Abonneer Log in

People's Republic of Walmart

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 85 tot 87

Walmart bewijst dat centrale planning in de praktijk wél werkt, aldus Leigh Phillips en Michal Rozworski.

People's Republic of Walmart

Leigh Phillips & Michal Rozworski
Verso Books, Londen/New York, 2019

Voor een 33-jarige jongeman lijkt centrale planning zoiets als een inbelinternetverbinding voor een 18-jarige. Je hebt er oudere mensen misschien wel eens over horen spreken, maar het is toch uit het hedendaagse landschap verdwenen, en iedereen lijkt het erover eens te zijn dat het niet zo efficiënt was. Bovendien is het voor een 33-jarige die het lastig heeft om zijn leven al voor één dag te plannen – laat staan voor een week, een maand of een jaar – moeilijk in te beelden dat we zoiets complex als een economie zouden kunnen plannen.

Toch is dat mogelijk, én het gebeurt al in zekere mate. Dat is wat Leigh Phillips en Michal Rozworski beweren in hun boek met de intrigerende titel People's Republic of Walmart. How the World's Biggest Corporations are Laying the Foundation for Socialism. Zoals ze zelf hun boodschap beschrijven: 'Planning bestaat overal rondom ons, en het is duidelijk dat het werkt; anders zouden kapitalisten er niet zo uitgebreid gebruik van maken. (…) Van de warenhuizen van Amazon over de fabrieken van Foxconn tot alle grote industriesectoren, het kapitalistische systeem opereert zonder prijssignalen en markten. Het plant – en het plant goed.'

Het grote probleem is volgens de auteurs dat de planning vandaag in functie staat van de winst en niet van de maatschappelijke noden. Bovendien gebeurt het in een hiërarchische en ondemocratische vorm, zonder inspraak van burgers en werknemers in de autoritaire dictaturen die bedrijven vandaag veelal zijn. Walmart is daar één van de belangrijkste voorbeelden van, vandaar de titel van het boek.

Om hun argumentatie kracht bij te zetten, leggen de auteurs een hele weg af. Ze beginnen met een introductie over het debat over de economische of socialistische calculatie. Dat debat in de jaren 1920 en 1930 ging over de vraag of het mogelijk is om de informatie die nodig is in een planeconomie te verzamelen en centraliseren, en plannen te maken die een efficiënte economie vormgeven. Ludwig von Mises was één van de voornaamste tegenstanders van planning, en argumenteerde dat de markt veel beter is in het verenigen van vraag en aanbod dan planning, voornamelijk door 'vrije' prijsvorming.

Nochtans, betogen de auteurs, toont Walmart – 's werelds derde grootste werkgever na het Amerikaanse en Chinese leger – dat planning in de praktijk wél werk. Binnen Walmart wordt alles gecoördineerd en is er geen concurrentie. De auteurs maken de interessante vergelijking met een concurrent van Walmart, Sears, waarbinnen een interne markt werd gecreëerd met concurrerende eenheden, met desastreuze gevolgen voor de bedrijfsresultaten.

Een ander voorbeeld is Amazon, dat bijna de helft van de online retailverkoop in de VS controleert. Amazon verzamelt miljarden data over wat mensen willen kopen en wanneer. Het doet op basis daarvan aan vraagschatting, en heeft ondertussen al een systeem om met algoritmes te weten wat je wil kopen voor je het zelf zou weten. Bovendien integreert Amazon zijn werking met een deel van de producenten van producten die ze verkopen, zodat ze altijd voldoende aanbod hebben. De auteurs beschrijven Jeff Bezos, de schatrijke CEO van Amazon, dan ook als 'de kale, snorloze Stalin van de online retail'.

De planning die vandaag bestaat in onze economie gaat verder dan individuele bedrijven, volgens Phillips en Rozworski. Op de aandelenmarkt zorgen investeringsfondsen en passief management ervoor dat de concurrentie wordt uitgeschakeld, zoals u in deze SamPol ook in de bijdrage van Jeroen Vander Cruyssen en Alexis Walckiers kan lezen. Veel innovaties zijn ook eerder het gevolg van overheidstussenkomst dan van marktwerking, zoals Mariana Mazzucato eerder duidelijk maakte. En de auteurs besteden een volledig hoofdstuk aan de (weliswaar imperfecte) planning van de Britse gezondheidszorg in de NHS sinds de Tweede Wereldoorlog.

