Abonneer Log in

De onderneming is nog steeds een autocratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 36 tot 40

'I am Oz,' the little old man said. 'Please don't hit me.
People think that I am a Great Wizard, but I'm only a man'
(L. Frank Baum, The Wonderful Wizard of Oz)

Vakbonden bashen is in: op Twitter, in zogezegde vakbladen en kwaliteitskranten, in pseudowetenschappelijke tijdschriften, en zelfs in wetsvoorstellen van al dan niet respectabele partijen. Het heet dat sociale verkiezingen overbodig zijn, dat de werknemersvertegenwoordigers zich eender wat kunnen veroorloven omdat men ze niet kan ontslaan en dat – eens je de vakbonden binnen hebt – je niets meer te vertellen hebt in je eigen bedrijf. Het is fake news. Maar wie is dan wel baas in de onderneming?

INSPRAAK VER TE ZOEKEN

De ondernemingsraad (OR) en het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) zijn organen die hun wortels hebben in de in het Sociaal Pact van 1944 uitgetekende publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Het CPBW heeft vooral als doel om risico's op het vlak van gezondheid en veiligheid te signaleren: vergelijk het met de kanarie in de koolmijn. De impact van personeelsvertegenwoordigers die zetelen in het CPBW op beleidsbeslissingen is verwaarloosbaar. Wat de OR betreft, was het van in het begin duidelijk dat dit orgaan uitsluitend was bedoeld om Arbeid voor de kar van het Kapitaal te spannen. André Renard suggereerde dan ook om de term comité de production te gebruiken in plaats van comité d'entreprise1: een comité om de productie op te drijven. Inspraak is immers ver te zoeken. Zo heeft de OR niet de mogelijkheid om de werkgever een strobreed in de weg te leggen in geval van herstructurering.

In het verleden hebben wij een aantal spectaculaire sluitingen meegemaakt zoals Renault Vilvoorde, GM Antwerpen en Ford Genk. Het scenario is steeds hetzelfde. De bovenbazen sturen een doodgraver. Die zegt voor de verbouwereerde personeelsvertegenwoordigers het lesje op dat hem werd ingefluisterd door een leger advocaten.

Het werk wordt stilgelegd, het bedrijf bezet. Het journaille komt plaatjes schieten van ontredderde werknemers. Vooral echtparen met studerende kinderen en een huis dat nog niet is afbetaald, zijn goed voor de kijkcijfers. Liefst in combinatie met VRT-pleureur Chris De Nijs.

Plots duiken politici op die zich ver van de fabriekspoort solidair verklaren. De minister van Werk ontbiedt de CEO van het bedrijf en dreigt met allerhande sancties waarvan niemand ooit al heeft gehoord of die niet (meer) werken. In de zogenaamde Renaultwet, die tot stand kwam in de slipstream van de volkswoede over het sluiten van de fabriek in Vilvoorde, stond bijvoorbeeld een artikel dat een aanknopingspunt bood om overheidssteun terug te vorderen in geval van delokalisering.2 Dit kreeg evenwel een eersteklas begrafenis omdat de regeling ongewenste neveneffecten had, en ook bijsturen was te moeilijk omdat het toekomstige investeerders kon afschrikken (sic).3

Samengevat: de OR krijgt de slechtnieuwsshow; de cijfers moeten 'bewijzen' dat de werkgever niet anders kan dan herstructureren, de werknemersorganisaties mopperen wat en op het einde wint de werkgever; en gaan de bedrijfsdeuren toe.

BOERENBEDROG

Wetgeving die werkgevers hindert bij de liquidatie van (een deel van de) onderneming hebben we niet. Wetgeving die de werking van vakorganisaties hindert of het ausradieren van personeelsvertegenwoordigers mogelijk maakt, hebben we dan weer bij de vleet.

Oorspronkelijk was het de bedoeling om ondernemingsraden (OR) op te richten vanaf ondernemingen met meer dan 50 werknemers. Dat is altijd dode letter gebleven. Een Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) kan je vanaf 51 werknemers installeren, voor een OR ligt de drempel op 100. In kmo-land Vlaanderen worden er dus in vele bedrijven geen sociale verkiezingen ingericht, is niemand beschermd en is er zero inspraak. Het is dan ook eigenaardig dat UNIZO en Boerenbond als sociale partners worden beschouwd (met de daaraan gekoppelde prerogatieven); hun leden staan nauwelijks sociale dialoog toe.

Een ander heikel punt is de bescherming van de personeelsvertegenwoordigers. Met de sociale verkiezingen in het verschiet zullen weer de gruwelverhalen genre 'het ontslag van een lid van de OR/CPBW kan acht jaar loon kosten' opduiken. Los van het feit dat een pientere advocaat het voor minder kan, is het grof dat je überhaupt ontslagbescherming kan kopen. Vakbondsvrijheid impliceert immers dat men niet kan worden ontslagen omwille van zijn engagement.

