loonnorm zijn ze ook spectaculair gestegen: van 1,325 miljoen euro in 1996 tot 10,540 miljoen euro in 2012. Hierover is het expertenrapport dan ook zeer duidelijk: indien rekening wordt gehouden met de loonsubsidies bedraagt het loonverschil met de buurlanden 0,55%, indien er geen rekening mee gehouden wordt 5,1%.6

Wat is het aandeel van de loonkost?

Ten slotte lijkt het ons waardevol dat in een politieke constellatie waarbij alle heil wordt gezocht in een structurele loonlastenverlaging ter verbetering van het concurrentievermogen ook wordt stilgestaan bij de verschillende determinanten van de concurrentiepositie van een land. Zijn het effectief de (te hoge?) loonkosten die ervoor zorgen dat een open economie als de Belgische internationaal marktaandeel verliest? En zullen we ons effectief uit de crisis kunnen exporteren door, in het verlengde van de werkgeverseisen, de lonen over alle sectoren heen structureel te verlagen?
Los van de (politieke) conclusies die er uit getrokken worden, is de diepgaande evaluatie die de Europese Commissie van de Belgische economie in dit verband maakte interessante lectuur. Hierin wordt onder andere gesteld dat België exportmarktaandeel verliest en dat dit enkel geldt voor de uitvoer van goederen (de uitvoer van diensten neemt toe, maar onvoldoende om de terugvallende goederenexport volledig te compenseren). Uit het feit dat België echter al van voor het uitbreken van de crisis terrein begon te verliezen op de internationale goederenmarkten ten opzichte van zijn buurlanden, trekt de Europese Commissie de conclusie dat er naast kostenconcurrentievermogen ook andere elementen moeten hebben meegespeeld.7
Dit werd overigens enkele maanden voordien al vastgesteld in een onderzoek naar het concurrentievermogen van België, uitgevoerd door het federaal Planbureau. In dat rapport lezen we dat er in België inderdaad acties nodig zijn op het vlak van de loonkosten, maar dat kostenconcurrentie (waarbij het overigens niet alleen over loonkosten, maar ook over andere kosten gaat, zoals de in België zeer hoge energiekost) slechts voor een derde verantwoordelijk is voor de structurele achteruitgang van het Belgische concurrentievermogen. Het overgrote deel van deze achteruitgang wordt namelijk verklaard door de oriëntaties van onze export, zowel wat betreft geografische locatie als wat betreft types productmarkten.8 Zo zou de Belgische uitvoer te veel gericht zijn op de traag groeiende EU-markt, en te weinig op de groeimarkten die de wereldhandel doorheen de crisis overeind hielden. Bovendien bestaat onze uitvoer voor het grootste deel uit halffabricaten met weinig toegevoegde waarde die gemakkelijk vervangbaar en bijgevolg prijsgevoeliger zijn dan kapitaalgoederen.9
Slechts een beperkt aandeel van de uitvoer van industrieproducten heeft nog een hightech karakter. Het wijst op een specialisatie van de Belgische economie in onvoldoende innovatieve activiteiten. Het wijst ook op de onderspecialisatie in uiterst innovatieve activiteiten zoals de productie van informatie-en communicatietechnologieën. Een heroriëntering van de uitvoer op moeilijker na te maken, hoogwaardige producten is daarom essentieel om de Belgische industrie minder kwetsbaar te maken voor internationale prijsconcurrentie.10

Samengevat is het verlies van exportmarktaandelen en concurrentievermogen van België dus voor slechts een derde toe te schrijven aan de loonkosten, en voor twee derde aan de geografische oriëntatie van onze export en onze specialisatie in midden- en laagtechnologische producten. Dit zou inderdaad een alarmbelletje moeten doen afgaan. De nood aan een relancebeleid om de Belgische economie, en de industrie in het bijzonder, terug aan te zwengelen is zelden zo groot geweest. Willen we ons mannetje kunnen staan in een competitieve wereldeconomie zal echter meer nodig zijn dan het structureel verlagen van de kosten voor ondernemingen.

