Abonneer Log in

Het noorden verschuift

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 13 tot 22

Onlangs kregen de landingsbanen op de luchthaven van Zaventem een licht gewijzigd nummer. De magnetische noordpool verplaatst zich immers met ruim 50 km per jaar, en de nummering is gebaseerd op de richting ten aanzien van die pool. Om de paar honderdduizend jaar wisselen de magnetische noord- en zuidpool zelfs van plaats. Zeven jaar geleden verscheen in Samenleving en politiek (jrg.13, nr. 7, 2006) een bijdrage van Kevin Brackx over het Scandinavisch model, met als titel ‘Het kompas wijst naar het noorden’. Is dat model ondertussen ook in een bepaalde richting opgeschoven? Of zit er zelfs een complete omkering aan te komen? En is het dus nog een model voor sociaaldemocraten elders in Europa?

De Scandinavische landen hebben veel gemeen maar vormen geen homogeen blok. De onderlinge verschillen zijn groter dan men vaak denkt. De naam is trouwens misleidend. Denemarken, Noorwegen en Zweden worden steevast tot Scandinavië gerekend, maar bij IJsland en Finland is dit minder evident. In het Engels wordt dan ook het onderscheid gemaakt tussen ‘Scandinavian’ en ‘Nordic countries’. We behandelen hier ook Finland, omdat het qua inwonersaantal vergelijkbaar is met de andere Scandinavische landen. IJsland is van een andere (lees: kleinere) omvang, en heeft door de bankperikelen van de laatste jaren ook een ander socio-economisch parcours afgelegd. We laten dit land buiten beschouwing.

DE NOORDELIJKE LANDEN HEBBEN VEEL GEMEEN

De Deense socioloog Gøsta Esping-Andersen onderscheidde in 1990 drie verschillende soorten welvaartsstaat: de Angelsaksische, de Scandinavische en het Rijnlandmodel.1 Later werd ook een Mediterraan model naar voor geschoven. Omdat het Scandinavische model een hoge werkgelegenheidsgraad combineert met een laag armoederisico werd en wordt met bewondering naar dit model gekeken.

Zeven jaar geleden werd een tabel met cijfers rond deze twee criteria opgenomen in het voornoemde artikel van Kevin Brackx. Wij hebben deze cijfers opnieuw nagekeken. Wanneer we de huidige cijfers vergelijken met die van toen zijn we er ons van bewust zijn dat we rekening moeten houden met de economische crisis die ondertussen gewoed heeft. Toch stellen we vast dat de Scandinavische landen er wat betreft armoedebestrijding op achteruit gegaan zijn, terwijl het gemiddelde in Europa en ook het Belgische cijfer stabiel is gebleven. De werkgelegenheidsgraad ligt overal hoger dan indertijd, waarbij de noordelijke landen hun voorsprong behouden. De werkloosheid is gestegen in Denemarken en stabiel gebleven in de overige landen. Algemeen heeft België op een aantal terreinen een lichte inhaalbeweging gemaakt.

Deze landen bekleden traditioneel ook hoge plaatsen in de rangschikking van landen volgens de Human Development Index van de Verenigde Naties. Noorwegen staat in 2013 nog steeds op 1, Zweden op 7, maar Denemarken en Finland scoren vergelijkbaar met België. Op de ranglijst van de Global Competitiveness Index van het Wereld Economisch Forum doen vooral Finland en Zweden het uitstekend. Maar ook hier doet Denemarken het amper beter dan België. De noordelijke landen doen het globaal uitstekend, maar ze behoren niet in alles tot de absolute top.

Traditioneel wordt het door Esping-Andersen beschreven model gekenmerkt door een hoog niveau van sociale bescherming, die gebaseerd is op de principes van algemene dekking en solidariteit. De Scandinavische landen kennen ook een omvangrijke publieke sector, en een regulering van de arbeidsmarkt die in belangrijke mate gebaseerd is op collectieve overeenkomsten.

De landen van het hoge noorden delen nog steeds in belangrijke mate die kenmerken. Zo blijft de rol van de overheid er groot, ondanks de liberaliseringstendens van de laatste twintig jaar. Deze landen kennen stuk voor stuk een hoge welvaart met een hoog BBP, in een internationale context een stevige sociale bescherming, en ze hebben een zeer hoge arbeidsmarktparticipatie zowel voor mannen als voor vrouwen. Ze staan ook vooraan als het gaat om innovatie, hebben een sterke kenniseconomie en zijn pioniers op het vlak van de geïnformatiseerde efficiënte overheid. Overal is er wel een tendens naar belastingverlagingen en afslanking van de overheid, en meer nadruk op individuele verantwoordelijkheid wat betreft de sociale bescherming.

