Abonneer Log in

De electorale paradoxen van sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 45 tot 50

De verkiezingsnederlaag van sp.a op 26 mei is niet te wijten aan de campagne of de decumul. Sp.a wordt geconfronteerd met electorale paradoxen die de partij in stukken splijten. De uitdaging is om een nieuw electoraat met zeer verschillende kenmerken te smeden.

LINKS IN HET SLOP

Reportage uit de buik van de sp.a-campagne
Jan De Meulemeester
De electorale paradoxen van sp.a
Chris Gaasendam
PVDA: Black Box Revelation
Jelle Versieren
Quo Vadis, Europees Links?
Thomas Jacobs

Ondanks de historische reputatie als arbeiderspartijen zijn sociaaldemocratische partijen vrijwel altijd coalities van verschillende sociale groepen geweest. Een aantal maatschappelijke ontwikkelingen, de opkomst van nieuwe partijen en de ideologische (her)positionering van sociaaldemocratische partijen hebben er alle toe bijgedragen dat dit samengaan van arbeiders, middenklasse en minderheidsgroepen onder druk is komen te staan.

In dit artikel gaan we dieper in op drie sociale groepen die nauw verbonden zijn met de sociaaldemocratie: de links-particularistische arbeiders; de progressieve middenklasse, met name de socio-culturele specialisten; en de etnische minderheden. Omdat de belangen en waarden van deze groepen niet altijd overeenkomen, bespreken we drie electorale paradoxen waarmee sp.a wordt geconfronteerd: het combineren van arbeiders en socio-culturele specialisten, die tegengestelde opvattingen hebben op de universalisme/particularisme breuklijn1; het electorale onvermogen van sp.a om socio-culturele specialisten aan te trekken ondanks de links-universalistische opvattingen van deze groep; en het combineren van een traditioneel arbeiderselectoraat met etnische minderheden. We illustreren deze paradoxen met de eerste resultaten uit mijn doctoraatsonderzoek.*

NIEUWE ELECTORALE PARADOXEN

Sp.a lijkt uit meerdere richtingen de wind tegen te hebben. De langdurige neergang van de Vlaamse sociaaldemocratie hangt samen met enkele maatschappelijke trends waarop de partij maar geen grip lijkt te krijgen. De gedeeltelijke ontzuiling van de Belgische maatschappij heeft ervoor gezorgd dat collectieve identiteiten aan electorale verklaringskracht hebben ingeboet, terwijl de-industrialisering er voor gezorgd heeft dat het traditionele sociaaldemocratische electoraat al decennialang krimpt en het demografisch gewicht van de middenklasse toeneemt. Sommige academici gaven al eind jaren 1980 het advies aan sociaaldemocratische partijen om zich vooral op de nieuwe middenklasse te richten.2 Aan de aanbodzijde vormden radicaal-rechts en radicaal-links een grote electorale bedreiging voor het traditionele arbeiderselectoraat, terwijl links-libertaire partijen de nieuwe middenklasse aanspraken.

Ook ideologisch maakten de sociaaldemocratische partijen een hele ontwikkeling door. Een combinatie van doorgeslagen economische globalisering, economische crisis en een (neo)liberale hegemonie zetten de welvaartspolitiek van sociaaldemocratische partijen onder druk. Na de economische crisis van de jaren 1970 werd de Keynesiaanse welvaartspolitiek failliet verklaard en vervangen door meer marktwerking waarbij sociale rechten uitdrukkelijk aan plichten worden gekoppeld. Op links werd hierbij gekozen voor de Derde Weg, waarbij sociaaldemocratische partijen het issue ownership over sociale zekerheid en herverdeling gedeeltelijk verloren. Zoals duidelijk werd in de verkiezingen van 26 mei, met een campagne gericht op pensioenen en een minimumloon, maakt Vlaams Belang hier gretig gebruik van.

Al deze ontwikkelingen maken dat sp.a vandaag met grote electorale paradoxen wordt geconfronteerd. We lijsten ze hieronder op.

