Abonneer Log in

De sociaaldemocratie is doodziek

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 72 tot 76

Voor Vincent Scheltiens is het dogma van de sociaaldemocratie, die zich opwerpt als beleidspartij omdat het zonder haar ‘erger’ wordt, niet het antwoord.

De sociaaldemocratie is doodziek

Vincent Scheltiens
VUBPRESS, Brussel, 2019

Dit essay van historicus Vincent Scheltiens is een uitgeschreven versie van zijn Paul Verbraeken lezing van 16 maart 2019. Ze werd uitgesproken twee maanden voor de verkiezingen van 26 mei, en met de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 nog in het achterhoofd.

De uitkomst van beide verkiezingen illustreert eens te meer de diepe existentiële crisis die de oude sociaaldemocratie op internationale schaal doormaakt. De Vlaamse sociaaldemocratie ondergaat hetzelfde lot als die in Frankrijk, Italië, Nederland en Duitsland. Dat er ondertussen toch belangrijke uitzonderingen blijken te zijn, van een sociaaldemocratie die zich herstelt in Spanje, Portugal en Noord-Europa, is een recent fenomeen dat vooralsnog niet grondig lijkt geanalyseerd. Het is ook de vraag of deze heroplevingen duurzaam zijn, en of ze tegelijk ook hier hun weerslag zullen kennen. Labour in Groot-Brittannië is daarbij een speciaal geval, dat tegelijk de contouren en de limieten van een herstel van de sociaaldemocratie aangeeft.

De tekst van Scheltiens geeft een helder en samenvattend overzicht van hoe de sociaaldemocratie in deze levensbedreigende crisis is terechtgekomen. Ze is verplichte literatuur voor al wie dit proces wil begrijpen en op zoek wil gaan naar oplossingen of alternatieven. Het is niet onnuttig dit samen te lezen met de analyse die Geert Van Istendael maakt in De grote verkilling (Atlas Contact, 2019). Hij vertelt hetzelfde verhaal over capitulatie van de grote socialistische, en ook christendemocratische, volkspartijen voor het neoliberalisme.

Scheltiens schetst de ineenstorting van de sociaaldemocratie dus ook in eerste instantie als een internationaal fenomeen, dat nauw verbonden is met de doorbraak en overwinning van het neoliberalisme vanaf het aan de macht komen van Reagan en Tatcher begin jaren 1980. Maar in dezelfde periode, in 1981, kwam in Frankrijk François Mitterrand met de Union de la Gauche van socialisten en communisten aan de macht in Frankrijk. De regering-Mauroy, die banken en grote bedrijven nationaliseerde en ook een ingrijpende verkorting van de arbeidsduur doorvoerde, was echter slechts een kort leven beschoren. Ze eindigde met een devaluatie van de Franse frank. En met een koerswending van de Franse socialisten: links moest onder de nieuwe premier Fabius verzoend worden met het kapitalisme. Als mislukking van een alternatief voor de doorbraak van het neoliberalisme kon dat tellen.

In 1989 implodeert het communistische Oostblok en komt er volgens Francis Fukuyama een 'einde aan de geschiedenis'. Van Istendael zegt over het verdwijnen van de 'volksrepublieken': 'Maar alleen het idee dat er een alternatief bestond, was sterk genoeg om het woeste kapitalisme vast te ketenen (…) Het kapitalisme kon niet losbreken en ongeremd alles op zijn weg vertrappelen'. Niet dat dat 'reëel bestaand socialisme' een aantrekkelijk alternatief was, het legde de ongebreidelde kapitalistische expansiedrift wel aan banden.

Vanaf dan begon de sociaaldemocratie zich aan te passen aan de nieuwe neoliberale wereldorde. Die accommodatie kent vele vaders. Zoals Wim Kok, die in Nederland in 1995 verklaart dat vernieuwing van de sociaaldemocratie betekent dat definitief afscheid moet worden genomen van de socialistische ideologie. In 1997 komt er in Groot-Brittannië met de overwinning van 'New' Labour een einde aan 18 jaar Torybewind. Nadat Tony Blair in 1994 partijvoorzitter was geworden, voerde hij een ware paradigmashift in het partijprogramma en het hele wezen van Labour door. Geïnspireerd door de ideeën van de socioloog Anthony Giddens ging de partij zich positioneren in het 'radicale centrum'. Dit wil zeggen: Labour zou zich voortaan vooral gaan toespitsen op de middenklasse als sociale en electorale basis. De partij moest inhoudelijk naar het centrum opschuiven. Het aloude discours van 'gelijkheid' werd vervangen door 'gelijke kansen'. De nieuwe marsrichting werd de 'Derde Weg' genoemd: minder staat, meer markt en private sector, en de nadruk op de verantwoordelijkheid van de individuele burger.