Ook op andere terreinen zijn de noordelijke landen trendsetters geworden. Angry Birds (Finland), Skype en Spotify (Zweden) komen uit het noorden, de Zweedse krimi’s en de Deense TV-series oogsten wereldwijd succes, Noma in Kopenhagen was een paar jaar ’s wereld beste restaurant. Op het vlak van architectuur en design stonden ze eerder al aan de top.

Ze hebben ook een lange traditie van uitstekend werkende overheidsdiensten. De Scandinavische landen blijven gefocust op een model van overleg en consensus tussen de sociale partners. Zo vormen ze, inclusief IJsland, de top 5 wat betreft lidmaatschapsgraad van de vakbonden binnen de OESO. Denemarken, Finland en Zweden scoren dicht tegen 70%, Noorwegen haalt bijna 55%. Alleen België komt in de buurt van die cijfers met ruim 50%. Het OESO-gemiddelde is 17,5%.2

Een opvallende tendens de laatste jaren is de opgang van de extreemrechtse partijen. In Noorwegen wist Carl Hagen de Vooruitgangspartij in 2005 tot 22% van de stemmen te voeren met een discours dat sterk gericht was tegen migratie. Bij de verkiezingen van 9 september 2013 boekte de partij verlies, maar met 16% is het nog steeds een belangrijke factor in de Noorse politiek. De eveneens tegen migratie opkomende Deense Volkspartij steeg tot 12% in 2001, en heeft bij de drie volgende parlementsverkiezingen vergelijkbare scores gehaald. De eurofobe Ware Finnen braken in 2009 door bij de Europese verkiezingen en haalden in 2011 bijna een vijfde van de stemmen. De extreem-rechtse Zweden-Democraten kwamen met 5,7% van de stemmen in 2010 voor het eerst in het parlement, en lijken volgens de peilingen richting een verdubbeling van het aantal zetels te gaan bij de verkiezingen volgend jaar.

Scandinavië heeft in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog niet de immigratie uit landen als Italië, Turkije of Marokko gekend zoals een aantal continentale Europese landen. Vanaf de jaren 1970 is er wel een belangrijke instroom geweest van asielzoekers. Met name Zweden is een belangrijk bestemmingsland voor vluchtelingen uit landen in crisis zoals Irak of Somalië. Finland heeft dan weer weinig inwoners van vreemde nationaliteit. Maar toch worstelen deze landen met de integratie van migranten. De welvaartsstaat is mede hierdoor onder druk komen te staan, en de liberalisering van de arbeidsmarkt heeft met name in Zweden voor een dualisering gezorgd waarbij de arbeidsparticipatie van niet-Europese migranten veel lager is dan bij de rest van de bevolking. De rellen in Stockholm van mei dit jaar kwamen niet uit de lucht vallen. Integratie en ongelijkheid kunnen ook in de toekomst een voedingsbodem vormen voor extreemrechts.

HET MULTIPOLAIRE NOORDEN

In Grafiek 1 zien we dat de economische ontwikkeling de laatste jaren zeker niet gelijkloopt in de noordelijke landen. We nemen 1995 (de toetreding van Finland en Zweden tot de EU) als vertrekpunt en gaan na hoe de economie zich sinds dat jaar ontwikkeld heeft.
Zweden en Finland kwamen uit een zware recessie en hebben nadien meestal de gemiddelde groei in de Europese Unie ruim overtroffen. Noorwegen is het ook goed blijven doen, Denemarken heeft op zijn gunstige uitgangspositie moeten inboeten.

Als we de evolutie van de werkloosheid nagaan in Grafiek 2 zien we ook duidelijke verschillen. Ondanks de matige groei heeft Denemarken de werkloosheid tot de crisis van 2008 laag kunnen houden. Finland en Zweden hebben een sterke groei gekend, maar zijn lang blijven worstelen met belangrijke werkloosheid. De oliezegeningen hebben Noorwegen een zeer lage werkloosheid bezorgd, die van de crisis amper last heeft gehad.