EEN RELANCEBELEID IS MEER DAN EEN LOONKOSTENBELEID ALLEEN

Nog los van het vraagstuk waar de financiering ervan moet worden gevonden (UNIZO had het in een persbericht over minstens 7 miljard euro11), kan men zich afvragen of het al dan niet verstandig is om, zoals uit werkgevershoek wordt voorgesteld, alle heil te zoeken in het goedkoper maken van arbeid ter bevordering van ons concurrentievermogen. Onze stijgende loonkost is namelijk, zoals hierboven beschreven, voor een groot stuk te verklaren door de zwakke groei van de productiviteit binnen onze bedrijven. Uit internationale vergelijkingen blijkt dat België tot de EU-top behoort wat productiviteit betreft, maar dat het qua productiviteitsgroei een van de slechtst presterende landen is.12 Een stijging van de productiviteit is echter cruciaal willen we onze welvaart op peil houden. En die stijging kunnen we enkel bereiken door te investeren in efficiëntieverbeteringen en product- en procesinnovatie.

Het laatste ‘Innovation Union Scoreboard’ van de Europese Commissie legt dan ook de vinger op de wonde: België is een innovatie-volger geworden. Ondanks de verschillende troeven die we hebben (onze excellente onderzoeksinstellingen, hoogopgeleide en productieve werknemers en gunstig ondernemersklimaat), zijn we een gemiddelde leerling van de West-Europese klas geworden. De beleidsaanbevelingen die voor België naar voor worden geschoven luiden dan ook: investeren in infrastructuur, innovatie en menselijk kapitaal.13

Dit wordt ook bevestigd door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, die in haar maandelijkse Sociaal Economische Nieuwsbrief een ‘proactieve strategie voor re-industrialisatie’ presenteert. Hierin lezen we dat de specialisatie in medium skilled goederen en medium-innovatieve sectoren een van de voornaamste knelpunten is, en dat de uitdaging voor België er dan ook in bestaat om de transitie naar een meer kennisintensieve economie te versnellen, waarbij innovatie hét sleutelwoord is.14
Met andere woorden, niet de loonkosten maar de capaciteit om te innoveren: dat zou centraal moeten staan in een structurele hervorming van de economie.

GERICHTE LOONLASTENVERLAGINGEN

Dit betekent niet dat in het kader van een groeipact sleutelen aan de loonkosten volledig uit den boze is. In een strategie om de tewerkstelling te bevorderen, kan het verlagen van de arbeidskost inderdaad een hefboom betekenen. Om een maximale impact te hebben is het hierbij noodzakelijk om gericht te werk te gaan, en de maatregelen te richten op specifieke doelgroepen die moeilijk toegang vinden tot de arbeidsmarkt, zoals jongeren en laaggeschoolden bijvoorbeeld.15 Want wat betekent groei als steeds dezelfde groepen achterblijven en de dualiteit op de arbeidsmarkt toeneemt?

In augustus 2013 tellen we in Vlaanderen 61.246 jongeren in de werkloosheidscijfers. Dit betekent dat meer dan een kwart van het totaal aantal werkzoekenden jonger is dan 25 jaar. Van deze groep is 44% laaggeschoold, 36% middengeschoold en 20% hooggeschoold.16 Als we hier ook de cijfers van de schoolverlatersenquête van de VDAB naast leggen, zien we dat vooral laag- en middengeschoolde jongeren in de langdurige werkloosheid terechtkomen.17 In het kader van een competitiviteits- en tewerkstellingspact is het dan ook cruciaal dat loonkostverlagende maatregelen worden ingezet om bedrijven aan te moedigen deze doelgroepen aan te werven. Enkel door laaggeschoolden gericht op te leiden en jongeren de kans te geven ervaring op te doen, leggen we de basis voor een duurzame groei op lange termijn.

In die zin is een structurele loonlastenverlaging, die van toepassing is op alle in dienst zijnde werknemers zonder dat ze aan specifieke voorwaarden moeten voldoen, allerminst op zijn plaats. Aan dergelijke voorstellen is namelijk geen enkele garantie van bijkomende tewerkstelling of opleiding verbonden.