Ook de Vlaamse socialisten gingen snel mee in dit verhaal. Onder impuls van onder andere Frank Vandenbroucke, die de evolutie van Labour op de voet had gevolgd, schoof de partij verder op naar het centrum. Het leidde tot de toetreding tot de paarse regering-Verhofstadt, die het begrip 'actieve welvaartsstaat' als centrale leidraad had. Dat was de vertaling van het gelijkekansendiscours: de burger krijgt kansen maar heeft de individuele verantwoordelijkheid om al dan niet te aanvaarden dat hij 'geactiveerd' wordt voor de arbeidsmarkt. Voorzitter Patrick Janssens, die als extern marketingexpert werd binnengehaald om de partij te 'restylen', wilde ondertussen af van het socialistische etiket en bedacht de naam SPA (Sociaal Progressief Alternatief). Intern verzet leidde uiteindelijk tot de rare compromisbenaming sp.a of 'socialistische partij anders' (met punt om de verwarring met de bronwaterfabrikant te vermijden).

Zowel voor Scheltiens als voor Van Istendael is de verregaande aanpassing van de sociaaldemocratie in programma én partijorganisatie en -cultuur aan het neoliberalisme de ware oorzaak van de crisis waarin de oude socialistische beweging zich heeft gemaneuvreerd. Het leidde niet alleen tot vervreemding van de vroegere basis, de teloorgang van de sociale samenhang en de Volkshuiscultuur. Maar ook tot een verstrengeling van het sociaaldemocratische programma met de neoliberale dogma's van privatisering van de publieke dienstverlening en van geleidelijke afbraak van de solidariteitsmechanisme van de sociale zekerheid. Dat de geprivatiseerde publieke dienstverlening meestal ook minder dienstverlening betekent en dat ingrepen in de sociale zekerheid minder zekerheid en meer armoede veroorzaken, werd voor steeds meer mensen duidelijker. Een sociaaldemocratie die hier medeverantwoordelijk voor is, verliest begrijpelijk haar geloofwaardigheid, haar kiezers en ten slotte ook haar actieve medestanders.

Over de inkapseling in het neoliberalisme als belangrijkste verklaring van de crisis van de sociaaldemocratie groeit stilaan een consensus. Van Istendael verwijst daarbij ook naar het werk van de Amerikaanse Stephanie Mudge (Leftism reinvented - Harvard University Press, 2018), die tot dezelfde conclusie komt. Ook Tony Judt beschrijft in Het land is moe. Verhandeling over onze ontevredenheid (uitgeverij Contact, 2010) hoe een van oorsprong emancipatorische beweging er niet in geslaagd is om de maatschappelijke onvrede die het neoliberalisme met zich heeft meegebracht, te capteren en om te zetten in een geloofwaardig alternatief politiek project.

De diagnose mag daarmee voor een groot deel zijn gesteld, maar wat zijn de oplossingen? Is er een politiek links alternatief mogelijk tegen het neoliberale eenheidsdenken? En belangrijker: als het neoliberalisme leidt tot ecologische, sociale en economische crisis en ultiem tot conflicten op wereldschaal, hoe kan het dan worden vervangen? Met andere woorden: is er een ander verhaal met een optimistische toekomsthorizon mogelijk?

Voor Scheltiens is het dogma van de sociaaldemocratie, die zich opwerpt als beleidspartij en die altijd moet trachten deel uit te maken van het beleid los van de reële politiek krachtsverhoudingen omdat het anders 'erger' wordt, niet het antwoord. Het was dat dogma dat leidde tot de coalitie van de socialisten met N-VA in Antwerpen. Wat dat met de geloofwaardigheid van sp.a in Antwerpen heeft gedaan, kan men aflezen uit de verkiezingsuitslag van 26 mei.

