Abonneer Log in

Welvaartsstaat of participatiesamenleving?

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 12

De huidige financiële crisis zet veel druk op de welvaartsstaat. Enerzijds wordt ze meer geraadpleegd om de noden op te vangen van een bevolking die door de crisis geteisterd wordt. Anderzijds worden haar fundamenten meer en meer in vraag gesteld door de door Europa opgelegde besparingsdrift. Een vaak gehoorde verantwoording voor dergelijke bezuinigingen op de sociale zekerheid is dat mensen juist meer voor elkaar gaan zorgen wanneer de welvaartsstaat minder tussenkomt. Op basis van de European Social Survey gaan we na in welke mate mensen deprivatie hebben ervaren sinds het begin van de financiële crisis, en wat de relatieve rol van sociale netwerken en de welvaartsstaat in deze ervaren deprivatie precies is. We tonen aan dat de functionele kwaliteit van netwerken in het tegengaan van deprivatie inderdaad hoger is in beperkte welvaartsstaten, maar dat netwerken desondanks niet snel de kwaliteit van sociale programma’s kunnen benaderen.

BESPARINGEN EN DE WELVAARTSSTAAT

In de afwikkeling van de financiële crisis heeft de Europese Commissie haar lidstaten opgedragen fors te besparen om de nationale begroting niet te laten ontsporen. Door mooie begrotingscijfers af te leveren heeft de federale regering onder leiding van Elio Di Rupo aangegeven niet te veel te willen meegaan in deze besparingsdrift. De regering hoopt hiermee de sociale voorzieningen intact te houden om zo de koopkracht te vrijwaren. Op het lokale niveau daarentegen, waar vele steden en gemeenten geconfronteerd worden met enorme budgettaire uitdagingen (o.m. door de neergang van Dexia, verminderde belastingsinkomsten, de verwachte pensioenlasten), bestaat er hierover minder eensgezindheid. Zo heeft het Antwerpse stadsbestuur recent aangekondigd dat het sterk zal bezuinigen op de sociale sector, mede om de begroting op orde te kunnen houden. Maar ook in het buitenland worden de fundamenten van de welvaartsstaat in vraag gesteld. Zo gaf de Nederlandse Koning Willem-Alexander in zijn Troonrede op de recente Prinsjesdag aan dat de Nederlandse welvaartsstaat moet evolueren naar een participatiesamenleving waarin iedereen die kan de eigen verantwoordelijkheid heeft om in sociale en financiële vangnetten te voorzien.

De gedachte dat sociale netwerken1 - familie, vrienden, en (ex-)collega’s - zullen inspringen wanneer er nauwelijks sociale voorzieningen zijn, is niet nieuw. Vooral communitaristische en neoliberale stemmen verdedigen deze zogenaamde ‘crowding out’ hypothese die stelt dat omvangrijke welvaartsstaatvoorzieningen de rol van sociale netwerken overbodig maakt (Etzioni, 1993). Een van de meest invloedrijke auteurs in dit debat, Francis Fukuyama (2001, p. 18), stelt zelfs dat de overheid zich niet moet bezighouden met sociale voorzieningen maar ze beter zou overlaten aan de particuliere sector of aan het maatschappelijk middenveld. Tegen deze theoretische stroming staat dan weer een groep van wetenschappers die stellen dat de welvaartsstaat juist een voedzame bodem is voor een sterk middenveld en hechte informele netwerken (van Oorschot & Arts, 2005). Toch is er maar bitter weinig empirisch onderzoek voorhanden dat een antwoord biedt op de vraag of sociale netwerken in staat zijn om de rol van sociale voorzieningen over te nemen wanneer de welvaartsstaat wordt uitgekleed. Anders gezegd, als er moet worden bezuinigd op welvaartsstaatprogramma’s, in hoeverre zijn vrienden, familie en (ex-)collega’s in staat om de rol van dergelijke programma’s over te nemen om te vermijden dat mensen verarmen?

