Abonneer Log in

Bedrijven en overheidssteun: a love story

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 20 tot 24

'It's complicated.' Als het bedrijfsleven en de overheid op een Facebookprofiel hun relatiestatus met elkaar zouden moeten omschrijven, dan zou dat de optie zijn die het beste aansluit bij de realiteit. De overheid krijgt regelmatig over zich heen dat zij 'te veel druk legt op de relatie', belastingdruk dan, en dat zij zich overdreven bemoeizuchtig opstelt. Het bedrijfsleven daarentegen blijkt vanuit het perspectief van de overheid dan weer vaak eerder ondoorgrondelijk en ongrijpbaar te zijn en laat zich al eens verleiden om hier of daar een scheve fiscale schaats te rijden wanneer het gras van andere overheden groener kleurt.

Zoals elke therapeut weet, liggen de wortels van relatieproblemen vaak in misverstanden en in een verkeerd beeld dat men heeft van de ander. De oplossing bestaat er dan in om vooral de juiste vragen te stellen. Voor het koppel waarover het hier gaat, is de juiste vraag de volgende: waarom ondersteunt de overheid bedrijven eigenlijk?

DE OVERHEID IS EEN 'ENABLER'

Ondernemerschap wordt vaak voorgesteld als de tegenpool van de overheid. De ondernemer is in dat verhaal diegene die wendbaar en flexibel is, creatief en innovatief, terwijl de overheid een soort logge machine is die regelgeving en red tape produceert. Bovendien hoort daar dan ook de boutade bij dat de overheid zich beter wat meer zou gedragen als een bedrijf: efficiënter, wendbaar, kostenefficiënt.

Dat beeld berust op een misverstand en dat misverstand zit geworteld in de 'onzichtbaarheid' van veel wat de overheid doet. Want de overheid garandeert een pak collectieve voorzieningen, zonder dewelke het opzetten van een economische activiteit gewoon onmogelijk zou zijn. Ze voorziet veiligheid, een transport- en mobiliteitsinfrastructuur, een wegennet, straatverlichting, digitale infrastructuur, scholing en gezondheidszorg voor potentiële werkkrachten, enzovoort.

Maar het gaat ook verder dan basisvoorzieningen. De Italiaanse econome, Mariana Mazzucato, wees er bijvoorbeeld al eerder op dat zowat elk stukje technologie dat in de iPhone zit, ontwikkeld werd door onderzoekers die op een of andere manier op de loonlijst van de overheid stonden. Alle idolatrie over Steve Jobs ten spijt is het de vaststelling dat een zeer groot aandeel van de investeringen die gedaan zijn, het risico dat genomen werd, om de iPhone te ontwikkelen van de overheid kwamen. Dat betekent niet dat ondernemerschap hierin geen rol heeft gespeeld of niet belangrijk is. Dat betekent wel dat ondernemerschap overroepen is en er in realiteit veel vaker sprake is van een gezamenlijke inspanning van overheid en bedrijfsleven.

Een eerste antwoord op de vraag waarom we overheidssteun geven aan bedrijven, is dus dat we het ontwikkelen van economische activiteiten mogelijk willen maken. Dat doet de overheid via het scheppen van een kader. De overheidssteun die zo gegeven wordt is eerder onzichtbaar, wordt te vaak als een evidentie beschouwd. Heel wat van de kritiek van ondernemers op de overheid heeft dan ook iets weg van een drukke kostwinner die 's avonds thuis komt, zijn voeten onder tafel schuift en klaagt dat het eten nog niet klaar is. Net als het werk van de huisman of -vrouw in dat verhaal, wordt wat de overheid doet niet naar waarde geschat. De mate waarin de overheid (bij monde van de politiek bijvoorbeeld) die houding toestaat en ondergaat, bepaalt hoezeer dat beeld blijft plakken. De overheid mag dus heus wat assertiever worden wat dat betreft.

Natuurlijk kan de opmerking gemaakt worden dat we voor al die voorzieningen toch belastingen betalen. Dat klopt. En net zoals bij de gezinnen zijn er bedrijven die in verhouding veel of weinig bijdragen. Net zoals bij de gezinnen kan je discussiëren over wie wat bijdraagt. Een ding is echter duidelijk: indien we (burgers en bedrijven) zelf de basistaken van de overheid zouden moeten organiseren, zouden de meeste onder ons vrijwel zeker niet goedkoper af zijn. De vraag aan de overheid om zich meer te gedragen als een bedrijf is bijgevolg onzinnig, aangezien er geen enkel bedrijf zo gek zou zijn om alle taken van de overheid over te nemen. Het zou simpelweg economische zelfmoord zijn.