Paradox 1: de universalisme/particularisme breuklijn

De eerste paradox is dat de traditionele arbeidersachterban en de nieuwe middenklasse elkaars tegenpolen vormen op de universalisme/particularisme breuklijn. Ons onderzoek toont aan dat de progressieve middenklasse eerder links-universalistisch is – ze combineert sociaaleconomische solidariteit met steun voor een etnisch diverse samenleving, klimaatbestrijding en persoonlijke autonomie; terwijl arbeiders vaker een links-particularistisch profiel hebben, en dus autoritarisme, repressie en geloof in een etnisch homogene samenleving met welvaartschauvinisme combineren.3 Wat opvalt is dat de hoogopgeleide middenklasse en laagopgeleide arbeiders en dienstenwerkers andere vormen van sociaal beleid nastreven: de arbeidersklasse streeft naar sociale bescherming door middel van uitkeringen, terwijl de progressieve middenklasse wil investeren in onderwijs en kinderopvang.4 Vanwege de budgettaire beperkingen – georganiseerd door de systematische verlaging van de belastingen voor de hogere inkomensgroep en het multinationaal bedrijfsleven – zijn deze voorkeuren niet altijd even makkelijk verenigbaar. De vraag is: in welke mate heeft deze nieuwe breuklijn een impact heeft op de stemkeuze voor sp.a?

Op basis van gegevens verzameld in het kader van het onderzoek De Basis Spreekt5 blijkt dat een grote meerderheid van sp.a-mandatarissen hoogopgeleid zijn en een links-universalistisch profiel hebben (61%) – zij koppelen radicale sociale gelijkheid aan cultureel pluralisme.6 Mandatarissen met een links-particularistisch profiel zijn er hoegenaamd niet, terwijl één op vijf sp.a-kiezers in 2007 tot die ideologische groep behoort. Het aandeel link-particularistische kiezers is nog hoger onder de sp.a-leden (30%) en de ex-sp.a-kiezers (38%). Hier tekent zich een eerste breuk tussen de universalistische waarden van de partijleiding, die anti-autoritarisme, multicultureel pluralisme en universele solidariteit verkiezen, en het particularisme van een belangrijk deel van haar achterban, die relatief intolerant zijn ten aanzien van afwijkend gedrag en heel wat moeite hebben met de multiculturele samenleving. Deze culturele vraagstukken – die bovendien weerklinken in het vraagstuk van sociaaleconomische rechtvaardigheid – lijken de partij te splijten, waarbij een groot deel links-particularistische kiezers reeds eieren voor haar geld koos.

Paradox 2: de 'nieuwe' middenklassengroep

Verder geldt dat sp.a en Groen vaak worden omschreven als communicerende vaten – zij zouden middenklassenkiezers met elkaar uitwisselen.7 De belangrijkste progressieve 'nieuwe' middenklassengroep zijn de zogenaamde socio-culturele specialisten (vooral mensen tewerkgesteld bij de overheid, leraren, verplegers en sociale werkers), van wie bekend is dat ze veel vaker Groen en sociaaldemocratisch stemmen.8 De andere middenklassengroepen – de managers, kleine ondernemers, technische specialisten en de onafhankelijke specialisten – stemmen veel vaker (centrum)rechts. Onderzoek op basis van het Belgische Verkiezingsonderzoek 2014 (ISPO-KU Leuven) toont echter aan dat een verwaarloosbaar deel van de Vlaamse socio-culturele specialisten op sp.a stemt (6%). Dit zal op 26 mei 2019 waarschijnlijk niet veel anders zijn geweest. Sinds de verkiezingen in 2007 lijkt sp.a er maar niet in te slagen de progressieve middenklasse te begeesteren.9 Meer zelfs, van alle sociaaldemocratische partijen in West Europa slaagt sp.a er het minst in om deze socio-culturele specialisten aan te trekken.10 Dit roept twee vragen op: vinden de Vlaamse socio-culturele specialisten sociaaleconomische gelijkheid wel belangrijk? En op wie stemmen de Vlaamse socio-culturele specialisten dan wel?

Uit ons onderzoek blijkt dat 8% van de Vlamingen een uiterst links-universalistisch profiel heeft die een sterke roep om sociale gelijkheid combineert met onvoorwaardelijke solidariteit, terwijl maar liefst 34% van de Vlamingen een gematigd links-universalistisch profiel heeft. Drie op vier socio-culturele specialisten valt in één van beide groepen, waarmee duidelijk wordt dat ze een potentiële doelgroep van sp.a zijn. Wat echter opvalt is dat van deze socio-culturele professionals (gecontroleerd voor hun sociale achtergrondkenmerken) in 2014 vooral op CD&V (27%) en N-VA (27%) stemden en in iets mindere mate op de groenen (16%). Meer zelfs, Open VLD deed het zelfs beter onder de socio-culturele specialisten (14%) dan sp.a.