HOE SOCIALE NETWERKEN VERARMING TEGENGAAN

Alvorens we deze vraag empirisch beantwoorden, bespreken we eerst hoe sociale netwerken ervoor zorgen dat mensen - wanneer ze geconfronteerd worden met een ingrijpend sociaal risico - niet verarmen. Onderzoek op het vlak van ontwikkelingssamenwerking heeft hierover een rist aan invloedrijke inzichten geleverd (Woolcock, 2002; Saegert, et al., 2001), juist omdat zij de vraag opwerpt hoe armoede effectief bestreden kan worden in samenlevingen waarin sociale voorzieningen doorgaans afwezig zijn. Ook al stellen deze auteurs veelvuldig dat informele netwerken mensen uit de armoede kunnen houden, er is veel minder overeenstemming over de achterliggende causale mechanismen (Woolcock, 2002): gaat het dan vooral om hoeveel mensen men kent, of wie men kent? In deze discussie wordt vaak het onderscheid gemaakt tussen zogenaamde bonding of homogene netwerken, en bridging of heterogene netwerken (Putnam, 2000). Homogene netwerken verwijzen dan naar contacten tussen gelijkaardige mensen (bijvoorbeeld familie, maar ook mensen van eenzelfde sociale achtergrond) terwijl heterogene netwerken verschillende sociale scheidslijnen dwarsen, zoals bijvoorbeeld sociale klasse, ideologische overtuigingen of etnische afkomst. Ondanks de verschillen in beide vormen van netwerken, toont onderzoek aan dat beiden, weliswaar op hun eigen manier, essentieel zijn om deprivatie tegen te gaan. Een belangrijke aanvulling hierbij is dat de toegang tot sociale netwerken ongelijk is verdeeld tussen de sociale klassen (Finsveen en van Oorschot, 2009). Terwijl armere mensen sterkere banden hebben met familie en vrienden, hebben ze minder heterogene netwerken om op terug te vallen (Narrayan, 1999).

Deze twee kwalificaties, namelijk het verschil tussen homogene en heterogene netwerken, alsook de ongelijke toegang tot verschillende netwerken, zijn nodig om te begrijpen hoe de afwezigheid van sociale netwerken, of een vrij eenzijdige samenstelling ervan, deprivatie in geval van nood in de hand kan werken. Op het eerste zicht lijkt dit onderzoek de communitaristische en neoliberale kritiek dus te bevestigen, namelijk dat het afbrokkelen van het sociale weefsel de bevolking ook socio-economisch verarmt. Anderzijds toont onderzoek aan dat de welvaartsstaat juist bijdraagt aan de vorming van sociale netwerken en het middenveld versterkt (van Oorschot en Arts, 2005; Pichler en Wallace, 2007). Welvaartsstaten zorgen voor de structurele voorwaarden die sociale contacten stimuleren, zoals de herverdeling van inkomen en tijd, waardoor mensen kunnen investeren in sociale activiteiten. Bovendien belichaamt een universele herverdeling dergelijke normen en waarden van solidariteit, gelijkheid en onpartijdigheid die pro-sociale attitudes en gedrag in de hand werken.

Maar enkel kijken naar de omvang van sociale netwerken in verschillende welvaartsstaten zegt natuurlijk weinig over de kwaliteit ervan. Hierrond bestaat slechts een enkele studie die de sociale integratie van armen in verschillende Europese welvaartsstaten heeft onderzocht. Een analyse van de 2003 Quality of Life Survey toonde weliswaar geen duidelijke relatie aan tussen welvaartsstaatuitgaven en de sociale integratie van lagere inkomensgroepen, toch verwees Böhnke (2008, p. 147) expliciet naar de ‘crowding-out’ these door te stellen dat het juist de armen in de rijkste landen van de EU zijn - die dus ook over de hoogste niveaus van sociale bescherming genieten - die het meest vatbaar zijn voor sociale uitsluiting. Het beperkte onderzoek rond dit thema laat dus toe om tot verdere inzichten te komen over de functionele kwaliteit van sociale netwerken, zeker in het licht van de huidige financiële crisis.

DE FINANCIËLE CRISIS EN ERVAREN DEPRIVATIE

Om de relatie tussen informele sociale netwerken en ervaren deprivatie over verschillende Europese welvaartsstaten te ontwarren, analyseren we de vijfde golf van de European Social Survey.2 Deze survey, uitgevoerd in 2010, vroeg aan tienduizenden Europeanen in meer dan twintig landen in welke mate ze zijn verarmd sinds het uitbreken van de financiële crisis van 2008. Deze ervaren deprivatie meten we met een schaal die bestaat uit drie items die bevraagt in welke mate de respondent in de afgelopen drie jaar (1) moest rondkomen met een lager huishoudinkomen, (2) spaargeld moest gebruiken of schulden moest aangaan om in het gewone levensonderhoud te kunnen voorzien, (3) moest bezuinigen op vakanties of nieuwe huishoudelijke apparatuur. Deze drie items zijn aangeboden met een zevenpuntsschaal, gaande van 0 (‘helemaal niet’) tot 6 (‘veel’).

