Abonneer Log in

Hoe het iedereen voor de wind kan gaan

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 48 tot 51

Volgens de Koning Boudewijnstichting werd in 2017 meer dan één op de vijf gezinnen potentieel getroffen door een vorm van energiearmoede. Bij ongeveer één op de zeven gezinnen slokte de energiefactuur 11,8% of meer op van het netto beschikbaar inkomen. De CREG hanteert een andere definitie van energiearmoede, maar komt in een studie op minstens 400.000 gezinnen die in 2018 het risico liepen op energiearmoede. Volgens die studie leeft het merendeel van de huishoudens die zich met elektriciteit verwarmen in energiearmoede; van de gezinnen die zich met aardgas verwarmen gaat het om 40 à 50% van de eenoudergezinnen en 20 à 30% van de alleenstaanden.

Dat een basisbehoefte als energie in één van de rijkste landen ter wereld niet gegarandeerd wordt, is een schande. Naast een gebrekkig inkomen en slechte woningen zijn stijgende energieprijzen een belangrijke oorzaak voor deze blamage. De elektriciteitsprijs steeg volgens de CREG op 10 jaar tijd met 31% in reële termen (dus bovenop de inflatie, in nominale termen was het 62%).

ONEERLIJK SUBSIDIESYSTEEM

Het is al langer bekend dat één van de oorzaken de zogenaamde openbare dienstverplichtingen (ODV's) zijn. Een deel van die ODV's dienen om de subsidies voor hernieuwbare energie te financieren. Zo berekende de CREG dat de steun voor windenergieparken op zee in 2019 opliep tot 465,85 miljoen euro, of 31,55 euro voor een gezin met een gemiddeld energieverbruik. We subsidiëren dus via onze elektriciteitsfactuur de uitbouw van hernieuwbare energie. De VREG berekende in augustus 2019 dat een doorsneegezin via de elektriciteitsfactuur jaarlijks 251,68 euro aan Vlaamse ODV's betaalt. Met de federale ODV's (onder andere voor de windparken op zee) erbij komt dat zelfs op 329 euro.

Er is veel mis met de manier waarop we die steun voor hernieuwbare energie doorrekenen via de energiefactuur, maar één van de grootste problemen is het gigantische mattheüseffect. Het ABVV bracht naar buiten dat voor de Vlaamse ODV's laagspanningsklanten 53,83 euro per Megawattuur (MWh) betalen, middenspanningsklanten 5,95 euro, en grote bedrijven die op het Vlaamse hoogspanningsnet zijn aangesloten 0,36 euro. In mensentaal: de gezinnen betalen verhoudingsgewijs (per kWh) veel meer dan kmo's, die op hun beurt meer betalen dan grote industriële bedrijven.

Voor windparken op zee, een federale bevoegdheid, is er een gelijkaardig mechanisme via de degressiviteit van het tarief: hoe groter het elektriciteitsverbruik, hoe groter de korting die energieverbruikers krijgen op het tarief voor de ODV's. Opnieuw worden grote bedrijven en elektriciteitsslurpende gezinnen dus bevoordeeld ten nadele van kleinere verbruikers.

NAAR WIE GAAT DE WINST VAN DE WIND?

Die windparken op zee vormen nochtans één van de weinige lichtpuntjes in het Belgische (non)klimaatbeleid. We staan wereldwijd op de vijfde plaats als het gaat over windparken op zee. Als we kijken naar de capaciteit per inwoner, zouden we zelfs derde staan. 'Een Belgisch succesverhaal', was dan ook de titel van het editoriaal inDe Standaard toen die cijfers bekend werden.

Laten we wel wezen: dat België het goed doet op vlak van offshore windparken, is een zeer goede zaak. We moeten dringend af van fossiele brandstoffen; hoe sneller de overgang naar hernieuwbare energie, hoe beter. Naast zonnepanelen en windmolens op land zijn windmolens op zee daarvoor cruciaal.

Er is echter een maar… Met onze windenergie op zee verrijken we vooral private (en buitenlandse) vermogende aandeelhouders. Zo is Northwester 2, dat in 2020 operationeel zou moeten zijn, voor 70% in handen van Parkwinds. Dat is een onderneming van de familie Colruyt, volgens website 'de rijkste Belgen' de vijfde rijkste familie van het land met een vermogen van 3,7 miljard euro. Daarnaast is Northwester 2 voor 30% in handen van Sumitomo, een Japanse multinational die vooral in het bezit is van Japanse banken, maar ook bijvoorbeeld de Amerikaanse bank JP Morgan Chase als grote aandeelhouder heeft. De overheid heeft via investeringsvehikel PMV een aandeel van 16,4% in Parkwinds, en bezit dus ongeveer 11,5% van Northwester 2. Dat betekent dat bijna 90% van de winsten uit de windenergie naar vermogende Belgen en internationale banken gaan.

In sommige windparken hebben publieke instellingen een groter aandeel, wat de mogelijkheid biedt om de winsten ten goede te laten komen aan de hele bevolking, en inspraak te geven aan burgers, werknemers en andere stakeholders. Het windpark met de grootste capaciteit, Norther, is voor 50% in het bezit van Elicio. Dat is een dochteronderneming van Nethys, de Luikse intercommunale die helaas vooral bekend is als melkkoe voor de ex-PS'er Stéphane Moreau. Een ander windmolenpark, Rentel, is zelfs voor bijna 70% in handen van verschillende overheden (voor meer dan de helft gaat het om Waalse publieke instellingen). Maar bij C-power, het tweede grootste windmolenpark, gaat het dan maar weer om iets meer dan 30%, terwijl het bij Belwind en Nobelwind zelfs om minder dan 7% gaat.