Uit deze gegevens kunnen we al afleiden dat elk land zijn eigen context en particuliere geschiedenis kent. Daarom gaan we kort in op de ontwikkelingen in de vier landen.

DENEMARKEN

In Denemarken regeert sinds 2011 een linkse coalitie van de Sociaaldemocraten, aangevoerd door premier Helle Thorning-Schmidt, met Radikale Venstre (letterlijk Radicaal Links, een sociaalliberale partij) en de roodgroene Socialistische Volkspartij. Dit minderheidskabinet wordt gesteund door de linkse Rood-Groene Alliantie. Denemarken kent een traditie van minderheidsregeringen, omdat een regering maar valt als een meerderheid haar wegstemt. Men kent er ons systeem van vertrouwensstemmingen niet. De Sociaaldemocraten hebben van 1924 tot 1982 (op 12 jaar na) geregeerd, maar wel steeds in coalities. Sindsdien is ook vaak een centrumrechtse coalitie aan de macht geweest.

Denemarken heeft een sterk op de export gerichte economie, net als de andere noordelijke landen. Duitsland en Zweden zijn de voornaamste handelspartners. Het land kent een sterke landbouwsector met een hoge productiviteit. Een belangrijk exportproduct zijn varkens, maar de economie is divers, van speelgoedproducent Lego over bierreus Carlsberg en containergigant Maersk tot windturbinefabrikant Vestas.

Van alle Scandinavische landen kent Denemarken sinds 1995 de zwakste economische groei, met sinds 2000 zelfs een systematisch zwakkere groei (en in 2009 een sterkere daling) dan het gemiddelde van de EU-lidstaten anno 1995. Het land startte natuurlijk vanuit een sterke positie: het heeft nog steeds na Luxemburg het hoogste BBP per capita van de EU, maar heeft toch wat van zijn pluimen gelaten.

Denemarken werd zwaar getroffen door de financiële crisis vanaf 2008. Een lokale bank, de Rosklide Bank, ging ten onder en de marktleider, Danske Bank, had de jaren voordien een sterke expansie gekend in de noordelijke landen maar ook in Ierland en had ook sterk te lijden van de ingestorte woningmarkt in eigen land. Dit verklaart mede de matige prestaties van de Deense economie de laatste jaren.

Het aspect dat internationaal het meest bewonderd wordt, is het Deense arbeidsmarktbeleid, bekend als flexicurity: soepele mogelijkheden tot ontslag gecombineerd met hoge (maar in de tijd beperkte) werkloosheidsuitkeringen en een activerend arbeidsmarktbeleid. De werkgevers hebben de voorbije jaren in elk geval gebruik gemaakt van die mogelijkheden tot ontslag. De werkloosheid is in twee jaar gestegen van 3,4% in 2008 tot 7,5% in 2010, en bedroeg in 2012 amper minder dan in België. Het laatste jaar is er evenwel opnieuw een dalende tendens (6,7% in juli 2013). Het model lijkt de crisis te hebben doorstaan, maar het is in de loop der jaren wel bijgestuurd.

Flexicurity werd vanaf 1993 door de sociaaldemocratische regering onder Poul Nyrup Rasmussen ingevoerd. De aanwezigheid van twee componenten in het model, flexibiliteit en werkzekerheid, vormden de basis voor de consensus tussen werkgevers en werknemers. Dit evenwicht wordt vandaag bedreigd. Er is een evolutie richting meer activering en minder inkomenszekerheid. De periode waarin de royale werkloosheidsvergoedingen worden uitgekeerd, is eerst teruggebracht van zeven naar vier jaar, en de centrumrechtse coalitie besliste in 2010 de periode verder te verlagen tot twee jaar. De huidige linkse regering Thorning-Schmidt stelde de invoering van deze maatregel uit, maar begin dit jaar ging de nieuwe regeling toch van kracht. Ondertussen zijn compenserende maatregelen uitgevaardigd die het ergste leed door het verlies aan inkomen moeten lenigen. Het activeringsbeleid, dat door regionale arbeidsraden met daarin de sociale partners werd geïmplementeerd, is door de vorige regering toegewezen aan de gemeenten. Ook in Denemarken vindt men dat de overheid meer dienstverlening mag leveren met de geïnde fiscale bijdragen, en op 1 januari 2007 werd het aantal gemeenten gereduceerd van 270 tot 98.