BETER PRESTEREN

Een tweede duidelijk antwoord op de vraag waarom de overheid bedrijven steun verleent, is om hen economisch beter te laten presteren. In die categorie vallen bijvoorbeeld opleidingssteun, innovatiesteun, loonkostmaatregelen of waarborgregelingen.

De omvang daarvan is aanzienlijk. Je hoeft maar de beslissingen van een willekeurige zitting van de Vlaamse regering erop na te gaan en je zal zien dat er duchtig gegooid wordt met miljoenen strategische transformatiesteun voor het bedrijfsleven. In de periode 2012-2018, nochtans jaren waarin we vanuit de regering vrij regelmatig te horen kregen dat de bomen nu eenmaal niet tot in de hemel groeien (als het ging over armoedebestrijding, kinderbijslag of wachtlijsten in de sector handicap), verdubbelde het bedrag dat Vlaanderen via het Agentschap Ondernemen uitdeelt aan bedrijven tot een slordige 400 miljoen euro.

Dat bedrag betreft louter wat we in brede termen innovatiesteun noemen. Een veelvoud daarvan ging bijvoorbeeld naar maatregelen om de loonkost te drukken. De sociaal-economische barometer 2019 van het ABVV berekende op basis van het technisch rapport 2019 van de CRB, dat alle bedrijven samen in ons land in 2017 zo'n 13 miljard euro aan patronale bijdragenverminderingen en loonsubsidies ontvingen. Als we dit uitzetten tegenover het bedrag aan vennootschapsbelasting dat alle bedrijven in datzelfde jaar betaalden, zo'n 16 miljard euro, dan wordt de ordegrootte pas echt duidelijk.

Of al die steun ook het gewenste effect heeft, is nog maar de vraag. In de beschreven periode hinkte de groei in België achter op de buurlanden. Van beter presteren was er dus niet echt sprake. Begin 2019 stelde het Rekenhof dat de effectiviteit van deze staatssteun niet bewezen is en moeilijk te monitoren valt.

Kijk bijvoorbeeld ook naar de federale taxshift. De 'Leuvense economen' concludeerden eerder al dat die tussen 2016 en 2020 zo'n 65.000 tot 92.000 jobs extra zou kunnen opleveren aan een kostenplaatje van volgens de nationale bank 6,6 miljard (in de berekening van de KUL kan dit oplopen tot een slordige 7,5 miljard euro na terugverdieneffecten). Als we uitgaan van de maximale jobaangroei in deze veronderstellingen, dan betekent dat een prijskaartje van om en bij de 70.000 à 80.000 euro per job. Hoezo, de jobs in de privésector zijn niet gesubsidieerd?
Gelukkig voor het bedrijfsleven wordt er in de liefde meestal niet met de weegschaal gewikt en gewogen wat ieder geeft en neemt in de relatie. In termen van wat elke partner investeert in en wat ze ervoor terugkrijgen, komt de overheid er bij heel wat bedrijven bekaaid vanaf en geeft ze meer dan wat ze krijgt.

Vraag is ook hoe ver de overheid dient te gaan in het op zich nemen van de risico's van ondernemen. Het Vlaamse regeerakkoord spreekt bijvoorbeeld van nieuwe waarborgregelingen en het door de overheid verstrekken van risicokapitaal, wanneer de banken dit te risicovol achten, aan Vlaamse bedrijven die 'het potentieel hebben om uit te groeien tot een multinational'. Moeten we als overheid echt zo ver gaan?

HET VERDELEN VAN DE KLUSJES

Een bron van twist in vele huishoudens: het verdelen van de klusjes. Een uitvloeisel van de stelling dat de overheid zogezegd per definitie minder efficiënt is dan bedrijven, leidt ons tot de volgende reden voor overheidssteun: het efficiënt organiseren van de dingen, waarbij taken van de overheid tegen betaling worden uitgevoerd door de private sector.

Het bedrijfsleven stelt zich daarbij zeer dubbel op. Enerzijds meet het zich aan per definitie efficiënter te zijn in zowat alles, anderzijds behoudt het zich het voorrecht voor om te kiezen wat men wel of niet wil doen. De vuilbakken buitenzetten doe ik wel, het gras afrijden niet, schat.
Het debat gaat dan vaak (terecht) over welke taken uit principiële redenen aan de overheid toebehoren. Bijvoorbeeld het sanctioneren van werklozen of het garanderen van zorg. Voorstanders van meer uitbesteding stellen daar tegenover dat er efficiëntiewinsten geboekt kunnen worden door partnerorganisaties op hun sterktes in te zetten. Randstad heeft betere relaties met werkgevers dan de VDAB en zal dus beter werklozen aan een baan kunnen helpen.