Hier tekent zich een tweede paradox af: in een ideologisch landschap met een groot (gemodereerd) links-universalistisch electoraat (42%), lijken de Vlaamse socialisten geen potten te kunnen breken. Wat was dan het kernelectoraat van sp.a in 2014? Een kleine meerderheid (gemodereerde) links-universalisten (52%) en een vrij grote groep centrumkiezers (33%) met name getrokken uit een populatie van arbeiders (32%), dienstenwerkers (24%) en kantoorbedienden (20%), de drie meest precaire beroepsgroepen. Dit toont aan dat, ondanks meerdere hervormingspogingen, sp.a er te weinig in slaagt de progressieve middenklasse aan te spreken.

Paradox 3: de stem van de etnische minderheden

De derde paradox betreft de verschillen tussen de traditionele arbeidersachterban die relatief rechts is op het vlak van migratie en integratie en de Belgen met een migratieachtergrond, voornamelijk uit Marokko, Turkije en steeds meer ook uit sub-Sahara Afrika. Op basis van Belgische Verkiezingsonderzoek bij Etnische Minderheden (ISPO KU Leuven), afgenomen bij Marokkaanse en Turkse Belgen in Antwerpen en Luik, blijkt dat PVDA een geduchte concurrent is voor sp.a wat betreft de stem van etnische minderheden in Antwerpen.11 In Luik stemde in 2014 zo'n 66% van de Turkse en Marokkaanse Belgen op PS, vergeleken met 40% voor sp.a in Antwerpen. In Luik was de concurrentie op links verwaarloosbaar, in Antwerpen kregen PVDA en Groen respectievelijk 23% en 17% van de stemmen van de etnische minderheden. Zelfs CD&V en N-VA vingen respectievelijk 10% en 8% van de stemmen in Antwerpen.

Onderzoek uit het Verenigd Koninkrijk heeft aangetoond dat de minderheidsstatus van etnische minderheden sterk bijdraagt aan hun stemgedrag – oftewel, etnische minderheden stemmen vaak als blok op één bepaalde partij omdat deze partij hun gezamenlijke belangen ten aanzien van de etnische meerderheid in acht neemt.12 Percepties van groepsdiscriminatie zijn dan ook een belangrijke determinant voor het stemgedrag van etnische minderheden. In het Verenigd Koninkrijk vertaalt dit zich meestal in een stem voor Labour. Hoewel blok-stemmen inherent is aan het Britse electorale systeem, blijkt de sterke voorkeur voor sociaaldemocratische partijen onder etnische minderheden ook in andere landen. Een mogelijke reden dat sp.a het niet zo goed deed bij de etnische minderheden is dat het beleid onder leiding van Patrick Janssens in Antwerpen, onder andere het afschaffen van de hoofddoek aan het loket voor gemeentepersoneel, toch wel wat potentiële kiezers heeft afgeschrikt. Hierdoor zou de reputatie van sp.a als partij die opkomt voor de rechten van etnische minderheden geschaad zijn. Reeds in 2014 bleek PVDA een alternatief te zijn voor sp.a, namelijk als partij die opkomt voor de rechten van etnische minderheden. In welke mate dit effect beperkt is gebleven tot Antwerpen, en in welke mate PVDA hier in de afgelopen verkiezingen van 26 mei verder van heeft geprofiteerd, zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen.

NIEUW ELECTORAAT SMEDEN

Ondanks de historische tegenwind tonen deze drie electorale paradoxen vooral aan dat sociaaldemocratische partijen specifieke electorale uitdagingen hebben om in de toekomst een electoraat met zeer verschillende kenmerken te kunnen smeden. Dit is zeker niet vanzelfsprekend. Sp.a viel in 2014 in steeds grotere mate terug op een loyaal links-universalistisch arbeiderselectoraat.

Wat is dan een mogelijke weg vooruit? Zelfs na het licht verlies van de Deense sociaaldemocraten bij de verkiezingen van begin deze maand, zal voor sociaaldemocratische partijen een herpositionering op het integratievraagstuk opnieuw op tafel gekomen ('de Deense sociaaldemocraten hebben tenslotte standgehouden', hoor je dan). Voor sp.a lijkt het Deens model echter geen winning strategy – daarvoor is de concurrentie op rechts te groot, de ideologische sprong voor haar mandatarissen onoverbrugbaar, en het potentieel verlies onder Belgen met een migratieachtergrond aantoonbaar. Echter, door middel van een sterkere profilering op sociaaleconomische thema's kunnen beide electoraten worden bereikt. Met een hernieuwde nadruk op sociale bescherming door middel van meer universele uitkeringen kan de arbeidersklasse terug worden aangesproken. Met een overtuigend verhaal over sociale investeringen in onderwijs en kinderopvang en een oprechte aandacht voor het klimaat zal een deel van de ideologisch misplaatste links-universalistische middenklasse gewonnen kunnen worden, zoals elders in West-Europa. Het electoraal potentieel hiervoor is in ieder geval aanwezig.

