Abonneer Log in

The Great Reversal

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 79 tot 81

Het boek van Thomas Philippon leest als een waarschuwing voor de Europeanen om de fouten van de Amerikanen niet te maken.

The Great Reversal

Thomas Filippon
Harvard University Press, Cambridge, 2019

Franse economen zijn hot in de Verenigde Staten. Thomas Piketty verkocht een half miljoen exemplaren van zijn Capital in the Twenty-First Century. Emmanuel Saez en Gabriel Zucman schreven met The Triumph of Injustice een bestseller waarin ze de fiscale ongelijkheid aanklagen. De laatste in de rij Franse economen is Thomas Philippon. In tegenstelling tot Piketty en Saez/Zucman, die een uitgesproken progressief profiel hebben, is Philippon een liberaal of zoals hij zelf zegt 'a free market liberal'. Daarmee onderscheidt hij zich van zijn landgenoten-economen. Thomas Piketty is namelijk een bekende compagnon de route van de Franse PS. Hij steunde achtereenvolgens Ségolène Royal, François Hollande en Benoît Hamon in de presidentsrace en sprak recent zijn steun uit voor de Britse Labourleider Jeremy Corbyn. Gabriel Zucman en Emmanuel Saez inspireerden dan weer het verkiezingsprogramma van de progressieve Democratische presidentskandidaten Bernie Sanders en Elisabeth Warren met hun voorstel voor een vermogensbelasting.

Thomas Philippon is, net zoals Piketty en Zucman, afkomstig uit de voorsteden van Parijs. Hij studeerde eveneens aan een Parijse universiteit en vervolgde eveneens zijn studies in de Verenigde Staten. Tot daar de gelijkenis; al werkte ook hij in 2007 eventjes voor de voormalige Franse, socialistische minister en Europees Commissaris Pierre Moscovici. Vandaag is Thomas Philippon professor in financiële economie aan de Leonard N. Stern School of Business van de Universiteit van New York en is hij lid van het Monetary Policy Advisory Panel van de Federal Reserve van New York.

Toen Thomas Philippon in 1999 in Boston belandde, waren de Verenigde Staten het land van de vrije markt. Goederen en diensten waren er goedkoper dan in Europa, en zeker dan in Frankrijk. Vandaag zijn gsm-abonnementen, internet en vliegtuigtickets goedkoper in de Europese Unie. In zijn boek The Great Reversal. How America Gave Up on Free Market gaat hij na hoe dit kwam. Hij toont aan de hand van een massa data, grafieken, tabellen en recent onderzoek aan hoe de machtsconcentratie van ondernemingen jaar na jaar toenam in de Verenigde Staten. Dit komt niet zonder gevolgen: hogere prijzen voor de consumenten, lagere productiviteit, lagere investeringen, hogere ongelijkheid en gulle winstuitkeringen voor de aandeelhouders.

Thomas Philippon staaft zijn stelling met een hele reeks voorbeelden. De gemiddelde prijs van een breedband-internetverbinding ligt vandaag in de Verenigde Staten tweemaal hoger dan in Frankrijk of Duitsland. De bedrijfswinsten stegen de afgelopen twintig jaar van 7 à 8% naar 10%. Ook het aandeel van de winsten dat wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders onder de vorm van dividenden en de buybacks (inkoop van eigen aandelen) steeg, van één derde tot meer dan de helft van het totaal actief. Het aandeel van de lonen in de toegevoegde waarde daalde dan weer met vijf punten sinds 2000. Deze 'great reversal' kost een gemiddeld Amerikaans huishouden 5.000 dollar per jaar. Een vrijere markt, aldus Philippon, zou leiden tot lagere prijzen (een besparing van 3.000 dollar) en hogere lonen (extra inkomsten van 2.000 dollar).

