Abonneer Log in

Pleidooi voor successierechten

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 7 (september), pagina 57 tot 63

Niemand betaalt graag successierechten. Als je iets erft bij het overlijden van je ouders, nonkel of nicht, dan wil je liefst dat de staat daarvan afblijft. In het beste geval beschouwen we successierechten als een noodzakelijk kwaad om de schatkist te spijzen. Maar in wezen zijn successierechten veel meer dan dat. Het belang van successierechten ligt vooral in haar herverdelende functie. Dat is een functie die, zoals in deze bijdrage wordt aangetoond, onontbeerlijk is in onze democratie. Successierechten zijn geen blok aan ons been, maar zuurstof voor onze democratie. Deze bijdrage wil dan ook benadrukken dat men bij het hervormen van de successierechten rekening moet houden met de herverdelende functie ervan, ook als die hervormingen gericht zijn op het eerlijk behandelen van nieuwe samenlevingsvormen.

GEBREK AAN VISIE

Op maandag 19 mei, een week voor de verkiezingen, werd in het programma De ideale wereld op Eén aan de Vlamingen en aan enkele politici een interessante stelling voorgelegd. Voorgesteld werd om kinderen geen successierechten meer te laten betalen wanneer ze het ouderlijk huis erven. Van de via enquête ondervraagde Vlamingen kon meer dan 91% zich in deze stelling vinden. Dat was een record, zo deelde presentatrice Phara de Aguirre mee. De aanwezige politici konden zich echter niet helemaal in deze stelling vinden. Annemie Turtelboom (Open VLD) wees er op dat de erfenisrechten zeker verlaagd moeten worden, doch dat dit vooral dient te gebeuren ten aanzien van andere erfgenamen dan de kinderen. Daarbij pleitte zij voor een modernisering, oftewel flexibilisering, van het erfrecht. Men zou het volgens haar gemakkelijker moeten maken om te kiezen aan wie we onze nalatenschap vererven. Jan Jambon (N-VA) leek het in principe eens te zijn met de stelling, doch meende dat dit voorstel momenteel niet aan de orde is ‘omdat de Vlaamse overheid nu eenmaal inkomsten nodig heeft’. Turtelboom repliceerde hierop dat een verlaging van de erfenisrechten niet tot minder inkomsten zal leiden omdat mensen met een groot vermogen (diegenen die nu middels de hulp van raadsmannen veel moeite doen om de successierechten te ontwijken) wel successierechten zouden betalen indien het tarief zou worden verlaagd.

Wat opviel in het debat was dat successierechten alleen verdedigd werden als een bron van inkomsten voor de overheid. Alsof successierechten alleen een noodzakelijk kwaad zijn om de overheid te financieren. Naar mijn mening is zo’n enge, neoliberaal getinte visie op het erfrecht betreurenswaardig. De wijze waarop het erfrecht en de belastingen op erfenissen gestalte krijgen, is immers van fundamenteel belang in elke samenleving. In zijn boek Unverdientes Vermögen toonde de Duitse socioloog Jens Beckert overtuigend aan dat de contouren van het erfrecht steeds gebaseerd zijn op een afweging tussen de belangen van de gemeenschap, de familie en het individu. Het lijkt dan ook gepast om in een maatschappelijk debat met al deze belangen rekening te houden, en niet alleen met de bekommernissen van de boekhouder van de overheid.

WAAROM ELKE DEMOCRAAT WAKKER MOET LIGGEN VAN SUCCESSIERECHTEN

Wat echter belangrijker is dan de vaststelling dat het erfrecht een maatschappelijk debat waard is, is de vaststelling dat het erfrecht een fundamentele rol te vervullen heeft in onze democratische samenleving. In het boek Over de democratie in Amerika schreef de bekende en door onze politici (zoals Bart De Wever en Jean-Marie Dedecker) vaak aangehaalde 19de eeuwse filosoof Alexis De Tocqueville over het erfrecht:

‘Deze wetten behoren weliswaar tot de civiele orde, maar zij zouden boven alle politieke instellingen moeten worden geplaatst, want zij hebben een ongelooflijke invloed op het sociale bestel van de volken waarvan de constitutionele wetten niet anders zijn dan de uitdrukkingsvorm. (…) afhankelijk van haar constitutie verzamelt zij, concentreert zij, groepeert zij rond een bepaalde persoon het eigendom en al spoedig daarna de macht; zij doet als het ware de aristocratie uit de grond opschieten. Wordt zij geleid door andere principes en op een ander spoor in beweging gezet, dan boekt zij nog sneller resultaat; zij verdeelt, zij deelt toe, zij verspreidt goederen en macht.’