Maar het kan eenvoudig(er). Bij een herstructurering gaan er jobs op de schop: een ideale gelegenheid om personeelsvertegenwoordigers te lozen om economisch-technische redenen. Geen rechtbank die daar kanttekeningen bij zal maken, want de rechter hoort niet op de ondernemersstoel plaats te nemen. En dat is nog niet alles. Op een subtiele manier kan men de personeelsvertegenwoordiger 'zoeken': economische werkloosheid à volonté, naar promoties en loonsverhogingen kunnen ze fluiten. Mag dat? Neen, maar het is een berekend risico. Union busting gebeurt heimelijk en is nauwelijks te bewijzen; veroordelingen op grond van discriminatie wegens syndicale overtuiging komen nauwelijks voor.

Het doet allemaal wat denken aan The Wizard of Oz. Iedereen heeft schrik van de vakbonden, maar achter het gordijn zit alleen maar een kleine schreeuwlelijkerd die 'on-machtig' is. En de werkgevers weten dat.

NIET ZO FUNDAMENTELE RECHTEN

De essentie van de arbeidsovereenkomst is dat de werkgever gezag mag uitoefenen. Hoewel dat gezagsrecht niet onbeperkt is, scheelt het niet veel.

De wetgever stelt limieten. Zo kan een verpleegkundige niet worden verplicht om te assisteren bij een abortus.4 In sommige gevallen kan men zich zelfs beroepen op een grondrecht. Zo hebben werknemers zelfs binnen de onderneming recht op vrijheid van meningsuiting, zij het dat dit met de nodige terughoudendheid moet worden uitgeoefend.5 Grondrechten die in een syndicale context worden uitgeoefend, kunnen meestal op weinig enthousiasme rekenen. Vooral het recht op collectieve actie moet het ontgelden. Reeds meer dan dertig jaar stappen werkgevers bij de eerste glimp van een stakingspiket naar de rechter om de doorgang te verkrijgen onder verbeurte van een zo fors mogelijke dwangsom. Dit is een zeer efficiënte techniek. Zelfs als achteraf blijkt dat de rechter te voortvarend is geweest, is het elan van de actie gebroken.

Het European Comittee of Social Rights van de Raad van Europa heeft dit dan ook als strijdig bestempeld met artikel 6 alinea 4 van het (Herziene) Europees Sociaal Handvest.6 Men zou deze praktijk moeten verbieden, maar men vertikt het.

Onder Michel I werd het stakingsrecht van de personeelsleden van de NMBS en van de penitentiaire ambtenaren aan banden gelegd. Ook op het regionale niveau wordt nagedacht over beperkingen; sectoren die vooral door/in Vlaanderen geviseerd worden zijn de gezondheidssector en het openbaar (streek)vervoer. De reiziger mag nu eenmaal niet gegijzeld worden. Maar ook de rechtbanken laten zich niet onbetuigd. De veroordeling van Antwerps ABVV-voorzitter, Bruno Verlaeckt7, die met een aantal kameraden een weg had geblokkeerd, was gebaseerd op een wel erg ruime interpretatie van artikel 406 Strafwetboek. En er is méér: een matrassenfabrikant die een antistakingspremie belooft aan werkwilligen; een bedrijf uit Sprimont dat een knokploeg inhuurt en ga zo maar door. Collectieve actie/staken een recht? Vergeet het.

HET ALTERNATIEF

In België is de scheiding der machten nog niet doorgedrongen tot op het bedrijfsvlak. De werkgever is wetgever, rechter en – sta me toe om even te overdrijven – beul. Zou het kunnen dat anno 2019 de onderneming nog steeds een autocratie is? Dat overal participatie wordt voorgestaan, behalve op bedrijfsvlak?

Helaas wordt over deze problematiek nauwelijks nagedacht. De sociale partners zitten veilig in hun ideologische loopgraven. De laatste denkoefening over een wijziging van de Bedrijfsorganisatiewet is al meer dan drie decennia oud. Waarom kan het elders wel?

Probeer maar eens in Frankrijk een fabriek te sluiten die winstgevend is. Uiteindelijk zal het wel lukken, maar het duurt veel langer dan in België. En dan is er nog Nederland. Niet alleen heeft de Nederlandse ondernemingsraad (OR) veel meer bevoegdheden dan de Belgische; de raad kan zelfs beroep instellen tegen bepaalde werkgeversbesluiten bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam.

De aversie om na te denken over wijzigingen is zeker ingegeven door de vrees dat, eens men begint te morrelen aan de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, een aantal heilige huisjes zullen sneuvelen. Neem nu het oligopolie van kleurenbonden. Waarom daar moeilijk over doen? Laat huisvakbonden maar toe. Ofwel slaan ze niet aan (denk maar aan de sociale verkiezingen bij het spoor waar de outsiders niet scoorden), ofwel hebben ze succes, maar bij de eerste afdankingsronde komt iedereen sowieso terug naar het huis van vertrouwen. Alleen de representatieve organisaties hebben immers de knowhow om de werkgever van antwoord te dienen.