Doorheen zijn boek vergelijkt Thomas Philippon de Verenigde Staten met de Europese Unie. Hoewel Europa zich vanaf de jaren 1990 voor een stuk liet inspireren door de Amerikaanse deregulering, kent de Europese eenheidsmarkt vandaag lagere prijzen en hogere productiviteitsgroei. De ongelijkheid en winstgevendheid ligt er lager dan in de Verenigde Staten door een sterke antitrustwetgeving en onafhankelijke regulatoren. Daartoe behoren de Europese Centrale Bank en het Directoraat-Generaal voor de Concurrentie van de Europese Commissie.

Niet zo in de Verenigde Staten. Daar zagen we sinds 2000 steeds grotere ondernemingen en in sommige sectoren zelfs oligopolies. Invloedrijke ondernemingen gebruikten, of beter gezegd misbruikten, hun positie om de politiek en de regulatoren te beïnvloeden door lobbywerk en/of financiering van politieke campagnes. Dat leidde op zijn beurt tot nieuwe reguleringen en meer barrières om tot de markt toe te treden, wat het voor het kleine bedrijven moeilijker maakt om te groeien. De bedrijfslobby in de Verenigde Staten is dan ook twee à driemaal groter dan in de Europese Unie. En de bijdrage van bedrijven aan verkiezingscampagnes ligt er maar liefst vijftig keer hoger dan hier.

In het laatste deel bestudeert Thomas Philippon een aantal industrieën, waaronder de financiële sector, de gezondheidszorg en het internet. In al die sectoren zijn dezelfde krachten aan het werk: minder competitie, meer barrières en veel lobbywerk.

Met de deregulering en digitale ontwikkelingen zou je verwachten dat de financiële sector veel efficiënter en goedkoper zou zijn geworden. Het tegendeel is waar. De kosten van intermediaire diensten stegen van 4% tot 8% van het bbp. Ook de machtsconcentratie groeide. Het aantal Amerikaanse banken daalde in de jaren 1990 met 30%. De acht grootste banken beheren vandaag 35,5% van de totale activa, tegenover 22,3% twee decennia eerder.

De Verenigde Staten heeft de beste ziekenhuizen en de beste technologieën. Maar in vergelijking met andere rijke landen leeft een hoger percentage van de bevolking in armoede, is het kindersterftecijfer hoger en de levensverwachting lager. De kosten van het Amerikaanse gezondheidszorgsysteem zijn hallucinant, met 18% van het bbp. Het dubbele van andere rijke landen. Een Amerikaan betaalt gemiddeld 1.443 dollar aan medicamenten tegenover 749 dollar in Europa. Hetzelfde geldt voor de honoraria van artsen en andere medische kosten.

En dan zijn er nog de internetgiganten Google, Apple, Facebook, Amazon en Microsoft (of: de GAFAM). Zij verschillen niet zoveel van andere giganten uit het verleden. De winstcijfers en marktwaarden zijn gelijkaardig. Wat verschilt is hun voetafdruk. Ze stellen beduidend minder personeel te werk en kopen minder in van leveranciers. Controversieel zijn de belastingontwijkingen. Sinds de jaren 1980 daalde de effectief betaalde belastingvoet van de grootste Amerikaanse bedrijven van 50% tot minder dan 20%. Ze gebruiken daartoe loopholes in de wetgeving en belastingparadijzen. De Verenigde Staten lopen zo jaarlijks 70 miljard dollar aan inkomsten mis. De GAFAM verschillen daarin niet van de andere multinationals. Wat wel verschilt, is de locatie waar zij winsten maken.

Thomas Philippon heeft, met anderen woorden, een bijzonder interessant boek geschreven over de evolutie van de Verenigde Staten in de afgelopen twintig jaar. De machtsconcentratie steeg in die periode fel ten nadele van de consumenten, de werknemers en de overheid. Het boek leest dan ook als een waarschuwing voor de Europeanen om de fouten van de Amerikanen niet te maken.

Fidel Gavilan

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 1 (januari), pagina 79 tot 81