‘Zij doet als het ware de aristocratie uit de grond opschieten.’ Het zijn woorden om over na te denken, zeker in een samenleving waarin we bij verkiezingen en regeringsvormingen herhaaldelijk gewaarschuwd worden voor de internationale markten. De Tocqueville was van mening dat een verandering in het erfrecht een van de belangrijkste factoren was die had bijgedragen aan de democratisering van de Europese beschaving in de moderne tijd. Hij bemerkte dat daar waar in de middeleeuwen de oudste zoon van een adellijk geslacht al het vermogen erfde, dit stelsel geleidelijk aan vervangen werd door de gelijke vererving onder de verschillende kinderen. En omdat mensen vroeger doorgaans veel kinderen hadden, had dit (samen met onder meer de opkomst van de handel) tot gevolg dat de macht van verschillende aristocratische dynastieën geleidelijk afbrokkelde en een meer gelijke samenleving kon ontstaan. Die meer gelijke samenleving, zeg maar de opkomst van de middenklasse, was volgens de Tocqueville de basisvoorwaarde voor het ontstaan van de democratie. Deze opvatting van de Tocqueville lijkt niet uit de lucht gegrepen te zijn: het is vandaag nog steeds moeilijk om een goedwerkende democratie op een wereldkaart aan te duiden waar geen sterke middenklasse is.

Volgens de Tocqueville was de democratie in essentie een subtiele evenwichtsoefening tussen vrijheid en gelijkheid. Als er te veel vrijheid is, zo gaf hij aan, dan zouden de rijken de macht naar zich toetrekken en uiteindelijk de vrijheid van de anderen beperken. Als er te veel vrijheid was dan evolueert de samenleving, aldus de Tocqueville die zelf uit een adellijk geslacht voortkwam en de adellijke samenleving genegen was, naar een aristocratie. Als de samenleving anderzijds te sterk overweegt naar gelijkheid, als mensen absoluut willen dat allen gelijk zijn, dan heeft die samenleving volgens de Tocqueville behoefte aan een instelling die deze gelijkheid bewerkstelligd, wat (in een haast visionaire idee van het latere communisme) zou meebrengen dat deze instelling oppermachtig wordt. Een zekere mate van herverdeling, zo leert dit alles ons, is dus noodzakelijk om de balans tussen vrijheid en gelijkheid, en dus de democratie zelf, in stand te houden. Het erfrecht is een belangrijk instrument om tot herverdeling te komen.

Als we vanuit deze bril naar het erfrecht kijken, dan is het verwonderlijk dat het erfrecht vandaag zelden vanuit haar herverdelende functie wordt benaderd. Dit is des te opmerkelijker omdat een substantieel deel van al het bestaande vermogen via deze weg verkregen wordt. Beckert geeft in zijn studie aan dat er geen duidelijkheid bestaat omtrent de omvang van het totale aandeel van vererfde vermogens binnen het bestaande vermogen. De schattingen lopen sterk uiteen. Maar wel lijkt het om een omvangrijk deel van al het bestaande vermogen te gaan. Daarbij geeft Beckert aan dat van al het vererfde vermogen, een zeer kleine groep van mensen veruit het grootste aandeel verkrijgt. Dat zulks plausibel is, blijkt ook uit de vele waarschuwingen over de toenemende ongelijkheid (een probleem dat ook op de vorige bijeenkomst van het Wereld Economisch Forum in Davos werd erkend) en uit het werk van Thomas Piketty, de econoom die aantoonde dat het rendement op kapitaal sinds enkele decennia veel hoger ligt dan dat op arbeid, een tendens die omgekeerd is aan diegene die de Tocqueville in het midden van de 19de eeuw waarnam en welke volgens hem tot gevolg had dat democratische hervormingen onoverkomelijk waren.