RECHTVAARDIGE VERMOGENSFISCALITEIT

We mogen ook niet blind zijn voor de realiteit: in vergelijking met de rest van Europa worden inkomsten uit arbeid in ons land zeer zwaar belast. We krijgen hier echter ook veel voor terug, getuige het hoge welvaartsniveau dat België dankzij zijn systeem van sociale zekerheid kent.
Daarom zou het van intellectuele eerlijkheid gebieden dat, wanneer men pleit voor de 5% loonlastenverlaging die zogenaamd noodzakelijk is om een ‘positief schokeffect’ op onze economie te bewerkstelligen, er ook bij wordt vermeld waar die 7 miljard euro moet worden gevonden.
Het antwoord hierop is zeer eenvoudig: ofwel genereren we dat bedrag door de openbare dienstverlening af te bouwen en te besparen op de sociale zekerheid, ofwel zoeken we andere bronnen van inkomsten, waarbij het niet de sociaaleconomisch zwakkere groepen in de samenleving zijn die het meest benadeeld worden.

Met andere woorden, indien we de lasten op arbeid willen doen dalen, is het cruciaal dat de gederfde inkomsten voor de staat en de sociale zekerheid gecompenseerd worden. Dit kan door de belastingen te verhogen op andere inkomens die nu minder belast worden, zoals de inkomsten uit vermogen. In die zin is er absoluut geen sprake van meer belastingen. Wel van een verschuiving en een verdeling van de lasten volgens financiële draagkracht.
Als het gaat om een rechtvaardige vermogensfiscaliteit is er in België nog veel werk aan de winkel. We hebben de op twee na laagste belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Dat heel wat buitenlandse miljonairs liever in België belastingen betalen, is daar dan ook een logisch gevolg van.
Een dergelijke verschuiving van de belastingdruk op arbeid naar opbrengsten uit vermogen vergt een progressieve visie en politieke moed. We beseffen dan ook dat in de huidige politieke constellatie het allerminst evident is om er een draagvlak voor te vinden. Laten we dus voorlopig maar overgaan tot de orde van de dag en een kritische blik werpen op de andere voorstellen ter bevordering van de concurrentiekracht zoals ze vandaag op tafel liggen.

RECEPTEN VOOR CONCURRENTIEKRACHT VOLGENS DE VLAAMSE REGERING

Wanneer we de voorstellen voor het competitiviteits- en tewerkstellingsplan van minister-president Kris Peeters en zijn regering van dichtbij bekijken, vallen meteen een aantal zaken op.

Ten eerste, het gros van de voorstellen die door Peeters in de media gelanceerd werden, vallen buiten de bevoegdheid van de Vlaamse regering. Enkel de belastingvermindering op de aankoop van nieuwe machines en de aanwervingspremies voor export- en kennismanagers vallen onder haar bevoegdheden. De gehele waslijst aan voorstellen om loonkosten structureel te verlagen, fiscale kortingen aan KMO’s te geven en de investeringsaftrek terug in te voeren, worden op die manier zeer handig doorgeschoven naar het federale niveau. Wat de structurele loonlastenverlaging betreft, wordt er uiteraard nergens gesproken over hoe die te financieren (7 miljard voor de noodzakelijke 5%, remember), noch over hoe het inkomstenverlies voor de sociale zekerheid gecompenseerd zal worden.

Vervolgens valt op dat de voorstellen die nu op tafel liggen niet in het minst gericht zijn op het verlagen van de lasten op arbeid. Het was nochtans de aanhoudende klaagzang van de ondernemers over de te hoge loonkosten die voor Peeters de aanleiding betekende om (in de media) te pleiten voor een plan ter bevordering van de tanende concurrentiepositie van het land.