*. Voorlopige titel: ‘The electoral paradoxes of
social democracy in Europe: the case of
Belgium’. Dit doctoraatsonderzoek wordt
uitgevoerd aan het Instituut voor Sociaal en
Politiek Opinieonderzoek van de KU Leuven
onder leiding van Prof. Dr. Marc Swyngedouw,
Prof. dr. Koen Abts en Prof. dr. Bart Meuleman.

Voetnoten

  1. We bekijken het electoraal landschap als een tweedimensionale ruimte. Enerzijds horizontaal de sociaaleconomische links-rechts dimensie en anderzijds verticaal de universalistische-particularistische dimensie. De dimensies variëren tot op zeker hoogte positief met elkaar. D.w.z. sociaaleconomische links heeft de tendens om samen te gaan met universalistisch en sociaaleconomisch rechts met particularistisch. Zie Swyngedouw M., Depickere A. (2007). 'Expliquer les succès électoraux de l'extrême droite: la 'formule gagnante' de Kitschelt au banc d'essai des élections flamandes de 1999'. Revue française de science politique, 57 (2), pp. 187-208.
  2. Przeworski en Sprague (1986). 'Paper Stones: A History of Electoral Socialism'. Chicago: University of Chicago Press; en Kitschelt (1994). The Transformation of European Social Democracy. Cambridge: Cambridge University Press.
  3. Onder welvaartschauvinisme verstaan we de idee dat men wel een herverdelend sociaal beleid voorstaat, maar dit beperkt tot de eigen groep. Buitenstaanders en nieuwkomers zouden hierop geen rechten kunnen laten gelden.
  4. Zie bijvoorbeeld Garritzmann, Busemeyer and Neimanns (2018).'Public demand for social investment: new supporting coalitions for welfare state reform in Western Europe?' Journal of European Public Policy 25(6), pp. 844-861.
  5. Vander Weyden, P. & Abts, K. (2010). 'De basis spreekt'. Leuven: Acco.
  6. Gaasendam, Abts, Swyngedouw en Meuleman (2019). 'Lost Connection?The attitudinal and ideological (in)congruence of social democracy's elites, members and voters in Flanders-Belgium'.(under review).
  7. Zie bv. Goeminne B., Swyngedouw M. (2007). 'De verschuivingen in het stemgedrag: 1999-2003 en 2003-2004'. In: Swyngedouw M., Billiet J., Goeminne B. (Eds.), 'De kiezer onderzocht: de verkiezingen van 2003 en 2004 in Vlaanderen(45-67)'. Leuven: Universitaire Pers Leuven.
  8. Bijvoorbeeld Oesch en Rennwald (2010). 'The Class Basis of Switzerland's Cleavage between the New Left and the Populist Right'. Swiss Political Science Review, 16(3): pp. 343-71. Swyngedouw & Depickere o.c.
  9. Zie hiervoor de ISPO-rapporten over stemverschuivingen: https://soc.kuleuven.be/ceso/ispo/downloads en Swyngedouw M. (2015). Verkiezingsonderzoek 25 mei 2014 revisited. Samenleving & Politiek, 22 (1), pp. 60-72.
  10. Gaasendam (2019). 'Social democratic class coalitions and party competition: patterns across Western Europe'. Presentatie op de European Social Survey Conference, april 2019.
  11. Gaasendam. 'Competition on the left? Political, economic and symbolic exclusion and the ethnic minority vote in Belgium'. Presentatie op EPOP, 2019. Swyngedouw, M., Galle, J., Abts, K., & Meuleman, B. (2018) 'Stemgedrag Antwerpenaren van Turkse en Marokkaanse Afkomst. Analyse op basis van het postelectorale Belgisch etnisch minderheden verkiezingsonderzoek 2014', Onderzoeksrapport CeSO-ISPO KU Leuven, 2018-1.
  12. cf Bijvoorbeeld Heath, Fisher, Rosenblatt, Sanders en Sobolewska (2014). 'The Political Integration of Ethnic Minorities in Britain'. Oxford: Oxford University Press.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 45 tot 50