Figuur 1. Verdeling van ervaren deprivatie (0-6) en sociale netwerken (1-7) in Europa.

Noot: De figuur geeft de landengemiddelden weer op schaal van ervaren deprivatie en informele sociale netwerken. De landen zijn gerangschikt van hoog naar laag op de ervaren deprivatie schaal. IE = Ierland, BG = Bulgarije, GR = Griekenland, CZ = Tsjechië, SI = Slovenië, HU = Hongarije, EE = Estland, ES = Spanje, SK = Slovakije, GB = Verenigd Koninkrijk, FR = Frankrijk, ESS = European Social Survey gemiddelde, CY = Cyprus, PT = Portugal, PL = Polen, FI = Finland, DE = Duitsland, BE = België, CH = Zwitserland, SE = Zweden, NL = Nederland, NO = Noorwegen, DK = Denemarken.

De mate waarin Europeanen deprivatie hebben ervaren, willen we verklaren door de frequentie van sociale netwerken, enerzijds, en de omvang van de welvaartsstaat waarin de respondent leeft, anderzijds. Wat betreft de toegang tot sociale netwerken richten we ons op het item ‘Hoe vaak ontmoet u om sociale redenen vrienden, familieleden of collega’s?’, waarbij de antwoordmogelijkheden variëren van 1 (‘nooit’) tot 7 (‘elke dag’). Wat betreft de omvang van de welvaartsstaat hebben we data van Eurostat geconsulteerd, namelijk de sociale uitgaven per hoofd van de bevolking. Om vervolgens het effect van sociale contacten en welvaartsstaatuitgaven op ervaren deprivatie te schatten, nemen we een aantal kenmerken mee die deze relatie zouden kunnen beïnvloeden. Op het individuele niveau zijn dit leeftijd, gender, afkomst, opleidingsniveau, tewerkstellingsstatus, langdurige werkloosheid, inkomen, welvaartsstaatafhankelijk zijn, en religiositeit. Op het landenniveau zijn dit werkloosheidsgraad en economische groei.

Figuur 1 geeft de ervaren deprivatie van de Europeanen weer en hoe frequent hun sociale contacten zijn. De grafiek toont aan dat de gepercipieerde deprivatie in Europa al bij al nog meevalt - met een gemiddelde schaalscore van 2,30 (met een standaardafwijking van 1,91) ligt die beduidend lager dan het schaalgemiddelde van 3. Desondanks zien we dat de Ieren het sterkst aangeven te zijn verarmd in de afgelopen jaren. Ook de Bulgaarse en Griekse respondenten zeggen er financieel erg op achteruit te zijn gegaan. De grafiek toont ook dat vooral de inwoners van Noord-Europa, inclusief België - landen die ook een uitgebreide sociale bescherming hebben - aangeven het minst te zijn gedepriveerd sinds het uitbreken van de financiële crisis. Wat betreft sociale participatie zien we een tegengesteld patroon: Noord-Europeanen, en tevens de Belgen, ontmoeten vaak met vrienden, familieleden en collega’s. Anderzijds blijkt dat vooral Oost-Europeanen relatief meer sociaal geïsoleerd zijn. Op basis van deze beschrijvende data moeten we toch bijzonder voorzichtig zijn met zogenaamde ecologische fouten. Ook al zien we op landenniveau dat landen waarin mensen elkaar vaak ontmoeten mensen ook aangeven minder te zijn verpauperd, onze interesse ligt op het individuele niveau. Bijvoorbeeld, we willen weten wat, gemiddeld genomen, de ervaren deprivatie is van een goed geïntegreerde persoon in de kleinste welvaartsstaat (Bulgarije) in vergelijking met de minst genetwerkte respondent in de meest omvangrijke welvaartsstaat (Noorwegen). Op deze manier kunnen we de relatieve invloed van netwerken en de welvaartsstaat op het tegengaan van deprivatie aftoetsen.

