Abonneer Log in

Essays on Secularism and Multiculturalism

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 74 tot 76

Het boek van Tariq Modood is ongetwijfeld gunstig voor moslims. Of het echter ook het meest faire politieke systeem is, valt nog te bezien.

Essays on Secularism and Multiculturalism

Tariq Modood
Rowman & Littlefield International, Londen, 2019

Tariq Modood is Brits socioloog en politicoloog. Hij geldt als één van de belangrijkste stemmen in het debat over migratie, integratie, multiculturalisme, islam en secularisatie. In Essays on secularism and multiculturalism brengt Modood een collectie van elf artikels samen die hij in de periode 2005-2018 in verschillende tijdschriften en boeken heeft gepubliceerd. Het boek bevat verder een zeer degelijk inleidend hoofdstuk en een soort uitleiding in de vorm van een fragment uit een interview. Het boek valt uiteen in twee delen, respectievelijk over de racialisatie van moslims en over de vraag hoe secularisatie en multiculturalisme kunnen samengaan. Die tweedeling is betrekkelijk arbitrair, mede omdat in de verschillende hoofdstukken voortdurend dezelfde ideeën over discriminatie, islamofobie, institutionele accommodatie en het herdefiniëren van de nationale identiteit terugkeren. Wat dat betreft is de uitgever Modood behoorlijk welwillend geweest. Verder had het woord 'islam' ook gerust in de titel van het boek kunnen worden opgenomen. Wat de hoofdstukken immers werkelijk met elkaar verbindt, is dat er voortdurend wordt gezocht naar de plaats van de islam in de westerse, geseculariseerde wereld. In zijn zoektocht naar het antwoord op die vraag (die meermaals wordt geïllustreerd met wat er zich in de Britse context afspeelt) is Modood opvallend vriendelijk voor de islam. Illustratief is de moeite die hij zich getroost om uit te leggen waarom de beruchte cartoons niet hadden moeten gepubliceerd worden. Het is niet dat Modood de gekende problemen (zoals onderdrukking en extremisme) onvermeld laat, maar hij wandelt er bij wijlen nogal makkelijk om heen. Zo heeft hij geen bezwaar tegen Shariaraden, op voorwaarde dat de mensenrechten en grondwetten worden gerespecteerd. De vraag die open blijft is of de wet van de Sharia wel volledig in lijn kan worden gebracht met de westerse principes van vrijheid en gelijkheid en waarom het een goed idee is dat er in een gedeelde samenleving aparte islamitische rechtstelsels aanwezig zijn.

Modood brengt geregeld aan dat moslims in het Westen op nogal wat vooroordelen botsen en omwille van hun geloof nadelen ervaren. Net daarom zijn moslims politiek actief geworden voor zover zij streven naar de publieke erkenning van hun religieuze identiteit. Zoals reeds opgemerkt gaat Modood behoorlijk ver in de accommodatie van die erkenningsclaims. Mensen, zo stelt Modood, groeien gewoonlijk op in een religieus gezin of land waardoor het geloof snel een wezenlijk deel van de identiteit wordt. Bovendien kiezen ze er ook niet zomaar voor om te leven in een samenleving die negatief staat ten opzichte van geloof. Bovendien worden mensen met een bepaald uiterlijk ook snel als moslim beschouwd en daardoor benadeeld. In die zin begrijpt Modood de islam als een etnoreligie en kan bepaalde kritiek op de islam als een vorm van cultureel racisme beschouwd worden. Dit racisme moet worden verboden én het negatief gepercipieerde verschil moet actief worden erkend. Moslims, aldus Modood, verdienen dezelfde politieke behandeling/bescherming als andere kwetsbare groepen zoals vrouwen, holebi's, etnische minderheden. Net zoals men bijvoorbeeld niet enkel wil dat er geen seksistische opmerkingen worden gemaakt, maar ook en vooral dat vrouwen gelijk behandeld worden (bijvoorbeeld gelijke aanwezigheid in bestuursraden), zo ook zou men het religieuze verschil moeten erkennen en aanwezig stellen. Op de nochtans vanzelfsprekende riposte, namelijk dat als men moslims als groep erkent, er niet alleen mensen, maar ook bepaalde ideeën waarrond die mensen zich verenigen worden erkend, gaat Modood vreemd genoeg niet in.