Dit is uiteraard uitermate relevant wanneer we spreken over het erfrecht. Want als in het televisieprogramma De ideale wereld wordt aangenomen dat kinderen eigenlijk geen successierechten op hun ouderlijke woonst zouden moeten betalen, dan ging dit steevast gepaard met de boodschap dat het onaanvaardbaar is dat je belastingen moet betalen op een huis dat jouw ouders hebben gekocht met hun zuur verdiende centjes en waarop ze al belastingen hebben betaald in de vorm van registratierechten, grondbelastingen en inkomstenbelastingen. Omdat we echter kunnen aannemen dat een groot deel van het vermogen ontspruit uit kapitaal dat van generatie op generatie wordt overgedragen, en omdat de groeiende ongelijkheid gezien kan worden als een bedreiging voor onze democratie, moeten we dit beeld minstens gedeeltelijk bijstellen. We moeten dan aanvaarden dat als we de successierechten verlagen, we tegelijk sleutelen aan één van de belangrijkste pijlers van onze democratische samenleving: met name aan de herverdeling van vermogens over generaties heen.

WAAROM ONS HUIDIG STELSEL NOG ZO ERG NIET IS

Het huidige systeem van belastingen op erfenissen met progressieve tarieven is gebaseerd op een model waarbij mensen hun kapitaal aan meerdere kinderen vererven. Dat mensen dit ook effectief doen, volgt uit het reservatair of voorbehouden deel: het deel dat krachtens de wet aan de kinderen toekomt. Als iemand één kind heeft, dan komt de helft van de nalatenschap krachtens de wet aan dit kind toe. Zijn er twee kinderen, dan hebben zij samen recht op twee derde van de nalatenschap. Bij drie kinderen wordt dit drie vierde enzovoort. Al de kinderen betalen dan op de eerste 50.000 euro die ze erven 3% successierechten, op de schijf tussen de 50.000 en de 250.000 euro 9% en op alles boven de 250.000 euro 27%. Voor erfenissen tussen broers en zussen zijn die tarieven respectievelijk 30, 55 en 65% en voor erfenissen tussen andere personen 45, 55 en 65%. Omdat dit schema oorspronkelijk is ingevoerd in een samenleving waarin de meeste mensen veel kinderen hebben (denk maar aan de grote naoorlogse gezinnen), heeft dit model als gevolg dat de meeste mensen niet al te veel successierechten moeten betalen indien hun ouders een modaal vermogen hebben. Als vier kinderen een huis van 200.000 euro erven, erven ze ieders 50.000 euro en betalen ze hier ieders 3% belastingen op. Ze betalen dan elk 1500 euro successierechten. Is het huis 400.000 euro waard, dan betalen ze op de eerste 50.000 euro die ze ieders erven 1.500 euro belastingen en op de volgende schijf 4.500 euro. Ze betalen dan elk 6.000 euro successierechten op een erfenis van 100.000 euro. Op een erfenis van 200.000 euro wordt dit 15.000 euro. Erf je het huis van 400.000 euro alleen, dan betaal je 60.000 euro belastingen. Dat is een aanzienlijk bedrag, maar je houdt wel 340.000 euro over.

Als iemand die niet erft - zoals Beckert aangeeft, erft het overgrote deel van de mensen nooit een aanzienlijk bedrag - hetzelfde kapitaal bij een bank wil lenen, dan moet hij daar tegen een vaste interestvoet van 4% gedurende dertig jaar 1.609 euro per maand voor betalen. Dat is dus dertig jaar een volledig gemiddeld maandloon in België. Om dus evenveel kapitaal te kunnen verkrijgen door arbeid (waarop veel hogere belastingen betaald moeten worden) als hetgeen iemand verkrijgt die 400.000 euro erft, moet je dus haast al de vruchten van jouw werk over heel jouw leven opgeven.

Bovendien staat de situatie van personen die niet erven in feite niet los van de situatie van mensen die wel erven. De laatste jaren horen we steeds vaker dat jongeren slechts een woning kunnen kopen met de hulp van hun ouders. Vaak kunnen die ouders maar financiële steun aan hun kinderen bieden omdat zij van hun ouders (de grootouders zeg maar) geërfd hebben. In het voorstel van Turtelboom wordt deze mogelijkheid nog vereenvoudigd. Volgens dat model zouden de grootouders, die over meer vrijheid beschikken om te testeren, hun vermogen rechtstreeks aan hun kleinkinderen kunnen vererven zonder dat er daarbij veel successierechten betaald moeten worden. Welnu, doordat een deel van de jongeren die een woning willen aanschaffen op deze manier over een grotere koopkracht beschikken, zullen zij de prijzen op de huizenmarkt nog opdrijven. Mensen die nooit erven, worden op die manier twee keer benadeeld door het erfrecht. Ten eerste omdat ze niet erven (en je kiest er als mens niet voor wie jouw ouders zijn) en ten tweede omdat het erfrecht indirect de prijzen van (onder meer) vastgoed doen stijgen.