Het probleem is echter dat de vermeende grotere efficiëntie door samenwerking bijna nooit écht het uitgangspunt is van uitbestedingsbeleid. De redenering is vaak: is het rendabel en is het geen absolute kerntaak van de overheid, dan besteden we het uit. Terwijl de redenering zou moeten zijn: gebeurt wat we willen dat er gebeurt op deze manier beter en goedkoper dan wanneer de overheid het zou doen, en zonder morele risico's? Het uitgangspunt voor uitbestedingsbeleid is dus te vaak of het goed is voor het bedrijfsleven en te weinig of het goed is voor de maatschappelijke doelstelling die we willen bereiken.

De ruimte van dit artikel laat niet toe om deze stelling uitgebreid te stofferen met voorbeelden, maar wie het Vlaamse regeerakkoord en de bijhorende begroting leest ziet dat we de komende jaren heel veel van die voorbeelden zullen zien passeren. Het uitkleden van De Lijn ten voordele van private maatschappijen, 419 werknemers die verdwijnen bij de VDAB ten voordele van meer private partners, de aangekondigde experimenten met social impact bonds en 'sociaal ondernemerschap' in de zorgsector, enzovoort. De lijst is lang.

HEM DOEN VERANDEREN

Een laatste reden waarom de overheid bedrijfssteun verleent is om gedragsverandering bij bedrijven teweeg te brengen. Voorbeelden zijn de middelen die bedrijven kunnen aanvragen om een diversiteitsbeleid op te zetten, stageformules om langdurig werklozen een kans te geven, gerichte RSZ-kortingen om bepaalde doelgroepen zoals ouderen aan te werven, werkbaarheidscheques om aandacht voor combinatie werk-privé aan te wakkeren.

Dat soort maatregelen ontstaan meestal uit goede bedoelingen. Het positief financieel stimuleren van een bepaald gedrag bij bedrijven. Maar heel vaak loopt het mis in de uitvoering. Met de bovenstaande voorbeelden: de middelen voor diversiteitsbeleid werden om gebruiksvriendelijker te zijn toegevoegd aan de KMO-portefeuille, waardoor ze nauwelijks nog voor diversiteit worden gebruikt. Stageformules (zoals de Individuele beroepsopleiding IBO) worden gepromoot als een goedkope manier om iemand aan te werven in een gesubsidieerde proefperiode en worden dus ook zo gebruikt, RSZ-kortingen worden breed gedefinieerd opdat ze ineens ook iets kunnen doen aan het bredere 'loonkostprobleem' en baten daardoor te weinig de doelgroep, de werkbaarheidscheques worden nauwelijks gebruikt en leiden zelden tot acties.

Heel wat van die stimulerende maatregelen worden gewoon niet gebruikt waarvoor ze dienen. Betekent dat dan dat we met dat soort maatregelen moeten stoppen? Nee, maar we moeten wel duidelijk en realistisch zijn over de impact die we beogen. Als het dient om bedrijven economisch beter te laten presteren, noem het dan zo en vermom het niet als een 'stimulansmaatregel' om tot een of ander maatschappelijk doel te komen. En vergeet tot slot ook niet dat je gedragsverandering die je echt belangrijk vindt, ook via wetgeving kan afdwingen.

LIEFDESLESSEN

Bedrijven en overheden kunnen samen heel wat bereiken. Als ze op een goeie manier met mekaar in interactie gaan, dan is dat in het voordeel van de economie en van de gehele samenleving. Om tot zo'n win-winsituatie te komen, oftewel tot een 'gezonde relatie' tussen bedrijven en overheid, zijn er echter een aantal voorwaarden noodzakelijk:

  1. De overheid moet haar grenzen stellen en waardering opeisen voor wat zij doet. De tegenstelling tussen bedrijven en overheid is een ballon die we steevast moeten doorprikken.

  2. Elke overheidssteun moet te linken zijn aan een aantoonbare maatschappelijke opbrengst. Pas dan is de overheid écht efficiënt bezig. Misschien niet altijd met een economisch rendement, maar wel altijd met een opbrengst daar waar haar opdracht ligt, namelijk in het genereren van maatschappelijke meerwaarde en het benaarstigen van het algemeen belang.

  3. Werk samen waar het in de eerste plaats maatschappelijk zinvol is, en pas in de tweede plaats economisch zinvol, in plaats van omgekeerd. Als we uitbesteden wat winstgevend is alleen omdat het winstgevend is, zijn we niet goed bezig.

  4. Haspel doelstellingen van maatregelen niet door elkaar, en vergeet niet dat je ook regelgeving kan inzetten om gedragsverandering te bekomen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 20 tot 24