Hoe moet het dan wel? Is een regeneratie van de sociaaldemocratie, zoals Labour die onder Corbyn heeft gekend, een mogelijke uitweg? Labour combineerde een verdubbeling van het ledenaantal met een onverwacht groot verkiezingssucces in 2018. Het valt af te wachten hoe duurzaam dit succes is (omdat het schipperen van de partij in de Brexitchaos duidelijk een negatief effect heeft, maar dit terzijde).

De regeneratie van Labour is voor een groot deel het werk van een georganiseerde linkerzijde, die zich vanuit de basis heeft gestructureerd. Dat Corbyn partijleider kon worden, hangt samen met het ontstaan van de basisbeweging 'Momentum' die zichzelf omschrijft als 'een organisatie die de participatieve democratie, de solidariteit en de macht van de basis wil versterken en Labour wil helpen de hervormingsgezinde regeringspartij van de 21e eeuw te worden.' Het is dankzij die steun van een georganiseerde basis dat Corbyn niet alleen een inhoudelijke koerswijziging kon doorvoeren, maar ook tot tweemaal toe succesvol de confrontatie met de leiding van de partij kon aangaan.

In de meeste sociaaldemocratische partijen is deze herovering van de partij door de basis onwaarschijnlijk, precies omdat een sterke linkervleugel met een brede aanhang ontbreekt. Niet in het minst omdat veel linksen de sociaaldemocratie hebben verlaten, nadat ze hebben ondervonden dat die was gekaapt door de Derde Weg.

Qua politieke eisen grijpt Labour onder Corbyn terug naar courante sociaaldemocratische posities uit de pre-Tatcher periode (NHS, nationalisering spoorwegen en nutsbedrijven, gratis onderwijs, enzovoort) die toen helemaal niet als radicaal werden aanzien, maar 'normale' sociaaldemocratische politieke krachtlijnen waren.

Maar is dergelijk teruggrijpen naar vroegere posities voldoende? Ook in Vlaanderen is er duidelijk een soort van nostalgie naar een socialistische partij in een maatschappij die niet meer bestaat. Andere problematieken, zoals klimaatverandering en migratie, zijn ondertussen acuut. Het is vooralsnog niet duidelijk hoe die een centrale plaats in een sociaaldemocratisch programma kunnen krijgen. Ook sociologisch is het volkshuizensocialisme iets dat niet meer terugkomt. De mannelijke, witte arbeidersklasse van de welvaartsstaat was een homogene groep. De huidige werkende bevolking is sterk gefeminiseerd, en etnische en levensbeschouwelijk divers. Scheltiens besluit: 'Een eventuele regeneratie kan niet bestaan uit het terugdraaien van de klok waar een berouwvolle sociaaldemocratie zich terug verzoent met een verouderende, blanke, vrijzinnige, geproletariseerde in volkswijken wonende achterban'.

Ondertussen is sp.a ook allang niet meer de dominante partijpolitieke speler aan de linkse of progressieve kant van het spectrum.

Enerzijds is er de groene stroming, die de sociaaldemocratie in een aantal landen naar de kroon steekt. Scheltiens stelt vast dat deze stroming in haar 40-jarig bestaan hetzelfde ideologische parcours heeft afgelegd, waar de sociaaldemocratie meer dan 100 jaar voor nodig had: een evolutie naar een vorm van sociaalliberalisme. Van alternatieve, systeemkritische partijen evolueerden ze naar links-liberale centrumpartijen. Ze spreken een overwegend hoger opgeleide, jonge middenklasse aan rond de thema's van levenskwaliteit. Terwijl Scheltiens dit zonder moreel oordeel vaststelt, is Van Istendael bijzonder scherp voor de groenen: hij wil die nog wel progressief noemen, maar rekent ze niet tot de linkerzijde.

Naast de groene stroming kende bij de verkiezingen van 26 mei PVDA ook in Vlaanderen een doorbraak, die al enigszins was aangekondigd door de goede resultaten bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018. Was de sociaaldemocratie de vertegenwoordiging van het dogmatisme van de beleidspartij, dan was PVDA 'oude stijl' de vertaling van het andere eind van het linkse politieke spectrum: de dogmatische variant, die zich barricadeerde achter onbuigzame principes en symboliek van een onwrikbare strijd tegen het reformisme. De 'nieuwe' PVDA begon reformistische strategieën en praktijken uit te werken, die haar geloofwaardigheid en uiteindelijk electoraal succes opleverden. Het is niet langer correct om ze als uiterst links te catalogiseren. Een ontwikkeling die vergelijkbaar is met de evolutie die de Nederlandse SP heeft doorgemaakt.

