Log in

Deep Equality in an Era of Religious Diversity

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 73 tot 76

Deep Equality in an Era of Religious Diversity

Beaman Lori
Oxford, Oxford University Press, 2017

Voor wie de mediaberichtgeving volgt, het politieke discours aanhoort en academische publicaties ter hand neemt, is het duidelijk: religie lijkt vandaag dé maatschappelijke splijtzwam te zijn. Het is precies tegen deze algemeen aanvaarde opvatting dat Lori Beaman zich in haar boek verzet. Volgens haar levert religie in het alledaagse leven nauwelijks problemen op en is religieus getint verschil vaak iets dat er helemaal niet toe doet (het is een 'non event'). Dat zorgt voor een interessante paradox: hoewel de genoemde consensus vooral het conflictvolle aspect accentueert, is er (althans volgens de auteur) in het werkelijke leven veel minder conflict en spanning dan men dus op grond van die onheilspellende berichten zou bevroeden. Beaman gaat in haar boek met die paradox aan de slag. Ze weet natuurlijk wel dat religie soms wel voor problemen en uitdagingen zorgt of kan zorgen, maar, zo stelt ze: 'The core assumption of this book is that the current overemphasis on problems have resulted in a corresponding underemphasis on resolution, understanding, and success in negotiating difference' (4). In een tijd waar religie vooral lijkt te worden geproblematiseerd, kan de lectuur van dit boek dan ook als een verademing worden beschouwd. Misschien moet religie vandaag inderdaad wat vaker aandacht krijgen vanuit de observatie dat het in de vele dagdagelijkse ontmoetingen van mensen amper een probleem oplevert. Er is, volgens Beaman, nood aan een andere, annex positieve beeldvorming. Het ganse boek leest daarom als een warme oproep om de aandacht niet altijd te geven aan diegenen die door het conflict geobsedeerd zijn en/of het luidst brullen. De aandacht moet wat vaker gaan naar de microprocessen waar religie eigenlijk geen probleem is, maar veeleer een 'encounter of ordinariness' (11).

Beaman is, zoals gesteld, geïntrigeerd door het feit dat mensen in het hier en nu gewoon met en bij elkaar leven, ondanks hun verschil. Hoe doen ze dat dan precies? Wat zijn de manieren en middelen op basis waarvan zij dat samenleven als conflictloos en succesvol ervaren? En wat kunnen we van die 'alledaagse verhoudingen' leren? Om die succesverhalen en oplossingen – ze heeft het geregeld over 'pearls' – op het spoor te komen, verzamelde Beaman heel wat data. Zo ging ze bij zichzelf te rade en dacht ze na over diverse persoonlijke herinneringen en ervaringen. Ze sprak echter ook met collega's; onderzocht getuigenissen die werden opgetekend in het fameuze 'Bouchard-Taylor rapport' over redelijke accommodatie en religieuze diversiteit in Québec; bestudeerde rechtszaken en liet zich inspireren door allerhande lokale en publieke controverses in verschillende landen (Canada, India, Singapore, Libanon,…). Ze las ook romans, bekeek films en interviewde (samen met collega's) moslims in het Canadese Newfoundland. Op basis van haar kwalitatief onderzoek concludeert ze dat voor veel mensen de religieuze identiteit maar één identiteit is en dat die identiteit niet altijd op de voorgrond treedt. Sterker nog, mensen zijn voortdurend op zoek naar datgene wat ze gemeenschappelijk hebben – dat is de 'deep equality' waarnaar de titel van het boek verwijst – zodanig dat ze constructief met elkaar kunnen interageren.

Aan de hand van de bespreking van vele succesverhalen wil Beaman de aandacht heroriënteren: van een focus op verschil dat een uitdaging en probleem is dat dan via wetten en regels moet worden gemanaged, naar een focus op gelijkheid die mensen spontaan opzoeken teneinde het verschil (via subtiele onderhandeling) te doen verdwijnen (of minder relevant te doen maken). Een exclusieve verwijzing naar de wet, de interreligieuze dialoog en de multiculturele politiek van erkenning en accommodatie van verschil is volgens Beaman onvoldoende omdat er dan steeds vanuit het verschil wordt vertrokken en omdat het 'anders zijn' voortdurend wordt benadrukt. In het format van de interreligieuze dialoog ontmoeten mensen elkaar bijvoorbeeld formeel als representanten van bepaalde groepen – 'onze moslimvrienden en onze christenbroeders' – die bepaalde belangen ten opzichte van elkaar te verdedigen hebben. Dit staat in contrast met de vaststelling dat het er in het dagelijkse leven helemaal anders aan toe gaat. Van zodra mensen met elkaar praten, verdwijnt het verschil natuurlijk niet, maar het verschuift bijna vanzelf naar de achtergrond, terwijl wat men deelt en wat men dus met elkaar gemeenschappelijk heeft al even automatisch op de voorgrond treedt.