Wat Modood voortdurend verdedigt is de volledige integratie van de islam in het politieke en maatschappelijke weefsel. De nationale cultuur moet niet worden 'verdund', maar ze moet 'dikker' worden gemaakt door de actieve erkenning/inclusie van moslims. In de literatuur over het multiculturalisme is die benadering betrekkelijk origineel omdat 'religie' wordt binnengebracht in een debat waar 'verschil' gewoonlijk verwijst naar taal en cultuur. Het is bijvoorbeeld op dit punt dat Modood het oneens is met Will Kymlicka – de bekendste verdediger van het multiculturalisme. Kymlicka stelt dat een samenleving neutraal kan zijn op het niveau van religie (i.c. strikte kerk-staat scheiding), maar niet op het niveau van cultuur omdat de staat altijd culturele beslissingen moet nemen (denk aan vakantiekalender, symbolen, taalgebruik, curriculum). Modood meent dat de expliciete kerk-staat scheiding uiteindelijk betekent dat religie onvoldoende ernstig wordt genomen in de politieke en publieke ruimte – wat dus volgens hem niet neutraal is.

Modood merkt graag op dat hoewel 'secularisatie' volgens sommigen een scherpe kerk-staat scheiding inhoudt, kennen de meeste landen in de praktijk een systeem waarin religies op de één of andere wijze worden ondersteund. Modood vindt dit prima omdat een staatsstructuur die 'moderate secular' is perfect verzoenbaar is met een multicultureel ondersteuningsbeleid. Hij ijvert wat dat betreft voor een 'multiculturalized secularism'. De vraag is echter of een actieve ondersteuning van religie niet vooral een bepaalde privilegering inhoudt. Modood is zich van die kritiek bewust, maar de manier waarop hij ermee omgaat is niet over de ganse lijn overtuigend. Zo stelt hij dat elke staat steeds verschillende public goods ondersteunt, denk aan wetenschap, musea, kunsten, sport, en dus ook religie. Hij noemt dit 'multiplex privileging'. Het is echter vreemd dat Modood niet aangeeft dat de ondersteuning van die goods steeds het product is van democratische beslissingen, terwijl de steun voor religie gewoonlijk constitutioneel is vastgelegd. Denk aan hoe de nieuwe Vlaamse regering het budget voor de kunstensector wil terugschroeven. Wie echter aan de geldkraan voor religie wil draaien, die moet daar eerst de grondwet voor herzien. In die zin wordt religie dus wel degelijk geprivilegieerd. Verder is het allerminst duidelijk wat een religie is noch wie dat precies moet bepalen. Religie wordt door Modood ook steeds als een 'public good' voorgesteld: het is voor veel mensen belangrijk en komt bovendien de samenleving ten goede. Hij begrijpt wel dat religie ook een 'public bad' kan zijn, maar hij gaat daar nauwelijks op in. In tijden van toenemende secularisatie en ontzuiling is de idee dat de meeste mensen religie dermate belangrijk vinden dat er een grondwettelijke verankering nodig is nogal bediscussieerbaar. Ik zeg maar wat: zouden mensen in het Westen niet liever hun belastinggeld spenderen aan cultuur, wetenschap of sport in plaats van aan religie?

Modood illustreert zijn 'multiculturalized secularism' onder andere met het bestaan van de Engelse staatskerk. Moslims vinden deze kerk-staatverhouding waarin één religie wordt bevoordeeld niet problematisch omdat dit systeem duidelijk maakt dat religie wordt gerespecteerd. Als er al iets moet veranderen, dan is het niet het afbouwen van de staatskerk (teneinde een scherpe kerk-staatscheiding te bekomen), maar wel het inclusiever maken van die verhouding. Zo zouden er vanuit de anglicaanse staatskerk moeten connecties worden gemaakt naar andere religies. Het aantal anglicaanse bisschoppen in de House of Lords zou bijvoorbeeld ook beperkt kunnen worden en er zou ook moeten plaats zijn voor representanten van andere christelijke denominaties en van andere religies. Een ander voorbeeld zijn de scholen die religie niet wegduwen, maar eerder ingaan op de verschillen én de gemeenschappelijkheden van diverse religies.

Of men het nu wel of niet met Modood eens is, duidelijk is dat hij een specifieke visie heeft over hoe een samenleving het best kan omgaan met de uitdagingen die migratie, globalisatie en vooral de islamisering met zich meebrengen. 'Multiculturalized secularism' is ongetwijfeld gunstig voor moslims. Of het echter ook het meest faire politieke systeem is, valt nog te bezien. Zo is de (grondwettelijke) bescherming van religie wellicht anachronistisch en unfair jegens de vele andere public goods die 'slechts' democratisch worden ondersteund. Ook de expliciete erkenning van religie sensu stricto lijkt unfair ten opzichte van de vele andere ideologieën, visies en individuele/collectieve concepties van het goede leven die niet op een vergelijkbare wijze worden ondersteund.

François Levrau

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 74 tot 76