Abonneer Log in

A European Social Union after the Crisis

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 2 (februari), pagina 78 tot 81

A European Social Union after the Crisis

Frank Vandenbroucke, Catherine Barnard, Geert De Baere (ed)
Cambridge University Press, Cambridge, 2017

Nu de Europese Commissie met de Europese Pijler van Sociale Rechten een poging doet om de Europese Unie een sterker sociaal gezicht te geven, is een academische kijk op hoe dat er zou kunnen uitzien erg welkom. Inzichten over hoe het verder moet met de Europese integratie na de opeenvolgende economische, sociale en politiek crises die Europa troffen, hebben Frank Vandenbroucke en collega's ertoe aangezet om hun ideeën te verzamelen in een boek rond het centrale idee van een 'Europese Sociale Unie'.

Het boek tracht in 19 bijdragen en meer dan 500 bladzijden zowel het wat, waarom en hoe van die Sociale Unie uit te leggen. Het is een boeiend werkstuk voor wie geïnteresseerd is in de sociale dimensie van de Europese Unie, niet alleen omdat het zoveel aspecten van de zaak behandelt, maar ook omdat er experten aan het woord komen die het niet noodzakelijk eens zijn met elkaar, maar hun standpunt wel sterk onderbouwen.

Het boek is verdeeld in vier delen.

Het eerste deel verduidelijkt het concept van een Europese Sociale Unie vanuit begrippen van solidariteit, rechtvaardigheid en legitimiteit. Frank Vandenbroucke verklaart de keuze voor dit begrip en geeft uitleg over de werking van een Europese Sociale Unie. De term is niet toevallig gekozen en verschilt van het gangbare 'sociaal Europa': na 50 jaar debat over de sociale dimensie van de Europese integratie is het tijd voor een nieuwe benadering, waarbij de Europese Sociale Unie als kerntaak heeft om de nationale welvaartsstaten actief te ondersteunen. Vanuit de tekortkomingen van de monetaire unie, argumenteert hij dat er limieten zijn aan de diversiteit in de sociale stelsels van de lidstaten en dat een basisconsensus over sociale convergentie in Europa een must is. Maar ook de enorme spreidstand die is ontstaan tussen de sterk geïntegreerde interne markt en de schamele gemeenschappelijke sociale regels die gelden op die markt, veroorzaakt scherpe scheeftrekkingen die vragen om meer sociale convergentie. De veelbesproken gevolgen van sterke marktintegratie zonder sterke sociale integratie, arbeidsmigratie, vrij verkeer van diensten, detachering en sociale dumping zijn thema's die uiteraard ook in dit boek niet konden ontbreken. Vandenbroucke haalt er de normatieve argumenten over sociale rechtvaardigheid bij die ook de Europese Founding Fathers inspireerden, om te pleiten voor een meer hedendaagse visie op Europese solidariteit. Over hoe die solidariteit er moet uitzien is heel wat discussie in het boek. Maurizio Ferrera houdt het ambigue begrip 'sociaal Europa' tegen het licht en pleit voor een bescheiden model van gemeenschappelijke sociale standaarden. Helder De Schutter daarentegen heeft een veel idealistischere kijk op Europese sociale integratie, gebaseerd op verdelende rechtvaardigheid.

De verantwoording voor een Europese Sociale Unie halen de auteurs vooral uit de tekortkomingen aan het integratiemodel van de Eurozone die aan het licht kwamen tijdens de financiële crisis, waar Europa – in tegenstelling tot de Verenigde Staten - niet beschikte over een stabiliseringsmechanisme om de asymmetrische schokken in de Eurozone op te vangen. In het tweede deel dat specifieke beleidsdomeinen belicht, behandelen verschillende auteurs de governance van de Eurozone. Gewezen Europees Commissaris László Andor constateert dat de capaciteit van de nationale welvaartsstaten om werkloosheid, armoede en ongelijkheid te bestrijden, sterk verzwakt zijn tijdens de crisis. Hij concludeert hieruit dat de Eurozone een soort werkloosheidsverzekering nodig heeft en hij gaat in op de voorwaarden voor en de politieke haalbaarheid van zo'n verzekering op Europees niveau. Paul De Grauwe pleit in zijn bijdrage voor een budgettaire Unie waarbij transfers kunnen gebeuren tussen landen van de Eurozone, omdat de landen in de periferie niet in staat zijn om die rol te vervullen. Hij waarschuwt wel dat dergelijke oplossingen ook een meer politieke Unie veronderstellen om legitimiteitsproblemen te vermijden. Bijdragen van de Europese vakbonden en werkgeversorganisatie exploreren wat de Europese sociale dialoog nog kan betekenen voor de ontwikkeling van het Europese sociale model. Sonja Bekker beantwoordt de vraag of ook het proces van de Europese Semester - mits drastische sociale bijsturing - hierbij een rol kan spelen. Interessant zijn ook de bijdragen van Marc Hooghe en Soetkin Verhaegen die onderzoeken welke de voorwaarden zijn die moeten worden voldaan om een Europese Sociale Unie uit te bouwen. Hun conclusie is dat een hoge graad van vertrouwen in de Europese instellingen onmisbaar is om vormen van Europese solidariteit te kunnen uitbouwen. Laat nu uitgerekend de legitimiteit van de Europese instellingen in de afgelopen periode sterk geërodeerd zijn.