Beaman maakt geregeld een onderscheid tussen 'living together' en 'living well together with deep equality'. De eerste vorm van samenleven kan misschien nog via wetten afgedwongen worden, maar de tweede vorm veronderstelt een samenleving waar mensen geen wetten nodig hebben om cohesief met elkaar samen te leven. Het is dus niet alleen de wet die het leven aangenaam maakt (de wet kan ook tot oorlog bijdragen), maar het gaat om de vele alledaagse handelingen en keuzes van mensen die alle tezamen de 'bedrock of society' vormen. Het echte leven, zo stelt de auteur, speelt zich eigenlijk vooral in de schaduw van de wet af en het is daar waar de kiemen voor maatschappelijke stabiliteit te vinden zijn. Een cruciaal aspect voor die stabiliteit is 'agonistic respect', een houding die wordt gekleurd door openheid, vergevingsgezindheid, flexibiliteit, begrip, subtiliteit, verantwoordelijkheid, liefde, generositeit, medeleven, zorg, humor, broederschap en die ertoe leidt dat er in alledaagse onderhandelingen een 'equilibrium' kan worden gevonden.

De hoeveelheid aan anekdotes is ontegensprekelijk de sterkte van het boek. Eén zwaluw maakt de lente niet, maar als er heel veel zwaluwen te spotten zijn, dan wordt duidelijk dat er misschien toch wel iets aan de hand is. Het kwalitatieve onderzoeksmateriaal wordt echter voldoende gealterneerd met verwijzingen naar academische inzichten. Op die manier wordt het boek voorzien van het nodige intellectuele gewicht dat ertoe noopt steeds verder te willen lezen. Het boek wordt wat dat betreft onderbouwd door inzichten uit de sociale psychologie, de positieve psychologie, de speltheorie, de evolutiebiologie, de neurologie, de filosofie, de multiculturele theorievorming en de sociaaleconomische gelijkheidsstudies. Hoewel het punt dat Beaman in haar boek maakt pertinent en dus ook theoretisch onderbouwd is, betekent dit niet dat er geen leemtes zouden zijn. Interessant is echter om te zien dat Beaman geregeld zelf al anticipeert op een aantal bezwaren. Dat maakt dat niet alleen de inhoud van het boek, maar ook de auteur zelf als behoorlijk sympathiek overkomt.

Zo begrijpt ze dat haar analyse als 'naïef' kan worden beschouwd omdat religie nu eenmaal vaak wel voor conflict en spanning zorgt. Beaman ontkent niet dat de realiteit vaak conflictueus is, maar ze maakt het conflictueuze gewoon niet tot het voorwerp van haar studie. Ze beseft ook (zij het minder expliciet) dat haar methodologie – die eruit bestaat dat ze selectief naar de 'pearls' op zoek is gegaan die haar opvatting ondersteunen – kan worden bekritiseerd. Ander kwalitatief onderzoek had wellicht makkelijk kunnen aantonen hoe conflictueus religie in het alledaagse leven is. Critici zouden er haar ook kunnen op wijzen dat wat ze eigenlijk heeft gedaan irrelevant is omdat één slecht contact vaak zwaarder doorweegt dan honderd goede ervaringen. Een daaraan gerelateerd punt van kritiek is dat religie mensen vaak in een wat gewrongen positie plaatst en dat het dan van de goodwill van mensen afhangt of ze echt op zoek willen gaan naar 'deep equality'. Religie dwingt mensen met andere woorden tot een positie waarvan niet altijd geweten is of de 'deep equality' niet eerder een soort inauthentieke modus vivendi is. Beaman gaat echter niet in op de vraag hoe die beleefdheidspose dan conceptueel moet worden begrepen. Ze gaat ook nauwelijks in op de mogelijkheid dat de deep equality uiteindelijk toch zal breken op het moment dat mensen het net wel – en met volle overtuiging – over geloofsverschillen hebben. Het is natuurlijk mooi om te lezen dat mensen hun best doen om de verschillen uit de weg te gaan, maar blijft die conjunctie eigenlijk wel overeind op het moment dat de deep equality werkelijk wordt uitgedaagd? Ook van de beste vriendschappen is geweten dat ze uiteindelijk toch kunnen afspringen wanneer er zich (ondanks de vele gemeenschappelijke passies) toch één groot verschil in de relatie heeft weten te manoeuvreren. Beaman kan het zich dus eigenlijk gewoon niet permitteren om hierover niet diepgaand te reflecteren. Zo had ze moeten ingaan op het feit dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen het met 'vreemden' omgaan in de publieke ruimte en het met elkaar in de publieke ruimte over religie van mening verschillen. In het eerste geval speelt de 'deep equality' van Beaman een rol en kan er uitgegaan worden van een specifieke beleefdheidscultuur waar een zekere pose en afstand (lees: focus op deep equality) nodig is. In het tweede geval gaat het over een publieke discussie als onderdeel van een ruimer debat over hoe de samenleving best wordt vormgegeven (cf. Wat is de plaats van de religie in de publieke ruimte?). In dergelijke discussies moet iedereen net vrank en vrij zijn mening kunnen geven, ook als die kwetsend kan zijn (wat natuurlijk niet belet dat de stijl en het behoud van respect voor elkaar hier ook een rol speelt, en dat er best ook moet worden gebruik gemaakt van redelijke argumenten). In haar pleidooi voor deep equality mist Beaman het nodige conceptuele instrumentarium om dit soort nuances te maken. Ze had één en ander kunnen uitwerken middels termen als 'tolerantie', 'respect', 'waardering', 'beleefdheid', 'dialoog'. Los daarvan blijft haar boodschap belangrijk: (1) religie hoeft niet altijd te worden geassocieerd met conflict en (2) mensen zijn op zich socialer dan men denkt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 73 tot 76