In enkele meer geavanceerde analyses hebben we vervolgens gekeken in welke mate ervaren deprivatie verklaard kan worden door de frequentie van sociale netwerken, rekening houdend met het feit dat de relatie tussen de twee onderhevig is aan de invloed van andere relevante respondentenkenmerken. Om maar een voorbeeld te geven, iemand met een hogere socio-economische positie heeft doorgaans minder deprivatie ervaren, en heeft bovendien de financiële middelen die hem of haar toestaan om op regelmatige wijze informeel af te spreken met vrienden, familie en collega’s. Wanneer we dergelijke kenmerken mee in rekening nemen, die overigens aangeven dat kwetsbare socio-economische groepen meer deprivatie hebben ervaren, blijkt nog dat sociale netwerken een sterke rol spelen. Globaal genomen zien we dat een sociaal geïsoleerde Europeaan (dus met weinig of geen sociale contacten) een deprivatiescore van 2,62 laat optekenen, terwijl een individu met frequente sociale contacten een ervaren deprivatiescore heeft van 2,22. Op het eerste zicht blijkt dus dat sociale netwerken inderdaad gemobiliseerd worden om deprivatie tegen te gaan. Daarnaast zien we echter dat de relatieve rol van de welvaartsstaten in het verklaren van deprivatie groter is dan deze van netwerken. Onze analyses tonen aan dat, gemiddeld genomen, inwoners van de meest genereuze welvaartsstaat - Noorwegen (met 12.500 euro sociale uitgaven per persoon) - driekwart schaalpunt minder deprivatie laten optekenen dan inwoners van de ‘kleinste’ welvaartsstaat, namelijk Bulgarije (met 500 euro uitgaven per persoon). Wonen in de meest of minst genereuze Europese welvaartsstaat heeft dus wel degelijk een opmerkelijke invloed op de ervaren deprivatie sinds het uitbreken van de financiële crisis.

Ondanks onze vaststelling dat de invloed van welvaartsstaten in het tegengaan van deprivatie groter is dan de rol van netwerken, zijn we vooral geïnteresseerd of het effect van sociale netwerken op ervaren deprivatie verschilt tussen Europese landen, en of zo een verschillende kwaliteit van sociale netwerken verklaard kan worden door welvaartsstaatuitgaven. Afzonderlijke analyses, die verder uitgewerkt zijn in een begeleidende paper, tonen inderdaad aan dat dit het geval is. Zoals we hoger aangeven, zien we globaal genomen dat netwerken deprivatie tegengaan. Toch stellen we vast dat dit effect nihil is in de meest omvangrijke welvaartsstaten, terwijl dit effect juist sterk negatief is in de beperkte welvaartsstaten. Met andere woorden, mensen die veelvuldige interacties hebben met vrienden, familie of collega’s hebben inderdaad beroep kunnen doen op deze netwerken om deprivatie tegen te gaan, maar de mobilisatie van netwerken was het sterkst in de minst ontwikkelde Europese welvaartsstaten. De resources die aanwezig zijn in sociale netwerken zijn dus meer ingezet in kleinere welvaartsstaten, juist omdat genereuze welvaartsstaten al zeer effectief zijn in het reduceren van deprivatie.

Figuur 2 vat de resultaten van onze analyses op een beknopte manier samen. De grafiek toont de op basis van de analyses voorspelde effecten (met daarrond de betrouwbaarheidsintervallen) van de frequentie sociale contacten op ervaren deprivatie, en dit voor zowel de meest omvangrijke welvaartsstaat (Noorwegen) als de meest beperkte welvaartsstaat (Bulgarije). De grafiek toont duidelijk aan dat significant meer deprivatie wordt ervaren in landen met een beperkte welvaartsstaat. Daarnaast geeft de grafiek ook weer dat er geen effect is van de frequentie van sociale interacties op ervaren deprivatie in Noorwegen, terwijl er in Bulgarije een duidelijk negatief effect is. In beperkte welvaartsstaten ervaren mensen met frequente interacties juist minder socio-economische achteruitgang.

Figuur 2. Het effect van sociale netwerken op ervaren deprivatie in kleine en grote welvaartsstaten.

Noot: De grafiek toont de voorspelde waarden (en hun betrouwbaarheidsintervallen) van het effect van sociale netwerken (X-as) op ervaren deprivatie (Y-as) in de kleinste (Bulgarije) en grootste (Noorwegen) welvaartsstaat.