De volgende twee hoofdstukken gaan over de Sovjet-Unie, waarbij de (niet altijd overtuigende) these is dat het autoritarisme en het gebrek aan vrijheid leidden tot slechte informatie en zo de economische planning ondermijnden. Zonder democratische input van consumenten en werknemers, zo schrijven de auteurs, kan planning niet werken.

Planning wordt volgens Phillips en Rozworski nog urgenter in het licht van de klimaatontwrichting, waar ze een te kort hoofdstuk aan wijden. Regulering – 'that toe-dipping exercise in economic planning' – is daarbij onvoldoende, betogen ze, en alleen een mondiale, democratisch geplande economie kan de problematiek oplossen.

Conclusie? 'Planning is al overal, maar eerder dan als een bouwsteen voor een rationale economie gebaseerd op behoeften, is het verweven in een irrationeel systeem van marktkrachten gedreven door de winst. Planning werkt, maar nog niet voor ons.' Met die intrigerende stelling schreven Phillips en Rozworski een interessant boek over een weinig belicht thema.

Maar overtuigt het boek dat centrale planning hét fundamentele principe moet zijn om onze economie vorm te geven? Als introductie voor de 'niet ingewijden' vind ik het wel geslaagd. Het verhaal dat er vandaag al heel wat planning gebeurt binnen ondernemingen klinkt logisch. Dat meer planning noodzakelijk is in enkele sectoren en beleidsdomeinen, is vanzelfsprekend. Denk maar aan de uitbouw van hernieuwbare energie of een Europees treinnetwerk als aantrekkelijk alternatief voor de luchtvaart. Dat concurrentie vaak niet efficiënt is, is ook duidelijk. Het is bijvoorbeeld onzinnig om twee onderzoeksteams op hetzelfde moment hetzelfde onderzoek te laten doen zonder uitwisseling van methodes en resultaten, of om een verschillende oplader nodig te hebben voor een iPhone dan voor een Samsung. Van het belang van economische democratie, zoals inspraak van werknemers en burgers in bedrijven, moesten de auteurs mij ook niet overtuigen.

Maar enkele grote vragen blijven onbeantwoord.

Ten eerste: de uitdaging is volgens de auteurs om de planning die vandaag al bestaat binnen grote multinationals te democratiseren en uit te breiden naar het niveau van de hele economie (en zelfs de hele wereld). Maar dat is natuurlijk wel een gigantische uitdaging. Er is een groot verschil tussen binnen een onderneming plannen dat het juiste product aanwezig is en op tijd op de juiste plaats terechtkomt, en op het niveau van de volledige economie plannen wat er min of meer binnen een jaar geproduceerd moet worden door welke onderneming.

Ten tweede: zijn de technieken van Walmart en Amazon, waarbij gebruik wordt gemaakt van big data en algoritmes, wel geschikt om democratische planning vorm te geven? Los van het vraagstuk van individuele vrijheid en privacy, kunnen we ons ook afvragen of de wijze waarop data vandaag verzameld en verwerkt worden wel nuttig zijn voor een economie gebaseerd op behoeften en democratisch overleg in plaats van op koopkracht en markttransacties (en vaak hersenloos consumentisme). De meer technische passages over computerkracht en technologische vooruitgang kwamen voor mij dan ook niet overredend genoeg over, omdat het niet duidelijk is welke rol die zouden kunnen en moeten spelen in een economie gebaseerd op planning.

Die twee vragen leiden volgens mij naar de essentie van de zaak. Wat zijn de behoeften van een samenleving en de individuen in die samenleving, en kunnen we die behoeften op een betere manier achterhalen dan via koopkracht en consumptie? Kunnen we de productie en distributie van goederen en diensten om die behoeften te vervullen plannen in plaats van te rekenen op concurrentie en marktwerking? In welke sectoren kan dat wel, en in welke sectoren is dat moeilijker? Welke instituties hebben we nodig voor die planning? En kan marktwerking ook zonder winstmaximalisatie?

Dat het mij over die vragen deed nadenken, is de grote verdienste van het boek. Dat het weinig antwoorden levert, het grote gebrek.

Sacha Dierckx

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 85 tot 87