Abonneer Log in

Mijn project heet Papillon

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 62 tot 63

Al jaren probeer ik sociaal beleid en milieubeleid met elkaar te verzoenen.

Het protest van de Gele Hesjes bewees dat de klimaatverandering en het klimaatbeleid een grote impact hebben op mensen in een kwetsbare positie. Het mag dan ook niet verwonderen dat sociale organisaties zich steeds meer inzetten voor een rechtvaardige klimaattransitie. Samenlevingsopbouw, de organisatie waarvoor ik werk, is daar een voorbeeld van. Al jaren probeer ik sociaal beleid en milieubeleid met elkaar te verzoenen.

Mijn project heet Papillon. Het begon toen ik vaststelde dat veel mensen in armoede het met oude, energieverslindende huishoudtoestellen moeten doen. Geld voor nieuwe efficiënte te kopen is er niet. Daarom ging ik in gesprek met Bosch en overtuigde het bedrijf om aan 73 gezinnen samen 119 energiezuinige toestellen te verhuren. In de 10-jarige huurcontracten zitten service en eventuele reparatiekosten inbegrepen in de huurprijs. Dit huurmodel voor energiezuinige huishoudtoestellen pakt de energiearmoede aan in de Westhoek.

Hetgeen mij enorm stoort, is de wijdverbreide mythe dat mensen in armoede niet geïnteresseerd zijn in het klimaatdebat. In mijn werk zie ik elke dag dat dit pertinent onwaar is. Het klopt dat als je diep in de schulden zit, je andere besognes hebt dan de opwarming van de aarde. Je hebt ook minder middelen om zelf een steentje bij te dragen. Maar net als elke ouder willen ook mensen in armoede een beter leven voor hun kinderen. Zij weten dus evengoed dat het anders moet.

Die mythe van desinteresse maakt dat mensen in armoede de voorbije jaren niet of nauwelijks betrokken zijn geweest in de discussie met als gevolg een klimaatbeleid dat volledig aan hun belangen voorbijgaat. Daarom ben ik erg blij met werk als het jongste tweejaarlijkse verslag van het Steunpunt ter bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting. Dat document is volledig gewijd aan de relatie tussen duurzaamheid en armoede, en bewijst dat mensen in kwetsbare positie graag mee debatteren over de toekomst van onze planeet.

Maar het is niet alleen toekomstmuziek. Bij Papillon zie ik dat een rechtvaardige klimaattransitie een verschil maakt in het leven van alle dag. De situatie treft mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie vandaag op drie manieren.

Om te beginnen worden ze meer blootgesteld aan de gevolgen van milieuverontreiniging en klimaatverandering dan de midden- en de hoge inkomensgroepen. Dat uit zich in een ongelijke levensverwachting in goede gezondheid. Maar ook in een ongelijke toegang tot groen en natuur door de plek waar ze wonen en de mobiliteitsarmoede waarmee ze kampen.

Tegelijk hebben deze groepen niet de middelen om duurzame keuzes te maken. Zij hebben geen geld voor energiezuinige huishoudtoestellen, fair trade voeding of duurzame kledij. In tijden waar dit haast een statussymbolen zijn, leidt dat tot een vergroting van hun stigma.

Ten slotte dreigen ze ook de dupe te worden van de sterke Mattheüseffecten in het huidige klimaatbeleid. Heel het zonnepanelendebat was daar een voorbeeld van. De overheid subsidieerde die technologie massaal. De samenleving droeg de kost, maar de voordelen gingen naar diegenen die zich de zonnepanelen konden veroorloven.

Een sociaal-rechtvaardig klimaatbeleid is echter wel mogelijk. We staan nog maar aan het begin van de klimaattransitie. Grote delen van het beleid zijn nog een wit blad. Dat is een enorme kans. We kunnen er nog steeds voor zorgen dat de benodigde maatregelen op punt staan. Dat wil zeggen: dat ze de bestaande ongelijkheid niet vergroten, en liefst verkleinen. Dat moeten we nu doen, anders moeten we het later toch maar repareren, en dat is verloren tijd.

Als je draagvlak wil creëren, moet je de opbrengsten van een broodnodige klimaattaxshift gebruiken om bestaande ongelijkheden weg te werken. Dat wil zeggen dat het klimaatdividend van heffingen, die het gebruik van fossiele brandstoffen, vlees of vliegtuiggebruik ontmoedigen, gebruikt dient te worden om de laagste inkomens te compenseren voor de kosten die deze transitie sowieso met zich mee zal brengen. Pikant detail: mensen met een uitkering hebben weinig of niets aan de verlaging van de lasten op arbeid. De opbrengsten van klimaattaksen kunnen hier dus niet gebruikt voor worden, niets langs werkgevers- noch langs werknemerszijde. Als je de kost van arbeid wil verminderen, kan dit veel beter door de opbrengsten van een vermogens- of vermogenswinstbelasting aan te wenden.

Sommigen zullen deze voorstellen als ideologie willen voorstellen, maar dat is niet correct. Het welslagen van de klimaattransitie hangt af van draagvlak. Als de Gele Hesjes ruzie maken met de Groene, verlies je de strijd van de grote spelers. Zij hebben er alle belang bij dat de economie op fossiele brandstof blijft draaien. Daarom is sociale rechtvaardigheid een voorwaarde tot succes. De verkiezingen hebben aangetoond dat een aanzienlijk deel van de kiezers weigerachtig staat tegenover een ambitieus klimaatbeleid. Je gaat enkel hun steun krijgen als je de zaken op een meer doordachte en rechtvaardige manier aanpakt. Je gaat meer oog moeten hebben voor de impact op de lagere middenklasse en mensen in armoede. Dat is trouwens niet zo moeilijk. Het gaat er om hoe je als overheid maatregelen neemt die het klimaat ten goede komen. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Een verstandig klimaatbeleid gaat om herverdeling.

Terug naar Papillon. Dat project zorgt zowel op milieu- als op klimaatvlak voor winst. De elektriciteit- en waterfactuur van de gezinnen in kwestie daalt. Bovendien zorgt het feit dat Bosch een dienst in plaats van een product verkoopt ervoor dat het bedrijf er alle belang bij heeft om toestellen te maken die niet snel stukgaan en gemakkelijk gerepareerd kunnen worden. In een eerste fase wil ik Papillon uitbreiden naar 500 toestellen, om in de toekomst te landen op 4.000 nieuwe toestellen per jaar. Sociaal beleid en milieubeleid zijn wel degelijk met elkaar te verzoenen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 62 tot 63