Voor Scheltiens bevindt PVDA zich wel in een soort Catch-22 situatie. Wanneer men succesvol deelneemt aan verkiezingen kan men zich niet blijven wegstoppen. Als de vraag naar machtsdeelname op een principieel njet stuit, gaat ook het argument van de 'nuttige stem' verloren. Het argument dat een zweeppartij op links in de oppositie nut heeft, wordt minder sterk als die zweeppartij de sterkste linkse partij wordt (zoals in het kanton Antwerpen reeds het geval is). Scheltiens: 'Het doel (van PVDA en de Nederlandse SP – red.) lijkt overigens het bezetten van de plaats die voorheen door de sociaaldemocratie werd ingenomen. Met andere woorden: het reformisme regenereren… met nieuwe, onbesproken sociaaldemocratische partijen.' De machtsdeelname is door PVDA nooit in het vooruitzicht gesteld; op twee kleine uitzonderingen na, in het district Borgerhout en in de gemeente Zelzate. De uitdaging voor PVDA om aan het beleid deel te nemen, is volgens Scheltiens zowat die van de 'kwadratuur van de cirkel'.

Met een sociaaldemocratie in crisis, een groene beweging die zich links-liberaal opstelt en een nieuwe refomistische linkse partij die zich als politieke concurrent profileert op klassieke sociaaldemocratische programmapunten als gegeven, pleit Scheltiens ten slotte voor een herpolitisering van links, zodat de linkerzijde uit het defensief kan komen.

Dat betekent, ten eerste, dat ideologie opnieuw zichtbaar moet worden gemaakt. In plaats van zich te verschuilen achter 'algemeen belang' (waarvan Van Istendael overtuigend aantoont dat dat niet bestaat en dat 'algemeen belang' doorgaans het belang van de heersende minderheid is), moet links zich afbakenen, zodat het mogelijk wordt een gevoel van samenhorigheid en daarmee ook een perspectief voor actie te creëren. Dit moet een antwoord bieden op de geatomiseerde maatschappij die het neoliberalisme heeft gecreëerd en waarin iedereen gereduceerd is tot een concurrent van iedereen.

Links moet opnieuw streven naar fundamentele maatschappijverandering. Er moet opnieuw een 'verwachtingshorizon' worden gecreëerd. Dat betekent wezenlijke structuurhervormingen op twee vlakken, die niet kunnen worden gescheiden: economie en klimaat. Het verworvene verdedigen (het zekerheidsdiscours van sp.a) is niet voldoende. Er moet ook een langetermijnvisie zijn voor een postkapitalistische maatschappij. 'Gelijkheid' is daarbij het sleutelbegrip: het opheffen van discriminatie, uitbuiting en onderdrukking.

Naast die lange termijn, moet links voorstellen populariseren die een onmiddellijke impact hebben op het leven van de mensen. Een voorbeeld daarvan zijn voorstellen voor collectieve arbeidsduurvermindering zonder loonverlies. Een ander voorbeeld is het hernationaliseren van openbare dienstverlening die tot betere en goedkopere dienstverlening moet leiden. Ten slotte moet het perspectief internationalistisch zijn. Dat is de logica zelve in een geglobaliseerde wereld.

Dit zijn dus perspectieven voor een geherpolitiseerde en ook geherstructureerde linkerzijde. Hoe die er binnen korte of langere termijn zal uitzien, moet uit de praktijk blijken. Het is uit de wisselwerking met de praktijk dat het echte linkse programma vorm zal krijgen.

PS. Voor Van Istendael is de verdere uitbouw van de sociale zekerheid het ankerpunt van de regeneratie van de sociaaldemocratie en de christendemocratie, die het noodzakelijke centrumlinkse antwoord op het neoliberalisme moeten vormgeven. Voor hem is de sociale zekerheid immers een noodzakelijk onderdeel van democratie en beschaving, en zelfs een belangrijke uiting van de Europese cultuur. Ook hij stelt dit noodzakelijk in een internationalistisch perspectief. De sociale zekerheid moet een Europees beschavingsproject worden, dat uiteindelijk op wereldvlak moet worden uitgevoerd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 72 tot 76