Dit alles moet ons niet doen besluiten dat we het erfrecht als een moreel verwerpelijk iets moeten beschouwen. Zoals de bioloog Edward Wilson in zijn boek The social conquest of earth op een overtuigende manier aantoont, heeft de mens van nature een drang om het voor zijn eigen verwanten op te nemen. Die drang negeren, is onmogelijk. Men kan mensen niet verbieden om iets door te geven aan hun verwanten. Maar dat staat er niet aan in de weg dat men de gevolgen hiervan kan matigen. Het erfrecht zal zo steeds een balans moeten inhouden tussen enerzijds de wil van ouders om iets voor hun kinderen na te laten, en anderzijds de herverdelende rol die aan deze rechtstak eigen is.

Bovendien moeten we er op wijzen dat de successierechten vandaag al bij al nog wel meevallen, tenminste als je (zoals in het hierboven uitgewerkte voorbeeld) van jouw ouders erft. Wanneer je echter van een suikernonkel of van jouw grootouders erft, dan betaal je veel meer. De tarieven bedragen dan 45, 55 en 65%. Als je dus met vieren een huis van 400.000 euro van een suikernonkel erft, dan erft elk 100.000 euro en moeten alle erfgenamen daar 50.000 euro successierechten op betalen. Erf je alleen het huis van je suikernonkel, dan moet je voor de nalatenschap van 400.000 euro zo’n 229.000 euro belastingen betalen.

Maar als we ervan uitgaan dat een doorsnee huis tussen de 200.000 en de 300.000 euro waard is, mensen buiten hun woning weinig bezittingen hebben, de meeste mensen twee of meer kinderen hebben en suikernonkels- en tantes eerder uitzonderlijk zijn, dan zullen mensen in de loop van hun leven weinig successierechten moeten betalen. Wanneer we echter rekening houden met het gegeven dat doorsnee gezinnen vandaag de dag vaak weinig kinderen hebben en we, zoals Turtelboom voorstelt, het reservatair deel afbouwen of zelfs afschaffen en de successierechten bij erfenissen van anderen dan de ouders verlagen, dan bestaat er een kans dat er in sommige gevallen weinig mensen van veel mensen erven en daarop weinig belastingen betalen. Als iemand naast zijn ouders twee suikernonkels heeft en van hen allen een huis van 400.000 euro erft, dan zou die persoon (wanneer de belastingen op erfenissen van nonkels op het niveau van erfenissen van ouders wordt gebracht) over drie erfenissen verspreid 1.200.000 euro erven en daar in totaal 180.000 euro belastingen op betalen. In het geval iemand van vier nonkels of tantes telkens 100.000 euro erft, dan betaalt hij daar volgens deze tarieven in totaal 24.000 euro belastingen op. Veel minder dus als de 60.000 euro die iemand betaalt als hij één keer 400.000 euro erft.

HERVERDELENDE FUNCTIE VAN HET ERFRECHT VERZOENEN MET NIEUWE SAMENLEVINGSVORMEN

Ik wil hiermee niet aantonen dat ons erfrecht en onze successierechten niet aan een hervorming toe zijn. Turtelboom heeft gelijk wanneer ze zegt dat de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden een nieuw erfrecht vereisen. Het is in vele gevallen problematisch dat grootouders moeilijk kunnen vererven aan bijvoorbeeld kleinkinderen of dat een kind uit een arm gezin dat nooit van zijn ouders zal erven veel successierechten moet betalen op de nalatenschap van een suikernonkel. Maar dat alles neemt niet weg dat met de mogelijkheid om van verschillende personen te erven, de doelstellingen van de huidige progressieve successierechten eigenlijk onderuit worden gehaald. Een grotere testamentaire vrijheid en lagere successierechten mogen vanuit ethisch oogpunt dan wel wenselijk zijn, ze maken het voor mensen ook gemakkelijker om het familiekapitaal te verenigen in één persoon, zeker omdat families kleiner worden. Zulks lijkt me, gezien het eerder aangehaalde belang van de verdelende functie van het erfrecht, problematisch. Wat we dus moeten doen, is proberen de ethische en de herverdelende rol van het erfrecht te verzoenen.