Nog los van het feit dat deze analyse van een verkeerde uitganssituatie vertrekt - de concurrentiepositie van een land verstevig je in de eerste plaats door in te zetten op innovatie, opleiding en de creatie van jobs - is het stuitend om vast te stellen dat van de actuele situatie handig gebruikt gemaakt wordt om allerlei vormen van bedrijfskosten te verlagen of gewoonweg af te schaffen.
Zo wordt er o.a. gepleit voor minder sociale lasten, minder bedrijfsvoorheffing, minder onroerende voorheffing, meer premies en meer waarborgen. Hiertegenover staat echter amper enig engagement van de ondernemingen zelf. Het lijkt er zelfs op dat elke vorm van bijdrage van het bedrijfsleven aan de gemeenschap als een soort ‘pestbelasting’ wordt beschouwd die maar best zo snel mogelijk kan worden afgeschaft. Zou het kunnen dat Kris Peeters al in een vroegtijdige verkiezingskramp is geschoten en een zeer specifiek publiek probeert te verleiden? Of meent hij echt voor het algemeen belang te rijden, zoals het een minister-president betaamt?
Dit brengt ons bij een laatste punt van kritiek: het leeuwendeel van de voorstellen die op tafel liggen lijken op een directe kopie van de werkgeversvoorstellen die we daags voordien in de media konden vernemen. Er is op zich niets mis met het afstemmen van de violen alvorens een voorstel te doen, maar voor een dergelijke fundamentele materie zal draagvlak nodig zijn. Dit vereist sociaal overleg waarbij álle sociale partners worden gehoord. Pas dan zullen we kunnen spreken van een pact.

Greg Verhoeven
Adviseur Vlaams ABVV

Noten
1/ Europese Commissie, ‘Diepgaande evaluatie van België bij de resultaten van de diepgaande evaluaties uitgevoerd overeenkomstig Vordering nr 1176/2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden’, Brussel, COM(2013)119 final.
2/ Europese Commissie, ‘Recommendation for a Council recommendation on Germany’s 2012 national reform programme and delivering a Council opinion Germany’s stability programme for 2012-2016’, Brussel, COM(2012)305 final.
3/ Johansson, A. et al. (2013), ‘Long-term growth scenarios’, OECD Economic Department Working Papers, no. 1000.
4/ Paul van Rompuy schijft in het Leuvens Economisch Standpunt 2010/130 dat de wetgever er toen van uit ging dat de productiviteitstoename in die periode parallel zou lopen met deze in de drie buurlanden.
5/ Europese Commissie, ‘Alert Mechanism Report’, Brussel, COM(2012)68 final.
6/ Expertengroep Concurrentievermogen en Werkgelegenheid (EGCW): ‘Arbeidskosten, loonsubsidies, arbeidsproductiviteit en opleidingsinspanningen van ondernemingen’, Brussel, juli 2013.
7/ Europese Commissie, ‘Diepgaande evaluatie van België’, p.11.
8/ Bogaert, H. & Kegels, C. (2012), ‘Concurrentievermogen van België: uitdagingen en groeipistes’, Planning Paper 112, Brussel, november 2012.
9/ Europese Commissie, ‘Diepgaande evaluatie van België’, p.25.
10/ Idem.
11/ UNIZO persbericht 17 september 2013: ‘Loonlastenverlaging met 7 miljard euro een absolute must’.
12/ Deze trage toename is deels te verklaren door de sterke groei van de werkgelegenheid in laagproductieve banen via het systeem van dienstencheques.
13/ Europese Commissie DG Enterprise and Industry, ‘Innovation Union Scoreboard 2013’, http://ec.europa.eu/enterprise/policies/innovation/facts-figures-analysis/innovation-scoreboard/index\_en.htm.
14/ Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (2013), ‘Een proactieve strategie voor re-industrialisatie’, Sociaaleconomische Nieuwsbrief, nr. 189.
15/ Bollens, J. & Coomans, S. (2013), ‘Doelgroepgerichte loonkostensubsidies: aanbevelingen’, HIVA - KU Leuven.
16/ Werkloosheidscijfers geraadpleegd op 25 september 2013 via Arvastat, http://arvastat.vdab.be.
17/ VDAB Studiedienst (2013), ‘Werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen - 26e studie 2011-2012’, http://www.vdab.be/trends/schoolverlaters.shtml.

concurrentiepact - loonvorming - loonlast

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 37