Bovendien zijn alle windturbines gebouwd door buitenlandse bedrijven. Het gaat om het Deense beursgenoteerde bedrijf Vestas, MHI Vestas, een samenwerkingsverband tussen Vestas en het Japanse Mitsubishi, het Duitse Senvion, ondertussen overgenomen door het Duitse Siemens, en Siemens zelf. Frappant daarbij is dat Siemens onlangs onder vuur lag omdat het in Australië een seinsysteem zal leveren voor een treinverbinding tussen een gigantische steenkoolmijn en een kolenhaven, en dat Mitsubishi Heavy Industries ook actief is in iets minder duurzame sectoren als de lucht- en scheepvaart, militaire uitrusting en de automobielindustrie.

Tot slot is het ook het vermelden waard dat voor deze projecten mede een beroep gedaan wordt op private financiering. Zo werd voor het windmolenpark Seamade een contract afgesloten met een consortium waarin naast de Europese Investeringsbank zich ook commerciële banken als Santander, BNP Paribas, ING, KBC en Société Générale bevinden. Een deel van onze energiefactuur vloeit dus via de financieringskost van offshore windparken naar die financiële instellingen.

Is het niet gek dat we voor een basisbehoefte waar we niet zonder kunnen, elektriciteit, afhankelijk zijn van grote multinationals? Dat we daardoor met onze energiefactuur rijke binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders verrijken terwijl wind een toonvoorbeeld van een algemeen goed, een 'common' is, dat nu de facto geprivatiseerd wordt? Dat de overheid door een gesubsidieerde en vaste elektriciteitsprijs de winsten van die multinationals verzekert en het risico dus socialiseert op kosten van de burger?

EEN INDUSTRIEEL BELEID VOOR WINDKRACHT

Het kan ook anders. Daarvoor kunnen we naar de geliefde Scandinavische gidslanden kijken: Zweden, Denemarken en Noorwegen. In Zweden zijn drie van de vijf offshore windparken in handen van overheidsbedrijf Vattenfall, terwijl een vierde windpark voor de helft in handen is van lokale huisvestingsmaatschappijen en energiebedrijven.

Vattenfall bezit ook het grootste Deense windpark op zee, en 60% van het zesde grootste Deense windpark. De andere 40% van dat windmolenpark zijn in handen van Ørsted, een Deense onderneming die voor 50,1% in handen is van de Deense overheid en voor bijna 10% in handen van een coöperatief Deens energiebedrijf. Ørsted bezit ook de helft van het tweede grootste Deense offshore windmolenpark, 100% van het derde grootste en de helft van het vijfde grootste. De andere helft van het tweede en vijfde grootste windpark is in handen van Deense pensioenfondsen.

Denemarken is dus niet alleen het land dat het grootste aandeel ter wereld van elektriciteit uit offshore windmolenparken haalt, het zorgt er ook voor dat een substantieel deel van de winsten uit windenergie terugvloeit naar de Deense burger.

In Noorwegen is er dan weer energiebedrijf Equinor – het vroegere Statoil – dat tegenwoordig ook inzet op (drijvende) windparken op zee. Het bedrijf is voor 67% in handen van de Noorse staat en voor 3,4% van het Staatspensioenfonds. Naast in Noorwegen en andere Europese landen, heeft Equinor ook projecten met offshore wind van Argentinië tot in de Verenigde Staten.

Die bedrijven zijn er allemaal niet vanzelf gekomen. Ze vergen een strategisch industrieel beleid. De New Economics Foundation (NEF) schreef in november 2019 nog een rapport over hoe Schotland de maakindustrie voor hernieuwbare energie (onder meer voor windparken op zee) kan stimuleren. Voorstellen variëren van de oprichting van een nationaal energie-ontwikkelingsagentschap, financiering vanuit een nationale investeringsbank, het verbeteren van openbare aanbestedingen, het oprichten van een opleidingscentrum voor werknemers, tot het betrekken van vakbonden zodat 'groene' jobs ook 'goede' jobs zijn.

Het is niet vanuit nationalistische of protectionistische motieven dat we zo'n industrieel beleid moeten voeren. Het is omdat het de mogelijkheid biedt om de financiële en maatschappelijke winsten uit hernieuwbare energie beter te verdelen, om op democratische wijze een snelle transitie vorm te geven, en om duurzaamheid af te dwingen door de hele productieketen heen.

EIGENAARSCHAP

Samengevat: we gebruiken buitenlandse windturbines voor onze windparken op zee, waarbij de (gegarandeerde) winsten ten goede komen van vermogende Belgen en buitenlandse aandeelhouders, terwijl de subsidiëring grotendeels via onze energiefactuur gebeurt, waarbij de weinig verbruikende gezinnen meer betalen dan veel gebruikende gezinnen en veel meer dan grote industriële bedrijven.

Voor een sociaal klimaatbeleid is het niet alleen noodzakelijk dat we de manier waarop we de transitie financieren aanpassen. We moet ook het eigenaarschap in onze economie transformeren, zodat de baten bij bredere lagen van de bevolking terechtkomen in plaats van bij een select groepje rijke binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 48 tot 51