Een denkpiste in deze richting bestaat erin om de tarieven van de erfrechten niet meer te baseren op de erfenis doch wel op de persoon van de erfgenaam. Vandaag zijn de tarieven toepasselijk bij elke erfenis die iemand krijgt. Indien iemand gedurende zijn leven zes keer erft, dan zal hij, indien de tarieven voor anderen dan de ouders op hetzelfde niveau teruggebracht zouden worden, zes keer in de laagste belastingschijf vallen. In feite kan het zelfs twaalf keer zijn omdat onze wetgeving de tarieven om mysterieuze redenen apart toepast op de erfenis van onroerende en roerende goederen, een discriminatie die best zo snel mogelijk wordt weggewerkt. Door echter de tarieven niet meer te berekenen per erfenis doch wel per erfgenaam, zou men het bedrag van een tweede erfenis bovenop dat van de eerste erfenis moeten tellen en in die schijven successierechten moeten betalen. Men zou van de successierechten dan eigenlijk een soort belastingen op de aangroei van het vermogen maken. Dat zou dan gekwalificeerd kunnen worden als een aangroei van het vermogen buiten inkomsten uit interesten, dividenden of arbeid om. Erfenissen, schenkingen en de omzetting van blote eigendom in volwaardige eigendom (het instrument dat nu vaak gebruikt wordt om alle successierechten te omzeilen) zouden er wel onder moeten vallen. Van deze regeling zou men wel de schenkingen en erfenissen van huwelijkspartners of wettelijk samenwonende partners moeten uitsluiten. Zij vormen immers een economische eenheid, waardoor men bezwaarlijk kan aannemen dat de vererving van de ene aan de andere partner afgeremd moet worden omwille van de herverdelende functie van het erfrecht.

Als we dit stelsel zouden invoeren, dan zou iemand die 400.000 euro in vier keer erft in totaal evenveel belastingen moeten betalen als iemand die één keer 400.000 euro erft. Daarbij zou men de discriminatie die ontstaat door de roerende en de onroerende goederen apart te verrekenen ook kunnen wegwerken. Men zou dan voor roerende en onroerende goederen in de nalatenschap samen kunnen tellen en kunnen belasten op basis van schalen die hoger zijn als de huidige. Zo zou men het tarief van 3% kunnen toepassen op een laagste schijf van 75.000 euro, 9% op de schijf tussen de 75.000 en de 300.000 euro, 27% op de schijf van 300.000 tot 600.000 euro, 45% op de schijf tot 900.000 euro, enzovoort. Op die manier zou iemand die alleen (een deel van) het huis van zijn ouder erft nog steeds weinig successierechten moeten betalen indien dit een huis is van een gemiddelde waarde, maar zal men anderzijds de herverdelende functie van het erfrecht niet verloochenen.

Natuurlijk zou men kunnen tegenwerpen dat zulke hoge tarieven nog steeds problematisch zijn en niet tegemoetkomen aan één van de grootste hedendaagse problemen. Turtelboom wees er immers op dat mensen met een groot vermogen maar al te vaak beroep doen op experten die hen helpen om de successierechten te ontwijken. Omdat juist de mensen met de grootste vermogens op die manier de successierechten kunnen omzeilen, mist ons huidige systeem haar doel. Successierechten zijn vandaag een belasting op de middenklasse, terwijl ze vanuit het oogpunt van de Tocqueville net de rijken zou moeten treffen als we een democratische samenleving nastreven. Maar dat betekent niet dat we de herverdelende functie van het erfrecht maar moeten laten voor wat het is. Het is niet omdat de vissen door de mazen van het net glippen, dat we moeten stoppen met vissen vangen. Als de vissen door de mazen van het net glippen, dan moet je jouw net herstellen of er een nieuw aanschaffen.

Stefan Somers
Assistent aan de rechtenfaculteit van de Vrije Universiteit Brussel

successie- en schenkingsrechten - herverdeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 7 (september), pagina 57 tot 63