Op Europees niveau wordt flexicurity ook gepromoot in de Europese werkgelegenheidsstrategie. Het Deense model is gegroeid in een traditie van overleg. Werkgevers en werknemers sloten al in 1899 het Septembercompromis, een eerste overeenkomst waarin de arbeidsverhoudingen gereguleerd werden. Denemarken heeft ook de economische slagkracht om de zekerheidscomponent te waarborgen, en dit zowel wat betreft de hoge uitkeringen als beperkte werkloosheid. In de meeste landen is deze combinatie veel moeilijker. Naar aanleiding van de crisis werd al de kritiek geopperd dat het systeem vooral werkt in goede tijden. Flexicurity lijkt deze crisis overleefd te hebben, maar het is zeer de vraag of het een wondermiddel is dat tegen alle crisissen bestand is. Bij iets langere structurele werkloosheid dreigt de armoede voor wie uit de boot valt.

NOORWEGEN

Noorwegen neemt een aparte plaats in onder de noordelijke landen. Dankzij de inkomsten uit de export van olie en gas is Noorwegen zeer welvarend, en de welvaartsstaat is er minder onder druk komen te staan. Het overheidspensioenfonds is een van de grootste in zijn soort, en een belangrijke speler in de wereldeconomie. Noorwegen heeft de financiële crisis zonder veel kleerscheuren doorstaan. In 2011 had het land na Monaco en Qatar het hoogste BBP ter wereld.3 Toch verloor de zittende regering van sociaaldemocraat Jens Stoltenberg bij de verkiezingen van 9 september 2013 haar meerderheid in het parlement. De centrumlinkse coalitie, geleid door de Arbeiderspartij en verder bestaande uit de Socialistische Linkse Partij (met een roodgroen profiel) en de Centrumpartij, was acht jaar aan de macht. De Arbeiderspartij was sinds 1927 meestal de dominante politieke partij. Toch is die centrumlinkse coalitie niet zo homogeen. De Centrumpartij regeerde voor 2005 nooit met links en komt o.a. op voor de belangen van de boeren.

In vergelijking met de andere noordelijke landen heeft Noorwegen een veel omvangrijker staatssector. Statoil, het nationale oliebedrijf, is volgens Forbes op 25 na het meest winstgevende bedrijf ter wereld. De overheid heeft ook belangrijke aandelen in vele andere bedrijven, zoals in telecomoperator Telenor, en houdt zo 37% van de beurs van Oslo in handen.4 De Noren slagen er in om competitieve bedrijven met een belangrijke overheidsparticipatie in stand te houden. Maar ook dit model is moeilijk te kopiëren zonder de inkomsten uit natuurlijke rijkdommen. Het land kan best als inspiratie dienen voor economieën die sterk van de export van bepaalde grondstoffen afhankelijk zijn en dit willen combineren met breed gedragen welvaart.

ZWEDEN

Ook Zweden heeft een sterk op de export gerichte economie. Zweden is de meest industriële van de noordelijke naties. Het kent een aantal grote industriële bedrijven, zoals Ericsson, Sandvik, Scania en Volvo. Andere internationaal bekende bedrijven zijn AstraZeneca, H&M, Ikea en Securitas. Het land is ook rijk aan bodemschatten, zoals de ijzerertsmijnen in Kiruna.
Zweden heeft een zeer sterke sociaaldemocratische traditie. Van het eerste kabinet Hansson in 1932 tot de nederlaag van Persson eind 2006 leverde de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SAP) bijna 64 jaar de premier, andere partijen samen negen jaar. Ondertussen zit de SAP al zeven jaar in de oppositie, een record sinds de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1921.

Na de gouden jaren 1950 en 1960 kwam de Zweedse welvaartsstaat onder druk te staan door de oliecrisis. In de jaren 1980 werd geprobeerd door liberalisering, o.a. van de financiële sector, de economische toestand te verbeteren. Dit creëerde een vastgoedzeepbel, en toen die begin jaren 1990 uiteenspatte kende Zweden een zware economische crisis, met een snel oplopende werkloosheid en een sterk gestegen overheidsschuld. Het land heeft daarna zijn economische koers duidelijk bijgesteld. De bankencrisis werd efficiënt aangepakt, en de snel opgelopen staatsschuld kon door een streng soberheidsbeleid maar ook door de verkoop van bankenparticipaties snel weer worden afgebouwd. De meest in het oog springende hervorming was die van het pensioenstelsel.