DE PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ OP LOSSE SCHROEVEN

Ondanks het feit dat de huidige financiële crisis Europa heel wat miserie heeft gebracht, moeten wetenschappers uit verschillende disciplines er inzichten uit genereren waardoor dergelijke gebeurtenissen, en de gevolgen die ze met zich meebrengen, in de toekomst te vermijden zijn. In deze bijdrage zijn we nagegaan hoe de functionele kwaliteit van netwerken verschilt tussen verschillende welvaartsstaten, met als doelstelling een antwoord te geven op de vraag of informele sociale netwerken de rol van sociale voorzieningen kunnen overnemen wanneer de welvaartsstaat ontmanteld wordt. Het resultaat van onze analyse is vrij genuanceerd. Om te beginnen trappen we een open deur in als we vinden dat in omvangrijke welvaartsstaten mensen minder deprivatie ervaren. De welvaartsstaat biedt nu eenmaal vangnetten - uitkeringen, activerende maatregelen, enzovoort - om de negatieve gevolgen van de crisis (voornamelijk werkloosheid) op te vangen. Maar daarenboven hebben we ook gevonden dat sociale netwerken wel degelijk verpaupering kunnen tegengaan. Mensen met frequente interacties met vrienden, familieleden en collega’s gebruiken deze netwerken ook om deprivatie te beperken. Echter, in verhouding tot de efficiëntie van de welvaartsstaat is de rol van deze sociale netwerken toch wel klein.

De belangrijkste bevinding van ons onderzoek is dat deze functionele kwaliteit van sociale netwerken verschilt van land tot land, en juist bepaald wordt door de omvang van de welvaartsstaat. We stellen vast dat mensen hun netwerken minder mobiliseren in meer omvangrijke welvaartsstaten, en omgekeerd, dat in kleine welvaartsstaten mensen dus meer beroep lijken te doen op hun netwerken om deprivatie tegen te gaan. Het feit dat netwerken minder worden geraadpleegd in meer omvangrijke welvaartsstaten kan vrij logisch verklaard worden door het feit dat effectieve sociale programma’s reeds uitstekend werk doen in het voorkomen van deprivatie waardoor de rol van sociale netwerken juist minder belangrijk wordt. Onze voorspellingen tonen zo aan dat, gemiddeld genomen, de meest sociale respondent in de minst genereuze welvaartsstaat (Bulgarije) toch nog meer verarmd is dan de meest sociaal geïsoleerde respondent van de meest omvangrijke welvaartsstaat (Noorwegen). Dit suggereert dat zelfs in de kleinste welvaartsstaat netwerken nooit de efficiëntie van uitgebreide welvaartsstaatvoorzieningen zullen bereiken.

In het licht van deze resultaten is er weinig reden voor optimisme, zeker in het huidige economische klimaat waarin het risico dreigt dat de welvaartsstaat verder wordt uitgekleed. Aan de ene kant bestaat er een direct effect van de bezuinigingen op deprivatie, want met beperkte sociale voorzieningen worden bepaalde sociale risico’s mogelijk niet meer (voldoende) gedekt. Bovendien kunnen bezuinigingen de accenten verleggen van verticale (welvaartsstaat) naar horizontale relaties (informele sociale netwerken). Hierbij kan het probleem ontstaan dat bij bezuinigingen mensen juist minder geld en tijd hebben om te investeren in hun sociale netwerken waardoor het sociale middenveld kan verschrompelen en sociale netwerken worden uitgehold. Dit is niet ondenkbeeldig aangezien een aantal studies, inclusief de onze, heeft aangetoond dat informele sociale netwerken beperkter zijn in kleine welvaartsstaten. En dat verklaart meteen ook de grote paradox in ons onderzoek: enerzijds hebben mensen in omvangrijke welvaartsstaten frequentere sociale interacties dan in beperkte welvaartsstaten. Maar juist omdat welvaartsstaten al zo effectief zijn, hoeven deze netwerken minder aangesproken worden om deprivatie te voorkomen.

Ons onderzoek heeft natuurlijk ook enkele beperkingen, en er zijn voldoende aanzetten voor verder onderzoek. Om te beginnen hebben we een enkel tijdsmoment geanalyseerd, en zou het een belangrijke aanvulling zijn om gedetailleerd te onderzoeken welke strategieën mensen gebruiken om om te gaan met deprivatie. Bovendien is onze meting van sociale netwerken vrij grof en maakt ze niet het onderscheid tussen bijvoorbeeld vriendschapsbanden en familienetwerken. We weten bijvoorbeeld dat in Zuid-Europa familiebanden vrij sterk zijn. Ze worden gemakkelijker aangesproken. Dit zou kunnen impliceren dat de afwezigheid van een effect van netwerken op deprivatie in omvangrijke welvaartsstaten ook kan betekenen dat mensen in deze landen minder geïntegreerd zijn in hun familie. Een derde punt van discussie is de causale richting in ons onderzoek. De Europese Raad (2010) stelt bijvoorbeeld dat de sociale integratie moet worden bevorderd ‘met name door de vermindering van de armoede.’ Maar ook deze omgekeerde causale relatie toont het belang van de welvaartsstaat aan: sociale voorzieningen kunnen er zo juist voor zorgen dat verarmde mensen beter in staat zijn om hun sociale contacten te onderhouden. Een laatste punt is het feit dat, door de goede werking van genereuze welvaartsstaten, we geen goede uitspraken hebben kunnen doen over welke andere kwaliteiten netwerken in deze landen bezitten. Het is niet omdat in landen met uitgebreide voorzieningen netwerken geen functionele kwaliteit hebben om deprivatie tegen te gaan, dat ze niet op een andere manier ingezet worden.

