Abonneer Log in

'Parcours de féministes musulmanes belges'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 74 tot 75

Parcours de féministes musulmanes belges

Ghaliya Djelloul
Academia-L'Harmattan, Louvain-la-Neuve, 2013

Islamitisch én feministisch? Ondanks de heersende vooroordelen over moslima’s - onderdrukt en onderworpen - kan het, zo blijkt uit het boek Parcours de féministes musulmanes belges van de jonge sociologe Ghaliya Djelloul (UCL). Dit werk is de neerslag van een kwalitatief onderzoek naar moslimfeministen in Franstalig België - vrouwen die de strijd voor de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen aangaan vanuit hun islamitisch geloof. Via de analyse van diepte-interviews met acht militanten geeft Djelloul de complexiteit maar ook de originaliteit van hun engagement weer. Ze besluit dat moslimfeministen in feite een dubbele strijd om erkenning voeren. Binnen hun gemeenschap bepleiten ze, als vrouw, de gelijkwaardigheid tussen seksen via een grondige herinterpretatie van de religieuze teksten. In de wijdere maatschappij verzetten ze zich, als moslima, tegen discriminatie en xenofobie.

Doorheen het boek legt de auteur geleidelijk de complexiteit bloot van de wisselwerking tussen beide dimensies van hun strijd. Neem bijvoorbeeld het recht op het dragen van de hoofddoek. Voor moslimfeministen is dit fundamenteel in hun eis tot symbolische en culturele erkenning, maar evenzeer blijkt hoezeer dit voor hen een individuele keuze is, die voor de meesten zelfs los van de familie werd gemaakt. De hoofddoek past in het differentialistisch gelijkheidsprincipe dat de meeste moslimfeministen bepleiten: man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar met verschillende rechten en plichten. Het hoofddoekendebat heeft op die manier tot een breuk geleid met de ‘westerse’ feministen, die vaak zeer sceptisch staan tegenover religie als patriarchaal instituut. De opstapeling van dit soort negatieve ervaringen met de buitenwereld heeft bij sommige van de ondervraagde vrouwen geleid tot wat Djelloul een etnicisering van de islam noemt: het aanwenden van de islam als een markeerder van een sociale grens. Dit defensief wij-zij-denken versterkt nog de aanhankelijkheid aan de hoofddoek. Maar anderzijds onthult het onderzoek dat het moslimfeminisme precies schatplichtig is aan het Belgisch institutioneel kader, dat gekenmerkt is door democratie en mensenrechten en waar de formele gelijkheid tussen seksen onbetwistbaar is.

Maar het boek is veel meer dan de loutere beschrijving van de moslimfeministische beweging. Het is in de eerste plaats een sociologisch werk, dat het gedeelde engagement van de acht vrouwen probeert te verklaren aan de hand van hun individuele levensloop. Het boek is opgebouwd uit de biografische analyses van elk van de militanten, die rijke details bevatten over hun socialisatie: hun afkomst, thuissituatie, ervaringen op school, op het werk en in organisaties. De belangrijkste sociologische gelijkenis tussen hen is uiteraard de migratie-achtergrond - hoewel het panel interessant genoeg ook één bekeerlinge telt - met de overeenkomstige culturele en religieuze bagage, de sociaaleconomische status maar ook het etnisch stigma in de Belgische samenleving. De combinatie van contrasterende en soms conflicterende biografische elementen uit de privésfeer (familie, gemeenschap) en de publieke sfeer (school, werk) bij de vrouwen ligt aan de basis van hun moslimfeministische identiteit.

Nog boeiender zijn de verschillen tussen de acht profielen. Djelloul legt bloot op welke manier de sociale achtergrond en de levenservaringen van elkeen zich verschillend vertalen in hun engagement en hun opvattingen. Bijvoorbeeld, zij die van thuis uit de zwaarste culturele en religieuze stempel meekregen en slechte ervaringen hadden op school (racistische opmerkingen, fysiek geweld door leerkrachten), zijn sterk geëtniciseerd en zetten zich vooral in op politiek vlak, tegen discriminatie en racisme. Zij die daarentegen goed scoorden op school en positieve herinneringen overhouden aan het contact buiten hun gemeenschap, zijn eerder actief in de academische wereld en verdedigen een meer egalitair feminisme.

Zo schetst het boek een genuanceerd beeld van militante feministische moslima’s. Het engagement van deze vrouwen is een synthese van de in België geïmplanteerde islam en de Belgische traditie van democratie en burgerrechten, en kent verschillende schakeringen naargelang hun individuele levensparcours. Alleen al het feit dat zij op een originele, eigen manier militeren doorbreekt het stereotype van zowel de passieve moslima als de westerse barricadefeministe. Desondanks wordt het gedifferentieerd feminisme van een deel van de respondenten er daarmee niet minder problematisch op, want zoals Djelloul opmerkt, ‘c’est en rapport avec les hommes que les femmes définissent leurs rôles et leurs droits’. Daarom kan men zich afvragen of het feminisme niet wordt geïnstrumentaliseerd door bepaalde moslima’s in het verdedigen van hun gemeenschap, net zoals overigens het feminisme door extreemrechts wordt gerecupereerd in het stigmatiseren van diezelfde bevolkingsgroep. Wat de representativiteit betreft, liet het betrekkelijk kleine panel wel te wensen over, te meer daar het geen respondent van Turkse origine bevatte. Daarnaast had de auteur ook dieper kunnen ingaan op de representativiteit van haar panel voor de islamitische vrouwen in België in het algemeen. De focus van het onderzoek betrof uiteraard louter moslimfeministen, maar een poging tot veralgemening naar of vergelijking met de Belgische moslima’s zou zeer interessant geweest zijn. Desalniettemin is het boek een fascinerende tocht doorheen de levens van de moslimfeministen, die belangrijke vragen oproept in het maatschappelijk debat over multiculturaliteit én over feminisme.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 74 tot 75