Abonneer Log in

De les van de LEZ

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 2 tot 3

Welvaartsstaten zijn opgezet als collectieve systemen om burgers te beschermen tegen ongelijk verdeelde sociale risico's.

De aankondiging van nieuw milieubeleid is de laatste jaren steevast goed voor sociaal geïnspireerd verzet. Het debat over lage-emissiezones (LEZ) is daar het meest recente voorbeeld van. De kritiek klinkt scherp: ze zijn 'asociaal en elitair'. Tekenend voor het publiek debat is dat ecologische en sociale overwegingen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Iedereen zegt wel voor betere luchtkwaliteit te zijn, maar de discussie verzandt in een debat over de ongelijke verdeling van sociale baten en kosten. Dit soort debatten etaleert een onvermogen om armoedebestrijding en de ecologische transitie samen te denken. Beide samen aanpakken betekent onvermijdelijk het herdenken van het sociaal beleid zoals we die tot nog toe kenden, maar we kunnen daarbij rijkelijk putten uit de egalitaire traditie van de welvaartsstaat.

Armoede en milieuproblemen hebben veel gemeen. Sociale wetenschappers analyseren armoede al decennialang vanuit het perspectief van het maatschappelijk schuldmodel. Maatschappelijke structuren zoals de arbeids- en woningmarkt brengen armoede voort. Ze maken deze analyses tegen de tijdsgeest in waarin armoede dominant gezien wordt als het gevolg van individuele keuzes.

Een goede analyse van de oorzaken en gevolgen van ecologische problemen versterkt die focus op een maatschappelijk schuldmodel. Ten eerste zijn allerlei milieuproblemen en de daaraan gekoppelde risico's sociaal ongelijk verdeeld. Kwetsbare groepen worden vaker geconfronteerd met milieuproblemen zoals luchtvervuiling en geluidsoverlast.

Ten tweede zijn lagere sociale klassen minder verantwoordelijk voor milieuproblemen. Dat neemt niet weg dat mensen in armoede op bepaalde vlakken onder meer door een gebrek aan inkomen of kennis minder duurzame keuzes moeten maken. Zo zijn er onvoldoende financiële middelen om de oude dieselwagen in te ruilen voor een zuiniger exemplaar. Ten derde is er ook sprake van ongelijkheid in de verdeling van kosten en baten van ecologische beleidsmaatregelen. Goedbedoelde maatregelen om 'de vervuiler te laten betalen' hebben dikwijls onbedoelde sociale neveneffecten en bestendigen op hun beurt sociale ongelijkheid.

Ongelijkheden aanpakken is een opdracht van de welvaartsstaat. Maar is de welvaartsstaat ecologisch duurzaam? De economische groei die al decennialang als basis dient voor het sociaal beleid creëert ecologische kosten. Die worden afgewenteld op populaties buiten de nationale grenzen, precaire groepen binnen de nationale grenzen en toekomstige generaties.

Moeten we van een sociaal model naar een sociaalecologisch model evolueren? En wat is dat dan? Het maatschappelijk schuldmodel dat zowel de structurele oorzaken van armoede en milieuproblemen als wel de ongelijke verdeling van kosten, baten en mogelijkheden om ernaar te handelen, goed duidt, toont een stuk van de weg. Welvaartsstaten zijn opgezet als collectieve systemen om burgers te beschermen tegen ongelijk verdeelde sociale risico's. Wat in de transitie naar een ecologisch duurzame welvaartsstaat best gegarandeerd blijft, is net dat collectief karakter van de sociale bescherming.

Een dergelijke aanpak vermijdt een culpabiliserende benadering waarin individuen op hun individuele gedrag aangesproken worden los van de maatschappelijke context waarin ze keuzes maken. Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om duurzaam te handelen. Ecologisch handelen versterkt zo vaak de bestaande sociale ongelijkheden. Het is dus ook vanuit het standpunt van het behoud van de egalitaire welvaartsstaattraditie beter de ecologische kwestie op te vatten als een collectieve verantwoordelijkheid, eerder dan als een optelsom van individuele voetafdrukken.

Vanuit dit perspectief kan LEZ moeilijk een ideale maatregel zijn. Hoe het aandeel ook ligt tussen automobilisten van buiten en binnen de stad, het is niet wenselijk de kost voor een betere luchtkwaliteit door te schuiven naar individuele burgers, in het bijzonder als dat gaat snijden in het gezinsbudget van lagere inkomensgroepen. Dat kan dan wel in de beste welvaartsstaatstraditie gecompenseerd worden met sociale correcties, maar ook in dat geval is het moeilijk uit te sluiten dat maatregelen die op verduurzaming mikken via de markt in een ongelijke samenleving nefaste verdelingseffecten hebben.

Daarmee is echter niet alles gezegd. De slechte luchtkwaliteit is immers ook ongelijk verdeeld. Armere wijken hebben vaak een slechtere luchtkwaliteit, terwijl in de allerlaagste inkomensklassen – die sterk aanwezig zijn in die wijken – het autobezit lager dan gemiddeld is. Hier geraken we enkel uit met collectieve oplossingen: meer en beter openbaar vervoer én minder auto's.

De vraag naar beter openbaar vervoer mag echter geen makkelijke uitvlucht worden om ondertussen niets te doen. Er is meer en ernstiger denkwerk nodig over hoe onze welvaartsstaat aangepast kan worden aan de ecologische transitie, vooral bij die krachten in de samenleving die zich als historische erfgenamen van de welvaartsstaat zien. Wat opgezet is als systeem van collectieve bescherming is al te vaak ontaard in een systeem van individuele sociale rechten waarvan de concrete uitwerking de ecologische grenzen tart.

Het recht op mobiliteit is in de praktijk een recht op een eigen auto, op de wegenis en parkeerplaats op het publieke domein geworden. Het recht op huisvesting een recht op een vrijstaande woning op om het even welke plaats. Hier staat onze welvaartstraditie in de weg van een collectieve oplossing voor ecologische problemen. Beter openbaar vervoer voorzien is noodzakelijk, maar zal niet volstaan om burgers meer te doen denken en handelen in collectieve oplossingen. Hier ligt een moeilijke pedagogische opdracht die geen simplistische framings verdraagt.

Dit edito is gebaseerd op een langere tekst die we, samen met de leden van de onderzoeksgroep CRESC, schreven voor Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2019

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 2 tot 3