Abonneer Log in

The Great Leveler

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 88 tot 90

The Great Leveler

Walter Scheidel
Princeton University Press, Princeton, 2017

Walter Scheidel is een vreemde eend in de bijt van de sociale en economische wetenschappers die de laatste jaren het thema ongelijkheid terug op de agenda hebben gezet. In tegenstelling tot autoriteiten in het veld als Thomas Piketty, Branko Milanovic, Nobelprijswinnaar Angus Deaton of de betreurde Tony Atkinson is Scheidel geen econoom, maar een historicus. Eéntje gespecialiseerd in het Oude Rome nog wel. Oostenrijker van geboorte, doceert Scheidel ondertussen aan de prestigieuze Stanford University waar hij vooral werkt rond de arbeidsvoorwaarden op het Romeinse platteland en de demografie van het Middellandse Zeegebied.

In zijn laatste boek tracht ook Scheidel lessen te trekken uit de op- en neergaande golven van ongelijkheid sinds het begin van de mensheid tot vandaag. Hij baseert zijn analyse op die episodes in de geschiedenis waarin ongelijkheid in inkomens en vermogen spectaculair daalde, 'leveling' zoals hij dat noemt. Die analyse doet hem concluderen dat verregaande en duurzame reductie van ongelijkheid, zowel absoluut als relatief, slechts vier drijvende krachten heeft: massamobilisatie als gevolg van oorlogvoering, ingrijpende en transformatieve politieke omwentelingen (zoals de Russische Revolutie in de vorige eeuw), de ineenstorting van staatsstructuren en pandemieën (zoals de Zwarte Pest op het 14e eeuwse Europese continent). Die vier krachten noemt Scheidel de 'vier ruiters van gelijkschakeling', naar analogie met het Nieuwe Testament.

Soms rijden die ruiters alleen, soms verschijnen ze samen aan de horizon. Maar elk afzonderlijk zorgen ze steeds voor dezelfde dynamiek. Enerzijds maken ze dat arbeid beter wordt beloond omdat het relatieve aandeel ervan toeneemt of minstens constant blijft terwijl de vergoeding voor kapitaal (voor het grootste deel van de menselijke geschiedenis vooral land) constant blijft. In het geval van pandemieën is dat mechanisme zeer makkelijk te begrijpen. Een sterk toenemende mortaliteit zorgt voor tekorten op de arbeidsmarkt wat de relatieve vergoeding van die arbeid doet stijgen. In het geval van militaire massamobilisatie gebeurt de gelijkschakeling als gevolg van de toenemende belastingdruk vanwege de oorlogvoerende staat en actieve interventies in de economie om die oorlogsinspanning gaande te houden. Ingrijpende politieke omwentelingen zoals de revoluties in China of de Sovjet-Unie zorgen voor gelijkschakeling vanuit een bewuste ideologische keuze en dwingen dat niet zelden met geweld af. Bij de ineenstorting van staten zijn het meestal de economische elites en renteniers die het meest te verliezen hebben bij de teloorgang van het status quo wat leidt tot een nieuw evenwicht en meer gelijkheid.

Tijdens de meest recente periode ziet Scheidel de beide wereldoorlogen als de enige bepalende factoren van 'the Great Compression'. De vaststelling dat het aandeel van de topinkomens in de totale verdeling in de meeste Europese en westerse landen tijdens de oorlogsperiodes veel lager was dan daarna doet Scheidel besluiten dat dergelijke massale militaire mobilisatie inderdaad één van de vier ruiters van gelijkschakeling is, maar ook dat de naoorlogse krimp in ongelijkheid nooit in die mate had kunnen plaatsvinden zonder het conflict als dusdanig. Er was natuurlijk ook het beginnende sociaal beleid, progressieve belastingen en maatregelen tegen al te sterke concentratie in de economie, maar zonder de oorlog zelf had het effect daarvan op ongelijkheid nooit in die mate kunnen spelen.

Net zoals in het Nieuwe Testament zijn de vier ruiters niet bepaald de voorbodes van goed nieuws. Vreedzame manieren om ongelijkheid substantieel in te dammen lijken niet te bestaan. Er is dan ook weinig ruimte voor meer autonome gelijkschakeling op basis van een beleid dat daar ook voor kiest. Scheidel erkent dat de enorme groei van vakbonden na de Tweede Wereldoorlog een rol hebben gespeeld als vreedzame vector van gelijkschakeling, maar zegt er ook bij dat die massale syndicalisering in functie was van de oorlogsmobilisatie. Hier slaagt hij er niet in te overtuigen. We willen nog wel geloven dat de welvaartsstaat inderdaad veel te danken had aan de oorlog omdat ze gebruikt maakt van dezelfde fiscale 'infrastructuur' die nodig was voor de massale mobilisatie van mensen en middelen, maar hoe de link tussen syndicalisering en oorlogsmobilisatie precies werkt komen we niet te weten.

Net omdat Scheidel geen vreedzame manier van gelijkschakeling ziet, is dit een deprimerend boek. Anders dan Piketty of Milanovic die ook op zoek gaan naar de determinanten van de evolutie van ongelijkheid op lange termijn, is Scheidel een fatalist. Hij ziet de geschiedenis eerder als een dwangbuis. 'If history is anything to go by, peaceful policy reform may well prove unequal to the growing challenges ahead', laat hij optekenen in het laatste hoofdstuk. Daarin ziet hij geen krachtig alternatief voor de vier gewelddadige ruiters. Er is dus geen levensvatbare manier om ons naar meer gelijkheid te stemmen, reguleren of onderwijzen. Niet alleen omdat het effect – in afwezigheid van de ruiters – steeds beperkt zal zijn maar ook omdat maatregelen die echt het verschil maken politiek niet haalbaar lijken. Zo verwijst Scheidel naar cijfers van François Bourguignon die berekende dat de effectieve belastingdruk voor de Amerikaanse '1%' zou moeten verdubbelen – van 35 tot 67,5% - om hun aandeel in het beschikbaar inkomen naar het niveau van 1979 te brengen. Geen haalbare kaart voor Scheidel.

Dat de vier ruiters van gelijkschakeling achterwege blijven en we dus voor een lange periode van toenemende kapitaalsaccumulatie en ongelijkheid staan, is ook niet per se slecht nieuws voor Scheidel. De ruiters luiden niet alleen calamiteiten in die ongelijkheid indammen maar meteen ook een aanslag betekenen voor het bestaande welvaartspeil. Toch zijn de vier ruiters vandaag niet te bespeuren en wijst niets erop dat ze vandaag nog zouden terugkomen. Oorlog vereist vandaag vooral mobilisering van technologie dan van mensen, van transformatieve politieke revoluties zijn weinig tekens te bespeuren sinds het einde van de geschiedenis terwijl het falen van staten beperkt blijft tot een aantal fragiele staten in de ontwikkelingswereld en dus niet van die aard is om op globale schaal veel effect te hebben. Wat globale pandemieën betreft? Die kans bestaat altijd, maar gezien de ontwikkeling van de medische wetenschap is die eerder klein. Eerder dan dat de ruiters terug aan de horizon opdoemen, ziet Scheidel vooral een aantal trends die ongelijkheid nog verder in de hand werken: vergrijzing, immigratie, automatisering en een door de medische revolutie gevoede stijgende genetische ongelijkheid (ironisch genoeg betekent dat een terugkeer naar de jager-verzamelaars waar ongelijkheid in essentie genetisch bepaald was).

Jan Van de Poel

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 88 tot 90