In 1998 werd, na vele jaren overleg, een nieuw pensioenstelsel ingevoerd. De belangrijkste aspecten zijn dat er een gegarandeerd basispensioen is, dat de omvang van het pensioen bepaald wordt door de hele loopbaan en niet door de laatste arbeidsjaren, dat het kan opgenomen worden vanaf 61 tot 67 jaar (hoe later, hoe gunstiger, en het kan ook deeltijds) en dat het uitgekeerde pensioen afhankelijk gemaakt wordt van de levensverwachting op het moment van pensionering. Het model wordt internationaal geroemd, en zorgt voor inspiratie voor hervormingen. Maar een systeem in zijn totaliteit overnemen is een onmogelijke opgave, en aspecten kopiëren houdt beperkingen in omdat zo bepaalde evenwichten worden verbroken.

Het land haalde eind mei 2013 de internationale pers met de rellen in de Stockholmse voorstad Husby. Deze rellen houden verband met een aantal uitdagingen waar het land voor staat. Zweden heeft een relatief grote instroom van asielzoekers, en ruim 1,4 miljoen van de 9,5 miljoen inwoners zijn niet in Zweden geboren. De Zweedse samenleving worstelt zoals vele landen met de integratie van deze gemeenschappen. De tot dan zeer open asielpolitiek is er sinds 2008 strenger geworden.

De rellen zijn evenwel niet uitsluitend vanuit migratie te verklaren. Zweden is nog steeds een vrij egalitaire samenleving, maar de dualisering is er toch sterk opgerukt. Kansengroepen doen het veel slechter in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, en de jeugdwerkloosheid is hoger dan het Europese gemiddelde. De liberalisering van de arbeidsmarkt heeft voor een toename van tijdelijke contracten gezorgd. Een sector van lage lonen is zich aan het vormen. De ongelijkheid is in Zweden sterk toegenomen, belastingverlagingen zijn vooral de hogere inkomens ten goede gekomen. Zweden moet er werk van maken om geen bevolkingsgroepen blijvend te verliezen. De opkomst van de vrije scholen, waar burgers bovenop wat de staat subsidieert kunnen bijdragen, lijkt de dualisering in het matig presterende onderwijs eerder te bestendigen.

FINLAND

Finland had tot in 2000 een constitutie waarbij de president relatief veel macht had. Pas met Mauno Koivisto in 1982 werd een sociaaldemocraat er president. Tijdens de Koude Oorlog bevond Finland zich in een precaire situatie. Als enig land dat vroeger tot tsaristisch Rusland behoorde, wist het uit de Sovjet invloedsfeer te blijven. Maar het behoorde wel tot het verliezende kamp van de Tweede Wereldoorlog en moest een grote terughoudendheid aan de dag leggen ten aanzien van de oosterburen. Na de boom van de jaren 1980 en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie volgde voor Finland een diepe financiële en economische crisis, die tot een devaluatie van de munt en hoge werkloosheid leidde. Het zette het land mee aan om toe te treden tot de Europese Unie en in 1999, als enige van de noordelijke landen, tot de eurozone. Na de crisis volgde een periode van economische groei, met Nokia als bekendste exponent.

Finland kent een traditie van wisselende coalitieregeringen, eerder dan de linkse en rechtse blokken die de andere Scandinavische landen kennen. De sociaaldemocraten staan er minder sterk dan in de andere noordelijke landen. De laatste socialistische premier, Paavo Lipponen, regeerde van 1995 tot 2003 maar stond aan het hoofd van een vijfpartijencoalitie en voerde een beleid dat bezwaarlijk links kan worden genoemd. Na de verkiezingen van 2011 (waar ze met 19,1% van de stemmen de tweede partij waren, net voor de Ware Finnen) regeert de Sociaaldemocratische Partij (SDP) mee in een zespartijencoalitie. In de peilingen wordt hen momenteel nog 15% voorspeld.

Een ander opvallend kenmerk van de Finse politiek is de sterke positie van de administratie, die beleidsvoorstellen uitwerkt waar de politieke partijen zich op baseren. De politiek neigt naar consensus, en de sociale partners onderhandelen over lonen maar ook sociale hervormingen. De werkgevers hebben dit model ondertussen verlaten, waardoor geen centrale loonakkoorden meer worden afgesloten.