Het derde deel van het boek gaat over de juridische vraagstukken. Ook hier verschillen de experten dikwijls van mening. Koen Lenaerts rekt in zijn artikel de toepassing van het Europees Charter van Fundamentele rechten op tot het uiterste: hij argumenteert dat sociale rechten ook moeten worden nageleefd in de voorwaarden die worden opgelegd aan lidstaten die financiële hulp nodig hebben, ook als dat buiten de normale mechanismen van de verdragen gebeurt. Dat staat haaks op de overtuiging van Simon Deakin die in zijn bijdrage over de mogelijks gunstige invloed van de nieuwe pijler van sociale rechten stelt dat het Charter helemaal niet compatibel is met de Memoranda die door de Troika worden opgelegd aan landen in financiële nood. Kornezov is het hiermee eens en argumenteert dat sociale rechten slechts van toepassing zijn op beslissingen die op basis van de Verdragen genomen worden, een reden om het Europees Stabiliteitsmechanisme onder de Verdragen te brengen, zoals nu in de plannen van de Europese Commissie te lezen valt. Bovendien zijn vooral sociale rechten in het Charter voorzichtig geformuleerd waardoor ze, in tegenstelling tot politieke en burgerrechten, maar een dubieus effect hebben op Europese beslissingen. Terwijl Geert De Baere en Kathleen Gutman beschrijven welke – relatief bescheiden - bevoegdheden de Europese Unie heeft om sociaal beleid te ontwikkelen, maakt Gerard van der Schyff duidelijk dat ook de grondwettelijke bepalingen van de lidstaten grenzen stellen aan de sociale ambities van Europa.

Het laatste deel keert terug naar de band tussen het Europese sociale beleid en de Europese integratie. Barnard argumenteert dat de EU schuldig verzuim kan worden verweten voor de Brexit: waar de Founding Fathers van Europa nog argumenteerden dat economische vooruitgang ook zou zorgen voor sociale vooruitgang binnen en tussen lidstaten, blijkt nu overduidelijk dat er integendeel groeiende ongelijkheid tussen en binnen lidstaten gegroeid is. De ontstentenis van enig geloofwaardig antwoord van de EU op de angsten van het moment over tanende werkzekerheid en het afbreken van openbare dienstverlening zorgde ervoor dat het Leave-kamp succesvol kon inhakken op het Europese beleid van migratie en vrij personenverkeer. Dorte Sindbjerg Martinsen merkt trouwens op dat de groeiende weerstand bij de bevolking tegen arbeidsmigratie uit Oost-Europa geleid heeft tot een veel restrictievere interpretatie van het Europees Hof van Justitie over het Europees burgerschap, en dus ook tot een versmalde toegang tot de sociale welvaartsstaat en zijn sociale uitkeringen. Zij benadrukt ook dat het niet volstaat om het nationale sociale beleid af te schermen, maar dat er Europese sociale wetgeving moet komen die grensoverschrijdende problemen aanpakt, én dat de Europese landen een vloer van gemeenschappelijke sociale rechten moeten overeenkomen.

Het boek schetst de contouren van de reusachtige uitdagingen waarvoor de Europese Unie staat, wil ze opnieuw de harten van mensen kunnen veroveren en het bewijs leveren dat goed uitgebalanceerd Europees sociaal beleid in staat is om negatieve gevolgen van globalisering te vermijden op het niveau van de Europese Unie. Met hun pleidooi voor een Europese Sociale Unie begeven de auteurs zich wel op onbekend terrein, want nergens in de wereld is er een voorbeeld van een dergelijk supranationaal model. De voorwaarden om dat project te doen slagen zijn ook niet niks: er is een bijzonder grote dosis politieke wil en overtuigingskracht voor nodig, die niet echt voor de hand ligt in een periode van groeiend euroscepticisme en sociale onvrede met het Europese beleid. Maar tegelijk maakt het boek duidelijk dat zo'n kwantumsprong nodig is om Europa opnieuw een draagvlak te geven bij de bevolking.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 2 (februari), pagina 78 tot 81