Abonneer Log in

Het einde van de Grote Vier

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 44 tot 45

Met het overlijden van Rudolf Boehm verliest Vlaanderen één van zijn grootste denkers.

Op 29 augustus overleed Rudolf Boehm, een filosoof met internationale faam. Hij genoot zijn filosofische opleiding in de Heideggerschool, maar weigerde privé-assistent van Martin Heidegger te worden. Hij was werkzaam aan het Husserlarchief in Leuven van 1952 tot 1967 en gaf verschillende delen van Husserls werkuitgave, de Husserliana, uit. Boehm vertaalde Heideggers Sein und Zeit, samen met Alphonse De Waelhens, naar het Frans, en Merleau-Ponty's Phénoménologie de la perception naar het Duits. Rudolf Boehms doctoraat handelde over Das Grundlegende und das Wesentliche (1965), een nauwgezette confrontatie met boek Z 3 van Aristoteles' metafysica. Later formuleerde hij in dit verband zijn stelling over de ambivalentie van de grondverhoudingen, waarvan hij stelde dat ze de kern vormde van zijn filosofie: oorzaken veroorzaken hun noodzakelijke voorwaarden; noodzakelijke voorwaarden conditioneren hun oorzaken.

Rudolf Boehm doceerde vanaf 1967 tot zijn emeritaat in 1992 algemene en moderne wijsbegeerte aan de Universiteit in Gent. Samen met Leo Apostel, Jaap Kruithof en Etienne Vermeersch behoorde hij tot wat men de Grote Vier is gaan noemen; ze zijn vandaag allemaal overleden. Hij verschilde van hen fundamenteel wat de appreciatie van de objectieve wetenschappen betreft. In zijn hoofdwerk Kritiek der grondslagen van onze tijd (1974) bekritiseerde Boehm onze cultuur als tijdperk van de wetenschappen. Onze cultuur veroorzaakt wantoestanden omdat ze principieel gekenmerkt wordt door een middel-doel-verdraaiing. Onze moderne wetenschappen streeft objectiviteit na. Het objectiviteitsideaal is de door Descartes ontdekte voorwaarde om een zuiver theoretisch weten, een weten omwille van het weten, te bereiken. Dit zuiver theoretisch weten werd gefundeerd door Plato en Aristoteles.

Boehm ziet deze middel-doel-omdraaiing werkzaam in onze cultuur. Ook ons economisch handelen wordt erdoor gekenmerkt. Onze kapitalistische productiewijze is, zoals Marx meermaals beweerde, principieel een produceren om te produceren. Wat we produceren, is niet op de eerste plaats gericht op het bevredigen van menselijke behoeften, maar op het produceren van productiemiddelen. Marx noemde deze productiewijze historisch zinvol, omdat ze de voorwaarde schept voor de overgang naar een betere maatschappijvorm. Rudolf Boehm geloofde niet in de historische zinvolheid van het kapitalisme. Het veroorzaakt wantoestanden, niet alleen op sociaal en politiek vlak, maar ook op milieuvlak. Hoewel hij Marx grondig bekritiseerde, vond hij Marx wel een grote denker. Hij stelde vragen die voor de mensen van belang zijn. Boehm noemde zichzelf wel communist.

In verschillende artikelen – waarvan er sommige gebundeld zijn in Aan het einde van een tijdperk (1984) en Dwaalsporen (2000) ‒ trachtte Boehm in te grijpen op de politieke en economische realiteit. Wat de verhouding van de mens tot de natuur betreft, stelde hij dat onze milieuproblemen voortkomen uit een mislukte natuurbeheersing. Boehm engageerde zich ook in de vredesbeweging. Daarvoor ging hij gesprekken aan met collega's uit Oost-Europa.

In 2002 publiceerde Boehm zijn Topica‒ wat als zijn tweede belangrijkste werk kan worden beschouwd. Daarin poneert Boehm het belang van de thematische vraagstelling voor het wetenschappelijk onderzoek: de vraag wat de vraag is. Onze objectieve wetenschappen verwaarlozen deze vraagstelling, omdat ze enkel thema's aan bod laten komen die objectief-wetenschappelijk te onderzoeken zijn. Ook het objectief-wetenschappelijk perspectief is een perspectief dat zich zoals alle andere perspectieven moet verantwoorden. Rudolf Boehm beweerde dat vele moeilijkheden waarmee we te kampen hebben, te wijten zijn aan een verkeerd weten waarover we beschikken.

In 2002 publiceerde Boehm ook zijn Politiek. De grondidee ervan is dat de klassenmaatschappij eenvoudigweg onoverwinnelijk is, daar ze zich fundeert op een onoverwinnelijke tweespalt tussen de door de mensen aan het eigen lichaam ondervonden (in geen geval enkel materiële) behoeften en hun met deze verbonden, maar niet ondervonden, en enkel slechts juist of vals begrepen belangen.

Het kernstuk van zijn Economie en metafysiek (2004) is een nieuwe kritiek van de moderne wetenschap, uit wiens weten nauwelijks nut te trekken valt, behalve door een ('kapitalistische') economie en technologie met hun bedreigende gevolgen. Deze kritiek betwijfelt volstrekt niet de door deze wetenschap verworven weten, maar hield haar voor, zich enkel meer toe te leggen op louter weten en afstand te doen van alle begrip van de werkelijkheid. Deze grondgedachte werd verder uitgewerkt in Schijnbare werkelijkheid. De idee van een fenomenologische filosofie (2006): alle werkelijkheid is subjectief, wanneer men onder het 'subject' niet enkel de mens verstaat, maar elk ding dat aan een inwerking onderworpen is en haar uitwerking mede bepaalt.

Ook over esthetica publiceerde Boehm zijn denkbeelden. In 2005 verscheen Schets van een poëtiek, waarin hij het onderlinge verband tussen de verschillende kunstgebieden onderzocht. Filosofisch gezien is het een poging om het 'historisch materialisme' om te keren, dat ons allen beheerst. Zelfs alle 'materiële cultuur', stelde Boehm, is aangewezen op 'kunsten' van de inbeelding, van de muziek tot de beeldkunst. In zijn Tragiek (2001) bespreekt Boehm negen van de belangrijkste tragedies uit onze traditie, van Sophocles tot Goethe. De kerngedachte ervan is: het tragische is enkel dat iedere poging om de onzekerheid van al het menselijk bestaan te overwinnen, naar het voortijdig en ontijdig einde ervan moet leiden. Of zoals Shakespeare zei: 'Security is mortals chiefest enemy '.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 8 (oktober), pagina 44 tot 45