Tot de crisis van 2008 had Finland de hoogste werkloosheid in Scandinavië. Finland werd relatief hard getroffen door de crisis, maar herstelde ook vlug. De economie werd vooral gestimuleerd door belastingverlagingen. De Finnen worden snel grijzer, en dat zal de druk op herverdeling en sociale voorzieningen in de toekomst eerder doen verhogen.

Het Finse paradepaardje is het onderwijs. In de PISA-onderzoeken van de OESO behoren de Finnen steeds tot de beste leerlingen van de klas. Meestal wordt de oorzaak voor een belangrijk deel bij het leerkrachtenkorps gezocht. Finse leerkrachten zijn allen universitairen, ook in het basisonderwijs, en het beroep heeft er een hoge status, hoewel de lonen er volgens cijfers van de OESO niet hoger liggen dan in andere landen (en lager dan in bijvoorbeeld België). Het onderwijs in Finland is gratis, maar er wordt niet zoveel meer van het BBP aan onderwijs besteed dan in ons land en minder dan in Denemarken en Zweden. Andere belangrijke kenmerken zijn dat er minder uur les wordt gegeven dan in vele andere landen, maar met veel geïndividualiseerde begeleiding. En het gezamenlijk onderwijs zonder selectie duurt tot 16 jaar, een watervalsysteem is uitgesloten. Het onderwijssysteem kent ook een grote stabiliteit. De uitdaging om met diversiteit om te gaan is in Finland wel geringer, de bevolking is er homogener met veel minder migratie. Ook dit model is dus niet zomaar kopieerbaar.

HET NOORDEN, NA DE CRISIS

De noordelijke landen staan internationaal nog steeds aan de top wat betreft het combineren van een hoge werkgelegenheidsgraad en een laag armoederisico. Maar toch is de balans verschoven. Noorwegen houdt dankzij de olierijkdom behoorlijk stand, maar algemeen zijn de ongelijkheid en het risico op armoede toegenomen, Denemarken verlaagt de zekerheidsfactor in het flexicuritymodel, Zweden kampt met een aanhoudende hoge jeugdwerkloosheid bij kansengroepen, de Finnen worden bang van migratie terwijl ze van de 15 oude lidstaten veruit het minst in het buitenland geboren inwoners tellen. Het noorden verschuift, en het is niet naar links.

Er wordt dikwijls naar het noorden gekeken om aspecten van complexe systemen elders als kant-en-klare recepten voor te stellen. Vergeten wordt dat bijvoorbeeld het Deense flexicurity model enkel met stevige economische randvoorwaarden kan functioneren. Dit model in deelaspecten ontleden en die dan overnemen, betekent in de praktijk dat een andere agenda gevolgd wordt, waarbij liberale recepten met een Scandinavische geloofwaardigheidssaus worden overgoten.

Wat we het meest van de noordelijke landen kunnen leren is hun aanpassingsvermogen. Elk van de besproken landen heeft op een bepaald moment een ernstige crisis moeten doorstaan. Meestal heeft men met pragmatische maar creatieve beslissingen de politiek kunnen bijstellen zonder dat de samenleving uit evenwicht geraakte. In Scandinavië geen Thatcheriaanse omwentelingen. De consensus over de partijen heen om het sociaal model bij te stellen maar in globo te bewaren, is vrij groot.

De wijze waarop de sociale partners samenwerken en bij het beleid betrokken worden, de transparantie vanwege de overheid en het vertrouwen van de burger in de medeburger en de overheid, het geloof in een egalitaire samenleving, gekoppeld aan een duidelijke gerichtheid op het individu dat vanwege een sterke overheid kansen wordt geboden - dat zijn belangrijke elementen van het succes van het noorden. Vanuit die consensus wordt een uitstekend presterend onderwijs, een performante arbeidsmarkt of een stevig verankerd pensioenstelsel uitgebouwd. Er is niet zomaar sprake van oorzaak en gevolg, de goed functionerende overheid zorgt voor sterke sociale cohesie, en die cohesie maakt dan weer sterke instellingen en duidelijke politieke keuzes mogelijk.

Nico Pattyn
Verbonden aan Metis Instituut

Noten
1/ Gøsta Esping-Andersen, The Three Worlds of Welfare Capitalism (1990).
2/ ECDStatExtracts, Trade Union Density, cijfers 2010.
3/ Cijfers afkomstig van de Wereldbank.
4/ Zie The Economist, 02/02/2013, Special report ‘The next supermodel. Why the World should look at the Nordic countries’.

Scandinavisch model - welvaartsstaat - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 13 tot 22