IJLE GEDACHTE

In elk geval is er geen reden tot vreugde bij de recente troonrede van de Nederlandse Koning Willem-Alexander, of de besparingsdrift op het sociale beleid door het Antwerpse stadsbestuur. De gedachte dat vrienden, familie en vroegere collega’s de rol van afgeschafte sociale voorzieningen gaan overnemen is bijzonder nobel, maar op drijfzand gebouwd. Om te beginnen is de toegang tot sociale netwerken ongelijk verdeeld, en hebben lagere sociale groepen - die door deze crisis reeds hard zijn getroffen - een dunner sociaal netwerk dan hogere sociale klassen. In de afwezigheid van sociale programma’s, die deze solidariteit tussen sociale groepen juist bevat, zouden groepen aan de onderkant van de samenleving dus dubbel hard getroffen worden. Bovendien zorgt de welvaartsstaat ervoor dat tijd en geld beter herverdeeld worden, waardoor er beter geïnvesteerd kan worden in het onderhouden van sociale netwerken en het versterken van het middenveld. Maar bovenal omvat de welvaartsstaat expertise en programma’s die in tijden van crisis de resources binnen een netwerk overtreffen. Het neoliberale en communitaristische idee dat in deze 21ste eeuw de participatiesamenleving de welvaartsstaat van de 20ste eeuw kan vervangen, lijkt dus een bijzonder ijle gedachte.

Tim Reeskens
Post-doctoraal onderzoeker, KU Leuven en Universiteit van Amsterdam
Wim van Oorschot
Hoogleraar Sociologie, KU Leuven

Noten
1/ In dit onderzoek staan we niet stil bij de rol van formele sociale netwerken, zoals verenigingslidmaatschap en vrijwilligerswerk. (Pichler & Wallace, 2007)
2/ Meer informatie over deze survey vindt u op: http://www.europeansocialsurvey.org/.

Referenties
- Böhnke, P. (2008). Are the Poor Socially Integrated? The Link Between Poverty and Social Support in Different Welfare Regimes. Journal of European Social Policy, 18(2), pp. 133-150.
- Etzioni, A. (1995). The Spirit of Community. London: Fontana Books.
- European Council (2010) Conclusions - 17 June 2010. Brussels: General Secretariat of the Council.
- Finsveen, E., & van Oorschot, W. (2009). The Welfare State and Social Capital Inequality. An Empirical Exploration Using Longitudinal European/World Values Study Data from 13 Western Welfare States. European Societies, 11(2), pp. 189-210.
- Fukuyama, F. (2001). Social Capital, Civil Society and Development. Third World Quarterly, 22(1), pp. 7-20.
- Narayan, D. (1999). Bonds and Bridges. Social Capital and Poverty. Washington: World Bank.
- Pichler, F., & Wallace, C. (2007). Patterns of Formal and Informal Social Capital in Europe. European Sociological Review, 23(4), pp. 423-435.
- Putnam, R. D. (2000). Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community. New York: Simon and Schuster.
- Saegert, S., Thompson, J. P., & Warren, M. (2001). Social Capital and Poor Communities. New York: Russell Sage Foundation.
- Van Oorschot, W., & Arts, W. (2005). The Social Capital of European Welfare States. The Crowding Out Hypothesis Revisited. Journal of European Social Policy, 15(1), pp. 5-26.
- Woolcock, M. (2002). Social Capital in Theory and Practice: Where Do We Stand? (pp. 18-39). In: J. Isham, T. Kelly and S. Ramaswamy (eds.), Social Capital and Economic Development: Well-Being in Developing Countries. Cheltenham: Edward Elgar.

participatiesamenleving - welvaartsstaat - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 12