En dreigt het gevaar niet dat ook anderen zullen willen zetelen in de OR/CPBW? Voor sommige groepen valt wel iets te zeggen: uitzendkrachten, personeel van onderaannemers, enzovoort. Maar wat met buurtbewoners, milieuverenigingen of andere betrokken partijen? Vorige eeuw verdedigde de jezuïet Fernand Vanneste in de colleges Natuurrecht aan de UFSIA met verve de stelling dat de onderneming niet alleen van de eigenaar is. Moeten we dan niet alle stakeholders betrekken? Voor mij hoeft het niet, maar misschien is dit voer voor discussie op het volgende ACV-congres?

Vakbonden hebben vooral schrik dat een doorbreken van de status quo een invloed zal hebben op het aantal beschermde werknemers: meer democratie voor minder bescherming.

De Belgische regeling waarbij de bescherming niet de regel is, is strijdig met internationaal recht. Waarom wordt deze wantoestand niet te vuur en te zwaard bevochten? Waarom leggen de rechters in sociale zaken die de werknemers vertegenwoordigen niet massaal het werk neer zodat de arbeidsrechtbanken en -hoven vleugellam worden? Waarom de Nationale Arbeidsraad (NAR) niet boycotten? Daar wringt het schoentje. De werknemersorganisaties zijn zo verstrengeld met het systeem dat ze er nog moeilijk afstand van kunnen nemen. De sociale dialoog moet dringend worden opengebroken, wegens te incestueus. In de Nederlandse Sociaal-Economische Raad (SER) bijvoorbeeld kunnen buitenstaanders (de zogenaamde kroonleden) input geven, waardoor men veel meer het grote plaatje ziet en men zich veel minder bezighoudt met bagatellen.

SOYONS RÉALISTES,EXIGEONS L'IMPOSSIBLE

We brengen een belangrijk deel van ons leven op onze werkplek door. Indien dat een plaats is waar alleen de werkgever het voor het zeggen heeft, waar geen tegenspraak wordt geduld, waar participatie onmogelijk is, dan moet men niet verbaasd zijn dat werknemers bij het verlaten van de onderneming geen democraten blijken te zijn. Respect voor democratie mag niet stoppen aan de bedrijfspoort, anders wenkt de barbarij.

Maar hoe dit te realiseren? Vaak wordt Mondragón Cooperative Corporation8 uit Baskenland als model naar voren geschoven. In christendemocratische middens geniet dit (door een priester uitgedokterd) model, dat steunt op de mede-eigendom van werknemers, enige populariteit. Vorige eeuw bijvoorbeeld werkte de Antwerpse HBK-spaarbank in die geest.9 Werknemers die enkele jaren in de onderneming actief waren, kregen een stukje eigendom en werden zo een beetje 'baas'. Zij kregen echter geen zeggenschap op de werkvloer zodat de onderneming in feite niet veel democratischer was dan eender welke andere bank. Sterker nog, vakbonden werden in de mate van het mogelijke buiten gehouden. Waarom zijn die immers nodig als iedereen eigenaar is?

Ook ter linkerzijde zijn denkoefeningen gehouden. Op het nationaal congres van november 1978 al propageerden de Jongsocialisten nog het zelfbeheer.10 Ik heb hierover ooit eens van gedachten gewisseld met een Servische collega. Het bleek dat in ex-Joegoslavië (dat het zelfbeheer als staatsideologie beleed) de werknemers een directeur kozen die door de Partij als enige naar voren was geschoven. Kwam daar nog bij dat deze zich na aanstelling even autoritair gedroeg als eender welke kapitalistische ondernemer. Weg illusie.

Moraal van het verhaal: het democratiseren van de onderneming is geen sinecure. Als men dat wil, moet men morrelen aan het eigendomsrecht. Dat kan alleen maar als de maatschappij fundamenteel wordt hervormd en dat vergt meer dan wat juridisch bricoleren.

VOETNOTEN

  1. 'André Renard écrivait… Receuil d'articles 1936-1962', Luik, Impredi, 1962, 115 e.v.
  2. Artikel 70 Wet 13 februari 1998, houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling.
  3. Parl. St. Kamer 2002-2003, nr. 2343/1, 20.
  4. Artikel 350, 6° Strafwetboek.
  5. D. Voorhoof en P. Humblet. 'The Right to Freedom of Expression in the Workplace Under Article 10 ECHR' in F. Dorssemont, K Lörcher en I. Schömann, The European Convention of Human Rights and the Employment Relation, London, Hart Publishing, 2013, pp. 237-286.
  6. Klacht n° 59/2009 (te raadplegen via de dbase HUDOC).
  7. Rb. Antwerpen 28 juni 2018, AR 16A047793 en Antwerpen 26 juni 2019, 2018/CO/780.
  8. Zie o.a. de VPRO-documentaire hierover : https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2011-2012/mondragon.html.
  9. Zie M. Lambrechts en A. Van Put, 'Eigendom en kapitaalsparticipatie. Een kwestie van uitsluiting en ontsluiting', in P. Humblet en L. Lenaerts (ed.), 'Arbeid en Kapitaal: (on)verzoenbaar?', Tegenspraak Cahier, nr. 19, Gent, Mys & Breesch, 1999, pp. 121-152.
  10. Verslag en resoluties. Nationaal Kongres van de Jongsocialisten, Westende, 1978, 115 p.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 36 tot 40